id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.347 Rolnummer: A. 110558/IX-3055 Zaak: Arrest 149347 - - 26/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-03 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-03 00:45 Fiche Arrest nr 149.347 van 26 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.347 van 26 september 2005 in de zaak A. 110.558/IX-
- In zake : Gerrit TROCH, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE SMET, kantoor houdende te WAREGEM, Westerlaan 37/01 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerrit TROCH op 21 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 4 juli 2001 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem de bevordering door verhoging tot de weddeschaal 2D in een betrekking bij de brigade te Aalst wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 102.419 van 7 januari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen en de uitspraak in de betaling van de kosten wordt uitgesteld; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 8 februari 2002 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-3055-1/13 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 21 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DE SMET, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker Gerrit TROCH, die op dat ogenblik gerechtelijk afdelingsinspecteur 2C bij de gerechtelijke politie te Aalst is, kandideert op 1 juli 2000 voor een betrekking van gerechtelijk afdelingsinspecteur 2D bij dezelfde brigade. Door de partijen wordt niet betwist dat deze bevorderingsprocedure geregeld wordt door het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten. IX-3055-2/13 1.
- Overeenkomstig de artikelen 30 en 31 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 stellen de directe chef van verzoeker en zijn dienstchef een evaluatie op en geeft de procureur des Konings te Dendermonde zijn advies. 1.2.
- De evaluatie die verzoekers directe chef, gerechtelijk officier J. P. STRICK, op 30 augustus 2000 overeenkomstig de bepaling van het ministerieel besluit van 6 juli 1998 betreffende de nadere regels voor de evaluatie van de gegadigden voor sommige bevorderingen bij de gerechtelijke politie bij de parketten opstelt, leidt door afronding van de cijfers tot de eindevaluatie “goed” maar wordt door hem becommentarieerd als volgt : “Voldoet niet - zie verslagen en bijgevoegde verduidelijking”. Hij voegt er een uitgebreide motivering bij voor verschillende van de door hem toegekende scores. Verzoeker viseert deze evaluatie op 31 augustus 2000 en voegt er op 8 september een uitvoerige verweernota aan toe. 1.2.
- Verzoekers brigadechef, hoofdcommissaris TROTTEYN, geeft op 27 september 2000 een eindevaluatie “goed” met volgende motivering : “Bij de evaluatie werd als uitgangspunt genomen dat op de evaluatiecriteria men in principe een 2 scoort en dat de andere scores expliciet moeten gemotiveerd zijn door feiten uit het persoonlijk dossier. Zo is de score ZEER GOED inzake 'kwaliteit van het werk' gebaseerd op een felicitatie ter zake door het parket-generaal. De score ZWAK inzake de rubriek 'oprechtheid, recht- schapenheid en onkreukbaarheid' is gebaseerd op het tuchtonderzoek i.v.m. een verkeersovertreding (overdreven snelheid), die door dhr. TROCH verklaard werd als het gevolg van een achtervolging met zijn eigen voertuig van een verdachte. Het is onze eigen overtuiging dat dhr. TROCH hier een drogreden heeft aangehaald. Het feit dat we nooit verder nog notificatie hebben gekregen van een hem opgelegde tuchtstraf en hieruit dient afgeleid te worden dat dit tuchtdossier werd geseponeerd, vermoedelijk omwille van onvoldoende bewijs, doet niets af van onze overtuiging”. Verzoeker viseert deze evaluatie op 3 oktober
- IX-3055-3/13 1.
- Op 6 oktober 2000 maakt hoofdcommissaris TROTTEYN met een als “persoonlijk” aangemerkte brief de evaluaties over aan de procureur des Konings te Dendermonde opdat deze laatste op basis daarvan advies zou uitbrengen over de vraag tot bevordering van verzoeker. Deze brief bevat een aantal bijkomende inlichtingen over verzoeker en een algemene kritiek op het bestaande evaluatiesysteem : “Bij het nakijken van het persoonlijk dossier van GAI TROCH, stelde ik vast dat, n.a.v. de beschrijvende evaluatie voor zijn vaste benoeming, zijn officieren hem capabel achtten doch tevens gewag maken van een zekere nonchalance, een negatieve, zelden opbouwende kritische ingesteldheid en weinig zin voor discipline (te laat komen). Bij zijn bevordering tot eerstaanwezend inspecteur volstaat men te vermelden dat hij alle capaciteiten heeft om te kunnen voldoen aan de norm. N.a.v. zijn bevordering tot de eerste klasse-graad maakt men terug gewag van een nonchalante houding, een gebrek aan discipline en gemakzucht, doch in onvoldoende mate om hem uit te sluiten voor de bevordering. Deze beschrijvende evaluaties komen ons als juist voor en geven een beeld van wat ikzelf zou noemen de principieel eigenzinnige persoonlijkheid van GAI TROCH, die o.i. zich verder kenmerkt door een eerder negatieve kritische ingesteldheid, een-veel-aandacht-besteden aan de imperfecties van de organisatie en van (vooral) hiërarchische meerderen (wier imperfectie o.i. voor hem zijn eigengereidheid rechtvaardigt) en een tot in het oneindige aanhalen van deze imperfecties om aan te tonen dat niemand het recht heeft hem terecht te wijzen, gezien iedereen zelf wel eens zondigt. Ik vraag mij wel af of betrokkene, indien hij in de privé-sector zou werken, zich zou kunnen veroorloven om zo systematisch en langdurig de regels aan zijn laars te lappen (cfr. het te laat komen). Het valt ons wel op dat het huidige, reglementaire evaluatiesysteem i.v.m. de bevorderingen niet toelaat om voormelde kenmerken onder de erin opgenomen evaluatiecriteria onder te brengen, laat staan ze hun nodige gewicht hierin te laten geven. Het is al lang onze visie dat de bestaande evaluatiemethodiek gebrekkig is en zeer moeilijk toelaat op een gemotiveerde wijze tot een 'zwak' of 'onvoldoende' te komen. Zo dient vastgesteld te worden dat zelfs de evaluatie door dhr. STRICK (die, volgens de reglementering, als naasthogere chef dient te evalueren, ook al is dit o.i. eigenlijk deontologisch weinig passend, gezien de spanningen tussen dhr. STRICK en dhr. TROCH) door het opgelegde puntensysteem tot een eindevaluatie GOED komt. Het toekomstig evaluatiesysteem van de geïntegreerde politie zal de evaluatoren toelaten bijkomende relevante evaluatieindicatoren te gebruiken en zal tevens beschrijvend zijn. Het zal u verder niet ontgaan dat uw ambt op basis van een verslag van mij en van zijn officier, dhr. STRICK, een tuchtprocedure heeft opgestart lastens GAI TROCH. Ik ga hier niet verder in op de feiten die er aan de grondslag van liggen, en die uw ambt genoegzaam bekend zijn”. IX-3055-4/13 1.
- Op 6 november 2000 brengt de procureur des Konings te Dendermonde een ongunstig advies uit over de bevordering van verzoeker. Dit advies is als volgt gemotiveerd : “Alhoewel de toegekende evaluaties 'goed' luiden, blijkt zeer duidelijk uit de opmerkingen van de naasthogere chef en van de dienstchef dat het huidig evaluatiesysteem niet toelaat om de negatieve aspecten van het functioneren van betrokkene in rekening te brengen. Een bevordering dient men te verdienen : 'een nonchalante houding' en 'een gebrek aan discipline' zijn zeker geen eigenschappen die een bevordering kunnen staven. Bovendien werd op 30 oktober 2000 aan dhr. TROCH een tuchtsanctie opgelegd door de heer Procureur-generaal te Gent”. Verzoeker viseert dit advies op 9 november
- 1.
- Verzoeker dient beroep in bij het Comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten. Dit Comité brengt op 22 maart 2001 advies uit na verzoeker en zijn raadsman gehoord te hebben. Het bekrachtigt met negen stemmen tegen twee het ongunstig advies dat door de procureur des Konings werd uitgebracht. 1.
- Bij besluit van 4 juli 2001 weigert de minister van Binnenlandse zaken verzoeker te bevorderen tot weddeschaal 2D. Het wezenlijke motief van dit besluit is het sub 1.4 vermelde ongunstig advies van de procureur des Konings. Verzoeker neemt op 2 augustus 2001 kennisneming van dat besluit, dat het voorwerp vormt van het onderhavige beroep; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen belang heeft bij het beroep omdat de nietigverklaring niet tot gevolg zal hebben “dat de procureur des Konings een gunstig advies verleent of dat de minister de bevordering toestaat” en hij derhalve geen voordeel kan halen uit een vernietigings- arrest; IX-3055-5/13 2.
- Overwegende dat, zo de vernietiging van het bestreden besluit inderdaad noch de procureur des Konings, noch de minister verplicht om een voor verzoeker gunstige beslissing te treffen, die vernietiging het bestuur er wel toe kan brengen de bevorderingsprocedure over te doen en de door het arrest vastgestelde onregelmatigheid recht te zetten; dat verzoeker daarmee uitzicht krijgt op een nieuwe beslissing die gunstig kan zijn en dat hij daarin een deugdelijk belang vindt; dat de exceptie verworpen wordt; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending van de hoorplicht aanvoert, doordat de procureur des Konings te Dendermonde advies heeft uitgebracht zonder hem voorafgaandelijk te horen en hij bijgevolg niet de mogelijkheid heeft gehad om de feitelijke omstandigheden waarop dat advies steunt te onderzoeken en te weerleggen teneinde de procureur des Konings tot andere gedachten te brengen; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat de verplichting om een belanghebbende vooraf de gelegenheid te geven om voor zijn belangen op te komen, slechts geldt voor beslissingen waarbij de rechtstoestand van de betrokkene in ongunstige zin wordt gewijzigd, wat niet het geval is voor een benoemings- of bevorderingsprocedure, zelfs niet wanneer de kandidatuur wordt afgewezen; 3.
- Overwegende dat het koninklijk besluit van 19 december 1997 niet voorschrijft dat de procureur des Konings, alvorens advies uit te brengen over de bevordering door verhoging in weddeschaal van een gerechtelijk afdelingsinspecteur, de kandidaat moet horen; dat artikel 34 van dat koninklijk besluit van 19 december 1997 de rechten van verdediging van de kandidaten voor een bevordering enkel in die zin organiseert dat van elk advies onverwijld kennis wordt gegeven aan de gegadigde, die dan binnen de tien dagen een nota met opmerkingen kan indienen die bij het dossier wordt gevoegd; dat bovendien, meer algemeen, de verwerende partij terecht stelt dat het beginsel van behoorlijk bestuur, krachtens hetwelk het bestuur de rechtstoestand van een ambtenaar niet in ongunstige zin mag wijzigen dan nadat IX-3055-6/13 de betrokkene de gelegenheid heeft gekregen vooraf zijn standpunt ter kennis te brengen, niet van toepassing is op bevorderingen, ook niet wanneer het bestuur daarbij de verwachting van de betrokkene niet honoreert om redenen die zijn persoon betreffen; dat het middel niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel aanvoert dat het bestreden besluit, dat verwijst naar het advies van de procureur des Konings, niet steunt op draagkrachtige motieven, aangezien de motieven die in het advies zijn vermeld “zowel rechtens als in feite onjuist (zijn)”; dat naar zijn oordeel die motieven in rechte niet toelaatbaar zijn omdat de criteria “nonchalante houding” en “gebrek aan discipline” niet teruggaan naar de evaluatiecriteria vastgesteld in het ministerieel besluit van 6 juli 1998; dat zij volgens hem feitelijk onjuist zijn omdat zij steunen op onjuiste informatie van zijn dienstchef, J.P. STRICK, met wie verzoeker onenigheid heeft, die aan de basis ligt van de tuchtstraf die hem op 30 oktober 2000 opgelegd is en tegen wie een onderzoek door het Comité P loopt; dat hij ten slotte ook stelt dat de procureur des Konings verwijst naar een tuchtstraf, maar dat hij niet nader ingaat op de evolutie die verzoeker heeft doorgemaakt nadat de tuchtstraf hem was opgelegd; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt enerzijds dat het Regelingscomité heeft geoordeeld dat de regels die gelden voor de evaluatie niet van toepassing zijn op het advies van de procureur des Konings en anderzijds dat de informatie waarop de procureur zijn advies heeft gesteund, uitging van J. TROTTEYN, korpschef van verzoeker en niet van zijn diensthoofd J.P. STRICK; dat zij ook stelt dat de tuchtstraf, die opgelegd is door de procureur-generaal, haar grondslag vindt in het gedrag van verzoeker en dat dan ook niet kan worden gesteld dat zijn dienstchef er aan de basis van ligt; 4.3.1.
- Overwegende dat verzoeker niet betwist dat de bevordering door verhoging in weddeschaal -in zijn geval de regeling van artikel 110 van het koninklijk besluit van 19 december 1997- de regeling volgt die voorgeschreven is voor de bevordering door verhoging in graad; dat de desbetreffende regeling -de artikelen 30 IX-3055-7/13 tot 35 van hetzelfde besluit- voorziet in een advies van de procureur des Konings nadat de hiërarchische meerderen een evaluatie hebben gemaakt van de wijze van dienen, het rendement, de beroepsbekwaamheid en de persoonlijkheid van de gegadigde, opgesteld volgens de nadere regels en met toepassing van het rooster vastgesteld door de minister van Justitie; 4.3.1.
- Overwegende dat, zo volgens artikel 32, § 2, van het koninklijk besluit van 19 december 1997 de evaluatie verplicht moet gebeuren met inachtneming van de regels vastgesteld door de minister van Justitie in het ministerieel besluit van 6 juli 1998 en zij derhalve beperkt is tot de beoordelingscriteria die deze regeling toelaat, datzelfde koninklijk besluit niet bepaalt dat ook het advies van de procureur des Konings enkel rekening mag houden met de beoordelingscriteria die gelden voor de evaluatie; dat ook de omstandigheid dat het advies voortbouwt op de evaluaties van de hiërarchische meerderen van de kandidaat en dat zowel de evaluatie als het advies betrekking moeten hebben op “de wijze van dienen, het rendement, de beroepsbekwaamheid en de persoonlijkheid” van de kandidaat, niet betekent dat de procureur des Konings, die uiteindelijk een gunstig of ongunstig advies uitbrengt over de te verlenen bevordering, daarbij gebonden zou zijn door dezelfde stringente beoordelingscriteria die door de minister van Justitie voor de beoordeling van de werkzaamheden van de betrokkene ingesteld zijn; 4.3.
- Overwegende, wat betreft het verwijt dat de motieven die de procureur des Konings in aanmerking genomen heeft feitelijk onjuist zouden zijn, dat verzoeker niet verder komt dat een verwijzing naar de onenigheid die hij met zijn onmiddellijke meerdere, J.P. STRICK, heeft en naar het feit dat laatstgenoemde aan de basis ligt van de tuchtstraf die hem opgelegd is en dat er tegen hem een administratief onderzoek loopt; dat die verwijzingen niet volstaan om de evaluatie van 30 augustus 2000 aan het wankelen te brengen, temeer daar ook de brigadechef van verzoeker niet verder dan de beoordeling “goed” -de basiskwalificatie- is gekomen, hij verzoeker op slechts één criterium als “zeer goed” beoordeelt en toch ook gevatte bedenkingen uit op het vlak van de rubriek “oprechtheid”; IX-3055-8/13 4.3.
- Overwegende dat verzoeker ten onrechte aan de procureur des Konings verwijt dat hij zijn advies mede gesteund heeft op de tuchtstraf van de berisping met inhouding van wedde gedurende twee dagen, die de procureur-generaal hem op 30 oktober 2000 heeft opgelegd wegens de miskenning van een bevel van een meerdere, het te laat aankomen op het werk en zijn houding tegen een politieagent die hem geverbaliseerd had; dat een tuchtstraf uiteraard een gegeven is dat relevant bij de beoordeling van de verdiensten met het oog op een bevordering betrokken kan worden; dat, daargelaten de vraag of de impact van een tuchtstraf niet moet gerelativeerd worden wanneer de betrokkene zich nadien beter gedraagt, in dit geval vastgesteld moet worden dat de tuchtstraf dagtekent van 30 oktober 2000, terwijl de procureur des Konings reeds op 6 november 2000 advies gegeven heeft, zodat niet wordt ingezien hoe hij de zogenaamde “inkeer” van verzoeker in zijn besluitvorming had kunnen betrekken; 4.3.
- Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel, doordat zijn niet-bevordering zijn carrièremogelijkheden fnuikt en hem financieel verlies berokkent, terwijl hij voor dezelfde feiten reeds pecuniair getroffen is door de tuchtstraf die hij op 30 oktober 2000 gekregen heeft; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat het redelijkheidsbeginsel slechts geschonden is wanneer er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de motieven en de inhoud van een beslissing, dat de brief van J. TROTTEYN aan de procureur des Konings niet toelaat te stellen dat het evenredigheidsbeginsel geschonden is, dat verzoeker geen twee keer wordt gestraft voor dezelfde feiten en dat het bestuur wel degelijk rekening kon houden met de opgelegde tuchtstraf; 5.3.
- Overwegende dat verzoeker niet aanvoert en dat uit het dossier van de zaak ook niet blijkt dat de verwerende partij met het bestreden besluit IX-3055-9/13 verzoeker zou hebben willen straffen voor onrechtmatig gedrag; dat de minister van Binnenlandse Zaken met het bestreden besluit, in het kader van de discretionaire bevoegdheid waarover hij ter zake beschikt, geoordeeld heeft dat verzoeker de voorwaarden niet vervulde om een verhoging in weddeschaal te verkrijgen; dat de Raad van State ter zake enkel kan optreden wanneer het bestuur een kennelijk onredelijk gebruik maakt van zijn beoordelingsvrijheid, wat voor het onderhavige geval neerkomt op de vraag of de minister -en voordien de procureur des Konings- zich kennelijk onredelijk opgesteld heeft toen hij vaststelde dat de titels en verdiensten van verzoeker, zoals die hem door de bevoegde organen werden uiteengezet, niet volstonden om hem te bevorderen; dat verzoeker dat bewijs niet levert; dat immers de omstandigheid dat verzoeker voor bepaalde feiten in het verleden een tuchtstraf opgelegd gekregen heeft -met pecuniaire gevolgen-, het bestuur niet moest beletten het functioneren van verzoeker in zijn besluitvorming over een bevordering te betrekken, ook al hebben die twee beslissingen een impact op zijn bezoldiging; dat het middel niet gegrond is; 6.
- Overwegende dat in het vierde middel de schending wordt aangevoerd van het non bis in idem-beginsel, doordat het bestreden besluit hem nogmaals bestraft voor feiten die reeds aanleiding gaven tot een tuchtstraf; 6.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de weigering om een bevordering te verlenen geen tuchtstraf is; 6.
- Overwegende dat het beginsel “non bis in idem”, toegepast binnen het tuchtrecht, inhoudt dat een tuchtstraf belet dat voor dezelfde feiten nogmaals een tuchtstraf kan worden opgelegd; dat de hier bestreden beslissing de weigering betreft om verzoeker te bevorderen; dat, nu verzoeker niet aanvoert dat hem daarmee op verdoken wijze een tuchtstraf opgelegd is, er geen schending van het ingeroepen beginsel vastgesteld kan worden; dat het middel niet gegrond is; 7.
- Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel aanvoert dat hij geen kennis gekregen heeft van het advies dat hoofdcommissaris TROTTEYN aan IX-3055-10/13 de procureur des Konings met zijn schrijven van 6 oktober 2000 gegeven heeft; dat hij daarin een miskenning ziet van artikel 34 van het koninklijk besluit van 19 december 1997, waarin de onverwijlde kennisgeving van de adviezen aan de gegadigde verplicht wordt gesteld en hem de mogelijkheid geboden wordt om erop te reageren; 7.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de brief van 6 oktober 2000 geen evaluatie is in de zin van artikel 34 van het koninklijk besluit van 19 december 1997, dat verzoeker wel degelijk de inhoud van de brief kent aangezien hij de brief citeert in zijn verzoekschrift en dat verzoeker zelf blijk geeft van onzorgvuldig handelen nu hij de kennisgeving van de brief van 6 oktober 2000 betwist maar er dan zelf uit citeert; 7.3.
- Overwegende dat artikel 34 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 luidt als volgt : “Van elke evaluatie en elk advies wordt onverwijld kennis gegeven aan de gegadigde, die ze viseert. Iedere gegadigde kan, binnen tien dagen die volgen op de dag van de kennisgeving van een evaluatie of een advies, daarover alle opmerkingen maken die hij nuttig acht door middel van een nota met opmer- kingen, die bij zijn dossier wordt gevoegd”; Overwegende dat die bepaling voor de kandidaten voor een bevordering de mogelijkheid instelt om te reageren op elke beoordeling die over hem wordt uitgebracht; dat verzoeker die mogelijkheid heeft gekregen in de mate dat hij in kennis gesteld is van de evaluatieverslagen van zijn onmiddellijke hiërarchische meerdere J.P. STRICK en van zijn dienstchef, J. TROTTEYN; dat in die zin artikel 34 van het koninklijk besluit nageleefd is; 7.3.2.
- Overwegende dat de dienstchef van verzoeker, bij het doorzenden van de evaluatieverslagen aan de procureur des Konings, in de brief van 6 oktober 2000 de sub 1.3 geciteerde bijkomende commentaar heeft opgenomen; dat hij zich daarin met name beklaagt over de gebreken die de voorgeschreven evaluatiemethode IX-3055-11/13 vertoont en ter compensatie daarvan enkele negatieve vaststellingen in herinnering brengt die in het verleden met betrekking tot verzoeker werden gemaakt: noncha- lance, zelden opbouwende ingesteldheid, gebrek aan discipline, gemakzucht; dat hij ook verwijst naar de toen nog hangende tuchtprocedure; dat, aangezien artikel 34 van het koninklijk besluit ertoe strekt de kandidaten voor een bevordering reeds gedurende het besluitvormingsproces de mogelijkheid te bieden met het bestuur in debat te treden, het logisch is dat zij ook kennis krijgen van alle commentaren die te hunnen aanzien in het kader van de bevorderingsprocedure worden opgesteld; dat zulks in dit geval niet gebeurd blijkt te zijn; 7.3.2.
- Overwegende dat de miskenning van een vormvoorschrift niet automatisch moet leiden tot de nietigverklaring van de beslissing die erop gevolgd is; dat zulks enkel het geval moet zijn wanneer de verzoeker aantoont dat die miskenning hem benadeeld heeft; dat te dezen uit het door de auditeur-verslaggever ingestelde onderzoek blijkt dat verzoeker, in het verweerschrift dat hij voor het Regelingscomité heeft ingediend in het kader van zijn beroep tegen het negatief advies van de procureur des Konings, een citaat heeft opgenomen uit de brief van 6 oktober 2000; dat verzoeker daarmee bewijst dat hij de opmerkingen van hoofdcommissaris TROTTEYN kende en dat hij er zich ten overstaan van de bevoegde overheid tegen verdedigd heeft; dat, in die omstandigheden, verzoeker zich niet op de schending van artikel 34 kan beroepen en dat het middel niet tot de vernietiging van het bestreden besluit moet leiden, IX-3055-12/13 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig september 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3055-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.347 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.102.419 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.