← België

Arrest 149349 - - 26/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.349 Rolnummer: Zaak: Arrest 149349 - - 26/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 00:45 Fiche Arrest nr 149.349 van 26 september 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.349 van 26 september 2005 in de zaken A. 53.447/IX-1007 53.448/IX-

  1. In zake : I. + II. Kamiel MADOU, die woonplaats kiest bij advocaat E. DE VILLE, kantoor houdende te BLANKENBERGE, Zuidlaan 14-16 tegen : I. + II. Het Paritair Subcomité voor de haven van Zeebrugge, dat woonplaats kiest bij advocaat G. DEMEZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Wijnheuvelstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kamiel MADOU op 27 augustus 1993 heeft ingediend om enerzijds de vernietiging te vorderen van de beslissing van 6 juli 1993 van het Paritair Subcomité voor de haven van Zeebrugge waarbij de beslissing van 13 april 1993 wordt ingetrokken, waarbij verzoeker als havenarbeider wordt geschorst voor de duur van het administratief onderzoek in het kader van de procedure tot intrekking van zijn erkenning en waarbij hij wordt opgeroepen om op 14 juli 1993 door het Paritair Subcomité gehoord te worden en om anderzijds te horen zeggen voor recht dat hij vanaf 10 maart 1993 onafgebroken havenarbeider gebleven is (de zaak A. 53.447/IX-1007); Gezien het verzoekschrift dat Kamiel MADOU op 28 augustus 1993 heeft ingediend om enerzijds de vernietiging te vorderen van het besluit van 22 IX-1007-1/8 juli 1993 van het Paritair Subcomité voor de haven van Zeebrugge waarbij zijn erkenning als havenarbeider met ingang van 10 maart 1993 wordt ingetrokken wegens onvoldoende prestaties en om anderzijds te horen zeggen voor recht dat hij sinds 10 maart 1993 onafgebroken havenarbeider gebleven is (de zaak A. 53.448/IX-1008); Gelet op het arrest nr. 124.406 van 20 oktober 2003; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 3 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 augustus 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 19 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE VILLE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. FICHER die, loco advocaat G. DEMEZ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-1007-2/8
  3. Overwegende dat met het arrest nr. 124.406 van 20 oktober 2003 het beroep nr. A. 52.371/IX-1006 verworpen is; dat datzelfde arrest het tweede middel in de zaak nr. A. 53.448/IX-1008, waarin aangevoerd is dat de op 22 juli 1993 besloten intrekking van de erkenning van verzoeker als havenarbeider niet mocht terugwerken tot 10 maart 1993, gegrond bevonden heeft; dat het arrest wel een voorbehoud gemaakt heeft in die zin dat, in zoverre zou blijken dat het bestuur de erkenning van verzoeker op 6 juli 1993 regelmatig heeft kunnen schorsen voor de duur van het administratief onderzoek, de eindbeslissing van 22 juli 1993 toch regelmatig kon terugwerken tot 6 juli 1993; dat om die reden de debatten heropend zijn en dat aan het bevoegde lid van het auditoraat de opdracht gegeven is het beroep nr. A. 53.447/IX-1007, gericht tegen de schorsing van 6 juli 1993 van verzoeker, te onderzoeken teneinde aldus de omvang van de vernietiging op grond van het tweede middel in de zaak nr. A. 53.448/IX-1008 precies vast te kunnen stellen; De zaak A. 53.447/IX-1007
  4. Overwegende dat het onderdeel van de beslissing van 6 juli 1993 waarvan de regelmatigheid nog onderzocht moet worden luidt als volgt : “(...)
  5. Hangende het administratief onderzoek in het raam van de intrekkings- procedure, is de erkenning als havenarbeider van de heer Kamiel MADOU geschorst met toepassing van artikel 5bis van het K.B. van 17 mei
  6. (...);” 3.
  7. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van het koninklijk besluit van 16 november 1977 tot vaststelling van de intrekkingsprocedure van de erkenning als havenarbeider, alsmede de modaliteiten van zijn verdediging voor de administratieve commissie opgericht in de schoot van het Paritair Subcomité voor de haven van Zeebrugge (hierna: het koninklijk besluit van 16 november 1977); dat hij betoogt dat zijn erkenning als havenarbeider geschorst wordt, dat het koninklijk besluit van 16 november 1977 de procedure bepaalt die in geval van intrekking van de erkenning gevolgd moet worden en dat IX-1007-3/8 daarin onder meer de “tegensprekelijkheid” voorzien is evenals “het garanderen van het recht van verdediging”; dat hij van oordeel is dat artikel 5bis van het koninklijk besluit van 17 mei 1977 betreffende de voorwaarden en modaliteiten van de erkenning van havenarbeiders in het havengebied van Zeebrugge (hierna: het koninklijk besluit van 17 mei 1977), waarnaar de verwerende partij verwijst, het koninklijk besluit van 16 november 1977 niet buiten werking gesteld heeft zodat het Paritair Subcomité geen nieuwe beslissing over de situatie van verzoeker kon treffen zonder hem vooraf te horen; 3.
  8. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoeker gehoord werd alvorens zijn erkenning op 10 maart 1993 werd ingetrokken, dat het koninklijk besluit van 16 november 1977 ertoe strekt te vermijden dat de erkenning als havenarbeider wordt ingetrokken zonder dat de betrokkene gehoord is, maar dat er in dit geval geen sprake is van een intrekking van de erkenning, maar van een schorsing die de toestand van verzoeker “niet verergerd” heeft; dat volgens haar het middel “onontvankelijk, minstens ongegrond (is)”; 3.
  9. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in essentie repliceert dat de schorsing enkel mogelijk is wanneer de betrokkene een erkenning bezit, dat de procedure die kan leiden tot de intrekking van de erkenning geregeld is in het koninklijk besluit van 16 november 1977 en dat de verwerende partij die regels niet gevolgd heeft; 3.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat het middel stoelt op de schending van het koninklijk besluit van 16 november 1977 en dat het niet mag uitgebreid worden tot de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur betreffende de hoorplicht, dat niet van openbare orde is; 3.5.
  11. Overwegende dat buiten betwisting staat dat de verwerende partij de beslissing van 6 juli 1993 om de erkenning van verzoeker te schorsen voor de duur van de opgestarte intrekkingsprocedure, genomen heeft zonder verzoeker vooraf op te roepen voor een persoonlijk verhoor of hem in de gelegenheid te stellen zijn IX-1007-4/8 bemerkingen ten aanzien van de voorgenomen preventieve schorsing naar voren te brengen; 3.5.2.
  12. Overwegende dat verzoeker de miskenning aanvoert van zijn rechten van verdediging; dat hij de waarborg van een tegensprekelijk debat vindt in de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 november 1977, dat aan het Paritair Subcomité de verplichting oplegt om, wanneer het voornemens is om de erkenning van een havenarbeider in te trekken -het koninklijk besluit van 17 mei 1977 betreffende de voorwaarden en modaliteiten van de erkenning van havenarbeiders in het havengebied van Zeebrugge biedt die mogelijkheid-, de arbeider op te roepen voor een verhoor; dat, daargelaten de vraag of die verplichting als zodanig ook niet geldt voor het opleggen van een preventieve schorsing overeenkomstig artikel 5bis van hetzelfde koninklijk besluit van 17 mei 1977, het bestuur in ieder geval dergelijke preventieve ordemaatregel, wanneer hij steunt op de persoonlijke gedraging van de betrokkene en van aard is om zijn belangen ernstig te schaden, slechts kan treffen wanneer het hem in de gelegenheid gesteld heeft nuttig zijn standpunt naar voren te brengen zowel ten aanzien van de feiten die het bestuur in zijn besluitvorming betrekt als ten aanzien van de maatregel die overwogen wordt; 3.5.2.
  13. Overwegende dat het middel steunt op de miskenning van de rechten van verdediging van verzoeker; dat de verwerende partij het middel ook vanuit dat oogpunt benaderd heeft; dat het middel niet onontvankelijk verklaard moet worden om de enkele reden dat verzoeker het middel baseert op een reglementaire bepaling die mogelijk niet op zijn situatie van toepassing is en hij daarbij nalaat te verwijzen naar het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur betreffende de hoorplicht; dat de Raad van State, vertrekkend van de feitelijke gegevens die ter ondersteuning van het middel worden aangevoerd en voor zover de rechten van de verdediging daarbij geëerbiedigd worden, een middel in de correcte juridische context mag plaatsen; dat aldus niets de Raad van State belet om, in het kader van het onderzoek van het middel waarin de schending van de rechten van verdediging wordt aangevoerd, na te gaan of de verwerende partij wel voldaan heeft aan de -in niet- tuchtrechtelijke aangelegenheden- op haar rustende verplichting om tegen haar IX-1007-5/8 personeel geen ernstige maatregelen te treffen zonder dat de betrokkene de gelegenheid gehad heeft zijn standpunt ter kennis van het bestuur te brengen; 3.5.
  14. Overwegende, in dit geval, dat de intrekkingsprocedure tegen verzoeker opgestart is om reden dat hij in 1992 onvoldoende prestaties geleverd heeft; dat met het hier besproken besluit de erkenning van verzoeker, in afwachting van een eindbeslissing over de intrekking van zijn erkenning, geschorst is omdat -naar luid van artikel 5bis van koninklijk besluit van 17 mei 1977- “het administratief onderzoek zulks vereist”; dat dergelijke maatregel, doordat hij een beletsel vormt om als havenarbeider te werken, zijn belangen ernstig beïnvloedt; dat verzoeker niet de gelegenheid heeft gehad om aan het bestuur zijn standpunt bekend te maken, onder meer over de vraag waarom het administratief onderzoek vereiste dat zijn erkenning als havenarbeider geschorst moest worden in afwachting van het resultaat van de procedure tot intrekking van zijn erkenning; dat het middel gegrond is; dat het leidt tot de vernietiging van het besluit van 6 juli 1993 waarbij de erkenning van verzoeker geschorst wordt; De zaak A. 53.448/IX-
  15. Overwegende dat, betrokken op de vraag of de verwerende partij met recht terugwerkende kracht kon verlenen aan de intrekking van de erkenning die zij op 22 juli 1993 besloten heeft, het onregelmatig karakter van de preventieve schorsing van 6 juli 1993 tot de conclusie noopt dat de verwerende partij op 22 juli 1993 geen deugdelijke grondslag had om de intrekking van de erkenning van verzoeker te laten terugwerken tot 6 juli 1993;
  16. Overwegende dat het arrest nr. 124.406 van 20 oktober 2003 -overweging 7.4.3.1.- definitief vastgesteld heeft dat de retroactiviteit van de intrekking van de erkenning van een havenarbeider in rechte alleen verantwoord kan worden wanneer de betrokkene op grond van een regelmatige beslissing voorlopig uit de dienst verwijderd was; dat, nu hiervoor vastgesteld is dat de erkenning van verzoeker op 6 juli 1993 onregelmatig geschorst werd, er geen deugdelijke grondslag IX-1007-6/8 bestaat voor de terugwerkende kracht van het intrekkingsbesluit, ook niet tot 6 juli 1993; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  17. Vernietigd wordt : - het besluit van 6 juli 1993 van het Paritair Subcomité voor de haven van Zeebrugge waarbij de erkenning van Kamiel MADOU als havenarbeider wordt geschorst; - het besluit van 22 juli 1993 van hetzelfde Paritair Subcomité tot intrekking van de erkenning als erkend havenarbeider, in de mate dat het besluit terugwerkt tot 6 juli
  18. Artikel
  19. De kosten van de beroepen A. 53.447/IX-1007 en A. 53.448/IX-1008, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1007-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig september 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1007-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.349 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.