← België

Arrest 149351 - - 26/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.351 Rolnummer: A. 92279/IX-2397 Zaak: Arrest 149351 - - 26/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 00:46 Fiche Arrest nr 149.351 van 26 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.351 van 26 september 2005 in de zaak A. 92.279/IX-

  1. In zake : Marc VAN STEEN, die woonplaats kiest bij advocaat E. BRAL, kantoor houdende te GENT, Henleykaai 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc VAN STEEN op 30 mei 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 april 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 91.732 van 20 december 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 20 februari 2001 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-2397-1/16 Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 7 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 augustus 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 19 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. ROGGHE die, loco advocaat E. BRAL verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur ST. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak samengevat zijn in het arrest nr. 91.732 van 20 december 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; 2.
  4. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging doordat hij zich voor de onderzoeksraad niet heeft kunnen verdedigen, aangezien hij medisch ongeschikt was om daar te verschijnen; dat hij van oordeel is dat er nooit rekening gehouden is met de door hem IX-2397-2/16 voorgelegde medische attesten en dat, inzonderheid met betrekking tot zijn niet- verschijning voor de onderzoeksraad op 13 maart 2000, hij vooreerst op 24 februari 2000 door de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform (hierna : MCGR) reeds definitief ongeschikt was verklaard en vervolgens helemaal geen kennis had van het feit dat arbeidsgeneesheer HOPPENBROUWERS, die hem nooit onderzocht heeft, hem geschikt had verklaard om voor de onderzoeksraad te verschijnen, hetgeen hij in ieder geval had willen weerleggen; 2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de beslissing van de MCGR slechts op 3 april 2000 aan het bestuur ter kennis gebracht is zodat het de onderzoeksraad op 13 maart 2000 materieel onmogelijk was om met de beslissing van de commissie rekening te houden, dat de onderzoeksraad niet bevoegd was om een oordeel uit te spreken over de geneeskundige attesten naar dewelke verzoeker verwijst omdat de medische onmogelijkheid om te verschijnen een medische aangelegenheid is die voor de onderzoeksraad van 13 maart 2000 door de medische dienst van de rijkswacht - een verklaring van de geneesheer HOPPENBROUWERS, die voor zijn beslissing het advies had ingewonnen van een specialist die verzoeker wel degelijk had onderzocht - was opgelost; dat zij daaraan toevoegt dat verzoeker terdege gewezen was op de risico’s die verbonden waren met een niet-verschijning voor de onderzoeksraad; dat zij besluit dat het eigenaardig is dat verzoeker zich voor de onderzoeksraad niet verdedigd heeft en zich ook niet heeft laten vertegenwoordigen, terwijl hij voor de MCGR wel degelijk verschenen is, in persoon en bijgestaan door een raadsman; 2.
  6. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat uit de medische attesten die hij overlegt blijkt dat hij in de psychische onmogelijkheid was om zich voor de onderzoeksraad te verdedigen en dat hij zich nooit heeft kunnen verweren tegen de vaststellingen van geneesheer-majoor HOPPENBROUWERS; dat hij ook nog stelt dat de omstandigheid dat zijn ongeschiktverklaring door de MCGR nog niet definitief was, niet belette dat de onderzoeksraad -die van zijn toestand op de hoogte was- er toch reeds rekening mee IX-2397-3/16 hield en dat in ieder geval de minister zijn definitieve arbeidsongeschiktheid bij de totstandkoming van het bestreden besluit had moeten betrekken; 2.4.
  7. Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 91.732 het middel niet ernstig bevonden heeft op grond van de volgende overwegingen : “Overwegende dat de Commissie voor Geschiktheid en Reform haar beslissing van 24 februari 2000 waarbij verzoeker definitief medisch ongeschikt wordt verklaard voor de dienst aan verzoeker ter kennis heeft gebracht op 1 maart 2000; dat verzoeker overeenkomstig de ter zake geldende reglemen- tering de mogelijkheid had om gedurende dertig dagen tegen dat besluit beroep in te stellen zodat de beslissing van 24 februari 2000 ten vroegste op 1 april 2000 definitief kon worden; dat dienovereenkomstig de secretaris van de Commissie met een nota van 3 april 2000 aan de Generale Staf van de rijkswacht medegedeeld heeft dat verzoeker op 24 februari 2000 definitief ongeschikt was verklaard; dat verzoeker ook niet aantoont dat de verwerende partij verplicht was in de tuchtprocedure die tegen hem aanhangig was gemaakt, rekening te houden met gegevens uit een nog niet definitief afgehandelde administratieve procedure - de vraag naar zijn medische geschiktheid - die tegelijkertijd lopende was; dat in die omstandigheden de onderzoeksraad op 13 maart 2000 met die beslissing, geen rekening mocht houden; Overwegende dat verzoeker attesten voorlegt van door hem geconsulteerde geneesheren; dat een eerste attest, afgeleverd door dokter JACO, aangenomen militair geneesheer, opgemaakt is op 19 oktober 1999 en dat erin vermeld wordt dat de psychische storing aan dewelke verzoeker lijdt en waarvoor hij door neuropsychiater RESTIAU behandeld wordt, lang kan duren maar dat het niet de formele mededeling bevat dat verzoeker om gezondheidsredenen niet voor de onderzoeksraad kan verschijnen; dat trouwens na de redactie van dat attest, de geneesheer van de medische dienst op 16 november 1999 de fysische bekwaamheid van verzoeker om voor de onderzoeksraad te verschijnen bevestigd heeft terwijl hij zich niet bekwaam achtte om een oordeel te vellen over zijn niet-fysische bekwaamheid; dat de onderzoeksraad dan een bijkomend onderzoek heeft gelast, ter uitvoering waarvan verzoeker op 19 januari 2000 in opdracht van majoor-geneesheer HOPPENBROUWERS in het militair hospitaal onderzocht is door militair geneesheer SCHENKELS -gegeven dat bewezen wordt door een verklaring van geneesheer SCHENKELS die door verzoeker met geen tegenbewijs wordt weerlegd- met de conclusie dat verzoeker in staat was om voor de onderzoeksraad te verschijnen en zich daar te verdedigen; dat de verwerende partij die conclusie aan verzoeker toegezonden heeft; dat de omstandigheid dat verzoeker geweigerd heeft de postzending in ontvangst te nemen niet belet dat thans vastgesteld wordt dat verzoeker de mogelijkheid heeft gehad om zich ten overstaan van de onderzoeksraad te laten verdedigen tegen de conclusie van dokter HOPPENBROUWERS, maar dat hij zulks niet heeft gedaan; dat het attest van neuropsychiater RESTIAU, opgemaakt op 17 januari 2000 -dit is vooraleer verzoeker door geneesheer SCHENKELS onderzocht is- IX-2397-4/16 ook dat tegenbewijs niet bevat; dat bijgevolg de onderzoeksraad de rechten van verdediging niet geschonden heeft toen hij op 13 maart 2000, met verwijzing naar het advies van dokter HOPPENBROUWERS, besloten heeft dat de zaak geacht kon worden op tegenspraak te zijn gevoerd; ” 2.4.
  8. Overwegende dat de Raad van State die redenering thans voor wat de zaak ten gronde betreft, bijvalt; dat de beslissing van de MCGR definitief geworden is vooraleer de minister het eindbesluit trof, niet volgt dat de minister de vraag of verzoeker zich in de loop van de tuchtprocedure correct heeft kunnen verdedigen, aan een nieuw onderzoek diende te onderwerpen; dat het middel niet gegrond is; 3.
  9. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel aanvoert dat een tuchtmaatregel moet steunen op wettige en deugdelijke motieven, die behoorlijk door het bestuur moeten bewezen worden en waarbij de betrokkene het vermoeden van onschuld geniet, terwijl die bewijzen - zoals de onderzoeksraad heeft aangenomen - niet besloten kunnen liggen in eenzijdige en overigens betwiste bevindingen van wachtmeester VAN SANDT en terwijl verzoeker alleen feiten uit 1997 bekend heeft zodat de onderzoeksraad onmogelijk kon stellen dat gedurende een lange tijdspanne (van september/oktober 1997 tot 16 juni 2000) misdragingen werden vastgesteld; 3.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat, naar blijkt uit de feitelijke uiteenzetting vermeld in zijn advies, de onderzoeksraad het bewijs van de feiten niet gesteund heeft op eenzijdige vaststellingen van slechts één rijkswachter en dat ook de stelling van verzoeker met betrekking tot de periode waarin de feiten zijn gepleegd niet opgaan, aangezien de onderzoeksraad alleen maar aangenomen heeft dat verzoeker tussen 1 oktober 1997 en 16 juni 1999 meermaals de feiten 1 en 2 gepleegd heeft; 3.
  11. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog benadrukt dat de onderzoeksraad voor het bewijs van de feiten rekening gehouden heeft met de onderzoeksverrichtingen die binnen de rijkswacht zijn uitgevoerd onder de codenaam “operatie ASOP”, maar dat die bewijsgaring IX-2397-5/16 onregelmatig is aangezien het opzetten van infiltratietechnieken slechts mogelijk is na schriftelijke toestemming van de procureur des Konings, terwijl in dit geval de procureur slechts zijn toestemming heeft verleend op 4 juni 1998 en de tenlaste gelegde feiten teruggaan tot september 1997; 3.4.
  12. Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 91.732 het middel niet ernstig bevonden heeft op grond van de volgende overwegingen : “Overwegende dat de bestreden beslissing van 7 april 2000 een duidelijke omschrijving geeft van de tegen verzoeker aangehouden drie tuchtfeiten; dat in het advies van de onderzoeksraad van 13 maart 2000, waarop de minister zich heeft gesteund, duidelijk aangegeven wordt dat de onderzoeksraad de drie feiten bewezen heeft geacht op grond van de activiteitenverslagen van de operatie ASOP, op grond van de vaststellingen van de rijkswachtbrigade Brasschaat, op grond van de bekentenis van eerste wachtmeester VAN HOEK dat hij ‘tussen 1996 en eind 1997 (...) enkele malen een observatieopdracht uitgevoerd (heeft) op vraag van VAN STEEN’ en op grond van twee getuigenverklaringen, afgelegd tegenover commandant KONINGS op 26 augustus 1999; dat al die stukken in verzoekers tuchtdossier zijn opgenomen en dat niet wordt ingezien waarom zij geen deugdelijk bewijs zouden vormen voor de ten laste gelegde feiten; dat de omstandigheid dat de onderzoeksraad geen preciese opsomming heeft gegeven van de data waarop de feiten zijn gepleegd maar zich beperkt heeft tot het aangeven van de periode waarin de feiten - die voor het overige deugdelijk bewezen worden - zijn gepleegd het bewijs van de feiten niet aantast terwijl verzoeker ook niet aantoont dat dat gegeven zijn situatie heeft verzwaard; dat dienvolgens het besluit zich opdringt dat de verwerende partij zich voor het bestreden besluit gesteund heeft op concrete en behoorlijk bewezen feiten;” 3.4.
  13. Overwegende dat de Raad van State die redenering thans met betrekking tot de zaak ten gronde bijvalt; dat, wat betreft het in aanmerking nemen van gegevens die door middel van het confidentieel onderzoek “operatie ASOP” ter kennis van de verwerende partij gekomen zijn, de onderzoeksraad er in zijn advies op gewezen heeft dat deze “operatie ASOP” gebeurde binnen een opsporings- onderzoek naar strafbare feiten, maar dat de vertrouwensmagistraat van het parket te Antwerpen van bij de aanvang kennis had van dit onderzoek en er de leiding over had zodat de informatie regelmatig verkregen werd en het bestuur er, nu de procureur des Konings op 4 juni 1998 de toestemming heeft verleend om de stukken IX-2397-6/16 van het strafdossier aan te wenden in de tuchtzaak, op regelmatige wijze gebruik van kon maken; dat die stellingname van de onderzoeksraad steun vindt in de gegevens van het dossier; dat er geen reden is om de bewijskracht van de door het bestuur in aanmerking genomen bewijselementen te negeren; dat het middel niet gegrond is; 4.
  14. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert doordat de tuchtprocedure onredelijk lang aangesleept zou hebben (eerste onderdeel), doordat het onderzoek op een ongeoor- loofde wijze gevoerd is (tweede onderdeel), doordat het bestreden besluit getuigt van vooringenomenheid (derde onderdeel), doordat de feiten onnauwkeurig en op misleidende wijze geacteerd zijn (vierde onderdeel), doordat geen rekening gehouden is met de beslissing van de MCGR van 24 februari 2000 waarbij hij definitief ongeschikt verklaard is (vijfde onderdeel) en doordat bij het opleggen van de tuchtstraf rekening gehouden is met een doorgehaalde tuchtstraf (zesde onderdeel); Overwegende dat verzoeker de verschillende onderdelen als volgt adstrueert : - eerste onderdeel: de feiten waren ter kennis van het bestuur in 1997 maar het heeft tot april 2000 geduurd alvorens een sanctie is opgelegd, hoewel reeds in mei 1998 geweten was dat geen strafvervolging zou ingesteld worden, hoewel verzoeker reeds in september 1998 voorlopig gedetacheerd is en hoewel het voorstel om hem ambtshalve te ontslaan dagtekent van 9 september 1999 terwijl de onderzoeksraad op 15 december 1999 een tussenadvies heeft uitgesproken en hij dan nog tot april 2000 heeft moeten wachten op een eindbeslissing; - tweede onderdeel: het onderzoek tegen verzoeker is volledig gesteund op bevindingen gemaakt na infiltratie en uitlokking, wat een bijzondere opsporings- techniek is die overeenkomstig ministeriële richtlijnen in zijn geval -waarin duidelijk geen sprake is van zware criminaliteit- niet gebruikt had mogen worden; - derde onderdeel: het onderzoek was erop gericht bewijzen te verzamelen over ongeoorloofde banden van verzoeker met adjudant-chef VAN MECHELEN, die een bijzonder slechte relatie had met commandant DEBACKER, en verzoeker aldus te betrekken bij inbreuken begaan door VAN MECHELEN; IX-2397-7/16 - vierde onderdeel: hij ontkent op 15 juni 1999 voor rekening van de firma EASS een oefening te hebben geleid en daarvoor betaald te zijn; daarenboven wordt voor de andere ten laste gelegde tuchtfeiten geen preciese datum aangeduid; de verwijzing naar de lange periode waarin hij zich zou misdragen hebben heeft de verkeerde conclusie toegelaten dat hij manifest de korpstucht negeerde en dat hij zich tijdens ziekteverloven haast permanent ten dienste stelde van private opdrachtgevers; - vijfde onderdeel: het bestreden besluit houdt geen rekening met de beslissing van de MCGR waarbij hij definitief ongeschikt verklaard is, hoewel die beslissing een heel ander licht werpt op de zaak; - zesde onderdeel: er is bij de beoordeling van de feiten rekening gehouden met een eerdere tuchtstraf die op het ogenblik van het verslag van de onderzoeksraad was doorgehaald; 4.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende verweer biedt : - eerste onderdeel: de redelijke termijn-eis geldt slechts indien het bestuur niet gebonden is door enige positiefrechtelijke norm en daarenboven is de beoordeling van de redelijkheid van de termijn functie van de concrete omstandigheden van de zaak; het dossier toont geen hiaten in de procedure aan die bij verzoeker de indruk konden wekken dat de verwerende partij zich niet meer voor zijn zaak interesseerde; alle onderzoeksdaden zijn binnen een redelijke termijn afgerond; de tuchtprocedure is trouwens om medische redenen geschorst en verschillende pogingen om verzoeker kennis te geven van een oproeping zijn vruchteloos gebleken; daarenboven zijn, afgezien van het tuchtfeit van 15 juni 1999, de tuchtfeiten ten vroegste vastgesteld op 3 april 1998; - tweede onderdeel: de vraag is of de bestreden tuchtmaatregel steunt op wettige en deugdelijke motieven; moet de overheid bij de vorming van haar opinie de beginselen van de bewijsvoering in acht nemen, dan oordeelt zij, onder toezicht van de Raad van State, discretionair wanneer de feiten als bestaand en bewezen beschouwd mogen worden; IX-2397-8/16 - derde onderdeel: voor dit middel is er geen feitelijke grondslag want het onderzoek is duidelijk ingesteld op basis van een verklaring van een personeelslid die onwettige praktijken in het korps wenste aan te klagen, zonder dat de contacten tussen verzoeker en VAN MECHELEN daarbij een rol speelden; - vierde onderdeel: de feiten zijn behoorlijk bewezen, zelfs indien verzoeker het feit van 15 juni 1999 ontkent; het feit dat hij volgens zijn geneesheer binnen zijn ziekteverlof iets mocht doen, belet niet dat hij geen activiteiten mocht verrichten waarvan hij wist dat het om tuchtinbreuken ging; - vijfde onderdeel: het verslag van de medische commissie is slechts definitief geworden na de zitting van de onderzoeksraad; - zesde onderdeel: noch uit het inleidend verslag van 2 september 1998, noch uit het bijkomend inleidend verslag van 24 juni 1999, noch uit de adiëring van de onderzoeksraad blijkt dat de tuchtstraf waarop verzoeker doelt een rol zou hebben gespeeld; daarenboven is de administratieve vergissing rechtgezet voor de vergadering van de onderzoeksraad van 15 december 1999; 4.
  16. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt -met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel- dat volgens hem de tuchtprocedure onredelijk lang aangesleept heeft aangezien de feiten reeds in 1997 ter kennis van het bestuur waren, er in mei 1998 reeds bekend was dat de procureur des Konings geen strafrechtelijk onderzoek zou instellen, het inleidend verslag werd opgemaakt in september 1998 en het dan toch nog tot december 1999 heeft geduurd alvorens de onderzoeksraad een eerste advies heeft uitgebracht en tot april 2000 alvorens het bestreden ministerieel besluit getroffen werd; dat hij opnieuw betoogt -met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel- dat het onderzoek “op ongeoorloofde wijze gevoerd (is)” doordat de verwerende partij bewijsgegevens verzameld heeft door middel van een onregelmatige infiltratie; 4.4.
  17. Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 91.732 het middel niet ernstig bevonden heeft op grond van de volgende overwegingen : IX-2397-9/16 “Overwegende dat het beginsel van behoorlijk bestuur, dat de overheid ertoe verplicht een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te doen, zich niet verdraagt met een uitdrukkelijke bepaling ter zake; dat, aangezien voor het onderhavige geval artikel 24/38, § 1, derde lid, van de wet van 27 december 1973 bepaalt dat de tuchtvordering die uitloopt op een ontslag van ambtswege verjaart twee jaar na de vaststelling van de feiten, verzoeker zich niet op de schending van de redelijke termijn-eis ten aanzien van de afhandeling van de tuchtprocedure kan beroepen; dat, het middel dan begrijpende als een schending van artikel 24/38, § 1, van de wet van 27 december 1973, vastgesteld wordt dat verzoeker ook tuchtrechtelijk vervolgd is voor feiten gepleegd op 15 juni 1999 (het leiden van een oefening voor bescherming van V.I.P.’s in opdracht van een particulier), dat overeenkomstig artikel 24/38, § 1, laatste lid, van de wet van 27 december 1973 de verjaringstermijn voor de gehele tuchtvordering aangevangen is bij de vaststelling van dat feit en dat de uiteindelijke tuchtstraf opgelegd is op 7 april 2000, dit wil zeggen op een ogenblik dat de verjaring niet was ingetreden; Overwegende dat, waar verzoeker opmerkt dat op 9 september 1999 het voorstel is geformuleerd om hem ambtshalve te ontslaan terwijl het dan tot 15 december geduurd heeft alvorens de onderzoeksraad een tussenadvies gegeven heeft en tot eind april 2000 alvorens hem kennis gegeven is van de uiteindelijke beslissing, hij lijkt aan te voeren dat de verwerende partij bij de afhandeling van de onderzoeksfase van zijn dossier heeft getalmd; dat, aangenomen dat de wettelijk ingestelde verjaringstermijn om binnen de twee jaar na de vaststelling der feiten tot een einduitspraak te komen niet uitsluit dat de verschillende daden van onderzoek elk op zich niet onredelijk lang mogen aanslepen, de Raad van State in de huidige stand van het geding op zicht van de stukken van het administratief dossier vaststelt dat, indien er al van enige vertraging in het onderzoek zou kunnen gesproken worden, verzoeker zelf daar in de eerste plaats verantwoordelijk voor is wegens de door hem gevoerde obstructie bij het in ontvangst nemen van brieven van de verwerende partij - een houding die hij niet ten toon gespreid heeft in de gelijktijdig gevoerde admini- stratieve procedure voor de behandeling van zijn zaak door de (Militaire) Commissie voor Geschiktheid en Reform; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; Overwegende dat de procureur des Konings van Antwerpen op 4 juni 1998 de verwerende partij de toelating gegeven heeft om voor het tuchtonderzoek tegen leden van het rijkswachtpersoneel gebruik te maken van de verslagen opgemaakt in de operatie-ASOP; dat de onderzoeksraad vastgesteld heeft dat de procureur des Konings altijd de leiding van het onderzoek heeft behouden en dat hij dan besloten heeft dat de gegevens uit die verslagen regelmatig aangewend konden worden in de tuchtzaak tegen verzoeker; dat in de huidige stand van de zaak niet wordt ingezien op welke wijze een ministeriële richtlijn met betrekking tot het gebruik van infiltratietechnieken in strafzaken de bewijsvoering in deze tuchtzaak zou kunnen vitiëren; dat het tweede onderdeel van het middel niet ernstig is; Overwegende dat het dossier geen gegevens bevat die erop wijzen dat aan verzoeker ooit verweten is dat hij ongeoorloofde contacten heeft gehad met IX-2397-10/16 adjudant-chef VAN MECHELEN, dat de omstandigheid dat in de verklaring van 20 augustus 1997 waarmee het onderzoek op gang gebracht de naam van verzoeker enkele keren in verband wordt gebracht met die van adjudant-chef VAN MECHELEN nog niet betekent dat het de bedoeling was verzoeker te beladen met verdachtmakingen die enkel gesteund waren op zijn relatie met VAN MECHELEN, die geen goede reputatie had; dat het derde onderdeel van het middel niet ernstig is; Overwegende dat in het feit dat geen preciese data zijn opgegeven voor de door verzoeker gepleegde feiten, maar dat de feiten gesitueerd worden in een bepaalde periode, geen onzorgvuldig handelen van de verwerende partij kan worden gezien; dat verzoeker er met het oog op zijn verdediging niet door misleid is geworden; dat verzoeker ook niet kan gevolgd worden waar hij beweert dat de onderzoeksraad uit de omstandigheid dat de feiten zich in een ganse periode zouden hebben voorgedaan afgeleid heeft dat hij zich permanent ten dienste zou gesteld hebben van private opdrachtgevers; Overwegende dat verzoeker ontkent dat hij op 15 juni 1999 verkeerd zou hebben gehandeld; dat hij betwist dat hij de oefening zou hebben geleid en dat hij voor zijn prestatie betaald zou geworden zijn; dat die beweringen evenwel niet opwegen tegen de vaststellingen die de onderzoeksraad op grond van in het dossier berustende verklaringen naar recht en redelijkheid heeft kunnen maken; dat het vierde onderdeel van het middel niet ernstig is; Overwegende dat reeds bij het onderzoek van het eerste middel vastgesteld is dat de onderzoeksraad, toen hij op 13 maart 2000 de zaak van verzoeker behandelde, geen kennis moest of kon hebben van de beslissing van 24 februari 2000 van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform; dat verzoeker niet aantoont welke bepaling er de minister, toen hij op 7 april 2000 het bestreden tuchtstrafbesluit nam, zou toe verplichten in zijn afweging toch de beslissing van de Militaire commissie te betrekken; dat het vijfde onderdeel van het middel niet ernstig is; Overwegende dat de gegevens van het administratief dossier aantonen dat op 9 december 1996 verzoeker tuchtrechtelijk gestraft is met een blaam; dat overeenkomstig artikel 24/39 van de wet van 27 december 1973 dergelijke tuchtstraf drie jaar nadien doorgehaald wordt indien inmiddels geen nieuwe tuchtstraf wordt opgelegd; dat te dezen op de hoorzitting van 15 december 1999 door de officier-verslaggever uiteengezet is dat de blaam ambtshalve geschrapt werd en dat toen een nieuw strafblad in het dossier is neergelegd waarop geen tuchtstraf meer vermeld was; dat verzoeker niet aantoont op welke wijze de onderzoeksraad op 13 maart 2000 in weerwil van dat gegeven toch nog rekening gehouden zou hebben met die doorgehaalde straf; dat het zesde onderdeel van het middel niet ernstig is;” 4.4.
  18. Overwegende dat de Raad van State in de argumentatie van de partijen geen gegeven ontwaart dat hem ertoe noopt dat voorlopig standpunt op enig vlak af te vallen; dat bovendien vastgesteld wordt, wat het verloop van de tuchtpro- cedure betreft, dat verzoeker zelf niet geheel vrijuit gaat wat de aansleep van de IX-2397-11/16 procedure betreft, aangezien uit het dossier blijkt dat hij nagelaten heeft aangeteken- de zendingen met oproepingen voor de onderzoeksraad in ontvangst te nemen, dat hij een afspraak met de brigadecommandant, waarbij hem documenten ter hand gesteld zouden worden, afgezegd heeft en dat hij ook niet constructief heeft meegewerkt aan de werkzaamheden van de onderzoeksraad; dat voorts bij de bespreking van het tweede middel ook aangegeven is waarom de informatie, ingewonnen door middel van het confidentieel onderzoek “operatie ASOP”, wel degelijk in de tuchtzaak betrokken mocht worden; dat het middel niet gegrond is; 5.
  19. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert doordat, zonder verantwoording, andere bij de zaak betrokken rijkswachters gestraft zijn met veel lichtere tuchtstraffen, onder meer twee en drie weken non-activiteit; 5.2 Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat het gelijkheidsbeginsel erop gericht is gelijke toestanden gelijk te behandelen en dat verschillende tuchtdossiers duidelijk aantonen dat de betrokken rijkswachters zich niet in dezelfde situatie bevonden; dat zij dan verwijst naar het verslag van de onderzoeksraad waarin uiteengezet is, samengevat, dat verzoeker “organisator of medeorganisator” was van een zwartwerk-circuit, dat hij de leiding had over de uitvoering van een aantal laakbare opdrachten en dat hij andere rijkswachters bij zijn activiteiten betrokken heeft; 5.
  20. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat er “te uiteenlopende sancties zijn opgelegd” -hij wordt ontslagen, anderen krijgen een non-activiteit van twee en drie weken opgelegd en aan D.B., die “eertijds vervolgd werd ingevolge zwartwerk” is een non-activiteit van vier dagen opgelegd- zonder dat daarvoor een aanvaardbaar motief wordt gegeven; 5.4.
  21. Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 91.732 het middel niet ernstig bevonden heeft op grond van de volgende overwegingen : IX-2397-12/16 “Overwegende dat uit de gegevens van de dossiers, zoals die bij de Raad van State zijn neergelegd in de gedingen ingeleid door de rijkswachters waarmee verzoeker zich vergelijkt en die door de auditeur-verslaggever onderzocht zijn - zonder dat verzoeker de conclusies van dat onderzoek betwist of nuanceert -, blijkt dat de verwerende partij terecht de situatie van verzoeker vanuit een gans andere optiek benaderd heeft in die zin dat verzoeker niet alleen observatie- en beveiligingsopdrachten heeft uitgevoerd, maar dat hij de leiding had van die opdrachten, dat hij die opdrachten zelfs georganiseerd heeft en dat hij bij die gelegenheid gebruik heeft gemaakt van specifieke en vertrouwelijke politionele technieken; dat de verwerende partij vanuit dat oogpunt - en zoals de onder- zoeksraad ook heeft gedaan - de situatie van verzoeker anders kon beoordelen dan die van de andere bij de zaak betrokken rijkswachters;” 5.4.
  22. Overwegende dat de Raad van State die redenering thans met betrekking tot de zaak ten gronde bijvalt; dat de verwijzing, in de memorie van wederantwoord, naar de zaak D.B. niet nader wordt onderbouwd; dat zelfs niet nagegaan kan worden of verzoeker zich in een vergelijkbare situatie met die persoon bevindt; dat het middel niet gegrond is; 6.
  23. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel de schending aanvoert van het evenredigheids- en het redelijkheidsbeginsel doordat (eerste onderdeel) de hem opgelegde straf volstrekt onevenredig is aan de feiten die hem ten laste konden worden gelegd en doordat (tweede onderdeel) de onderzoeksraad tot zijn advies gekomen is door middel van een niet-geheime stemming; Overwegende dat verzoeker het middel als volgt adstrueert : - eerste onderdeel: er wordt geen preciese verantwoording gegeven voor het opleggen van de zwaarste tuchtstraf; hij heeft een blanco-strafblad en een goede staat van dienen; andere betrokkenen zijn veel milder gestraft; de feiten zijn strafrechtelijk niet vervolgd en zijn geruime tijd geleden gepleegd; - tweede onderdeel: leden van een vergadering moeten geheim stemmen als het om personen gaat; uit het advies van de onderzoeksraad blijkt niet dat er een geheime stemming plaatsgevonden heeft; daarenboven is in het advies ook de uitslag van de stemming niet vermeld; IX-2397-13/16 6.
  24. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt : - over het eerste onderdeel van het middel: de Raad van State mag enkel een marginaal toezicht uitoefenen op de zwaarte van de straf; de uitoefening van de tuchtvordering staat los van de strafvordering want beiden hebben een andere invalshoek; noch de vaststelling dat de strafzaak geseponeerd is noch de vaststelling dat verzoeker niet bij ordemaatregel uit de dienst verwijderd is, belet dat de betrokkene tuchtrechtelijk bestraft wordt; de tuchtoverheid moet in de eerste plaats oog hebben voor het belang van de dienst, dit wil zeggen de vraag naar de verstoring, door de bewezen geachte feiten, van de orde binnen de dienst, met inbegrip van de vraag naar de nog bestaande vertrouwensrelatie tussen de ambtenaar en zijn meerderen; vanuit dat oogpunt komt in dit geval de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege niet geheel onredelijk voor, want er is, rekening houdend met de duidelijk verstoorde vertrouwensrelatie, geen alternatief; - over het tweede onderdeel van het middel: er is wel degelijk geheim gestemd; 6.
  25. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, herhaalt dat niet aangetoond wordt dat de verwerende partij op enig ogenblik in de besluitvorming rekening gehouden zou hebben met de elementen die in zijn voordeel pleiten, zoals zijn blanco-strafblad en zijn goede staat van dienen; dat hij in dat verband ook nog opmerkt dat het openbaar ministerie de zaak seponeerde; dat hij met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel herhaalt dat uit het eindadvies van de onderzoeksraad niet blijkt dat de beslissing met een geheime stemming getroffen is, dat hij nooit kennis gekregen heeft van het bijkomend stuk dat de verwerende partij neergelegd heeft en nooit de gelegenheid gehad heeft daar bezwaar tegen in te brengen; 6.4.
  26. Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 91.732 het middel niet ernstig bevonden heeft op grond van de volgende overwegingen : “Overwegende enerzijds dat de verwerende partij er terecht op wijst dat een seponering van het strafdossier niet belet dat de overheid tuchtrechtelijk optreedt; dat die seponering de beoordelingsvrijheid van het bestuur op het stuk IX-2397-14/16 van de strafmaat in beginsel ook niet inperkt zodat het opleggen van de zwaarste tuchtstraf niet per se onevenredig is wanneer aan de strafvordering een einde is gesteld; dat zulks ook geldt ten aanzien van de beoordeling van het verleden van de ambtenaar, meer bepaald zijn goede staat van dienen en zijn blanco- tuchtverleden; dat anderzijds vastgesteld moet worden dat verzoeker ernstige feiten heeft gepleegd, die normaliter niet kunnen geduld worden van een rijkswachter; dat de onderzoeksraad de strafmaat ook uitvoerig heeft becom- mentarieerd in een overtuigende uiteenzetting; dat dienvolgens de opgelegde straf niet kennelijk onevenredig bevonden wordt met de bewezen geachte feiten; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; Overwegende anderzijds, wat betreft de vraag of de onderzoeksraad in een geheime stemming tot zijn advies gekomen is, dat uit het door de auditeur- verslaggever ingestelde onderzoek, en meer bepaald uit het hem voorgelegde proces-verbaal van de werkzaamheden van de onderzoeksraad op 13 maart 2000 - een stuk ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de onderzoeks- raad dat door verzoeker niet van valsheid is beticht - blijkt dat de onderzoeks- raad bij geheime stemming een antwoord gegeven heeft op de vraag of de feiten bewezen zijn, of verzoeker die feiten heeft gepleegd, of zij tuchtrechtelijk strafbare gedragingen vormen, of de tuchtinbreuken in hun geheel ‘zeer zwaarwichtig (zijn)’ en of, als tuchtstraf, het ontslag van ambtswege moest worden opgelegd;” 6.4.
  27. Overwegende dat de Raad van State die uiteenzetting bijvalt; dat verzoeker in zijn repliek geen nieuwe gegevens aanbrengt die een nuancering van die uiteenzetting noodzaakt; dat, inzonderheid wat het tweede onderdeel van het middel betreft, vastgesteld wordt dat het proces-verbaal met het resultaat van de stemming op vraag van het bevoegde lid van het auditoraat reeds vóór de openbare terecht- zitting in de schorsingsprocedure bij het administratief dossier werd gevoegd en dat verzoeker derhalve voldoende gelegenheid had om desgewenst de deugdelijkheid van dat bewijsstuk te betwisten; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  28. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  29. IX-2397-15/16 De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig september 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-2397-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.351 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.91.732 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.