id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.359 Rolnummer: A. 100364/IX-2722 Zaak: Arrest 149359 - - 26/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 00:49 Fiche Arrest nr 149.359 van 26 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.359 van 26 september 2005 in de zaak A. 100.364/IX-
- In zake :
- Bart BEDDEGENOODTS,
- Ivan BOTERDAELE,
- Patrick HUBEAU,
- Luc SCHOONBAERT,
- Daniël DE JONGHE,
- Wim CUYPERS,
- Philip VAN TONGERLOO,
- Stefaan ROELS,
- Alfons SCHEERLINCK,
- Eric VALKENBORG, die woonplaats kiezen bij advocaat H.-C. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 33 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te HEVERLEE-LEUVEN, Ijzerenmolenstraat
- tussenkomende partij : Jozef CNOCKAERT, die woonplaats kiest bij advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bart BEDDEGENOODTS, Ivan BOTERDAELE, Patrick HUBEAU, Luc SCHOONBAERT, IX-2722-1/7 Daniel DE JONGHE, Wim CUYPERS, Philip VAN TONGERLOO, Stefaan ROELS, Alfons SCHEERLINCK en Eric VALKENBORG op 12 februari 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de koninklijke besluiten van 5 december 2000 waarbij Joseph CNOCKAERT en Ivo VAN EYNDE worden benoemd tot gerechtelijk commissaris met ingang van 1 september 2000; Gelet op het arrest nr. 97.334 van 29 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 24 augustus 2001 door verzoekers; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 10 september 2001; Gelet op de beschikking van 24 september 2001 die de tussenkomst van Joseph CNOCKAERT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 23 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoekers, die tevens het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bevat, en van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2005; IX-2722-2/7 Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H.-C. SEBREGHTS, die verschijnt voor verzoekers, van advocaat H.-K. CARÊME, die loco advocaat P. LUYPAERS, verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat I. OLEKSY, die loco advocaat C. FLAMEND, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak zijn samengevat in het arrest nr. 97.334 van 29 juni 2001; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de door verzoekers aangevoerde middelen enkel betrekking hebben op hun eigen examenresultaten maar niet van aard zijn om de onwettigheid van de resultaten van de geslaagde kandidaten aan te tonen; dat zij meent dat verzoekers die resultaten niet tijdig hebben bestreden en dat dan ook niet meer kunnen naar aanleiding van de benoeming van die kandidaten; 2.
- Overwegende dat ingevolge de bestreden benoemingen de vacante betrekkingen van commissaris worden bezet; dat wat verzoekers met het onderhavige annulatieberoep trachten te bereiken niet is een nieuwe evaluatie te krijgen, maar te verhinderen dat de betrekkingen van commissaris reeds worden bezet; dat zij er uiteraard belang bij hebben dat zoveel mogelijk betrekkingen van commissaris vacant blijven om alzo hun eigen bevorderingskansen, eventueel na nieuwe selectieproeven, te vergroten; dat de exceptie niet opgaat; 3.
- Overwegende dat verzoekers in feite slechts één middel aanvoeren; dat zij betogen dat de benoemingen zijn gebeurd met schending van artikel 5 van het IX-2722-3/7 koninklijk besluit van 17 december 1998 betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris omdat zij niet voldoen aan de in dat artikel gestelde benoemingsvoorwaarde, te weten, op regelmatige wijze geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen en zij niet kunnen worden geacht geslaagd te zijn voor dat examen daar het examen nietig is; dat als redenen waarom dat examen nietig is verzoekers acht “onderdelen” aanvoeren die, op twee na, de middelen zijn welke zij eerder in afzonderlijke verzoekschriften en memories van wederantwoord hebben aangevoerd tegen dat examen en de examenresultaten zowel van henzelf als van de geslaagden; 3.
- Overwegende dat de Raad van State met zijn arresten nrs. 134.549, CUYPERS en andere, en 134.550, BEDDEGENOODTS en VAN TONGERLOO, van 8 maart 2004, zes middelen ongegrond heeft verklaard en de beroepen die de verzoekers samen met andere niet geslaagden hebben ingesteld tegen het examen heeft verworpen; dat derhalve met gezag van gewijsde is vastgesteld dat het enige middel dat verzoekers in de onderhavige zaak aanvoeren hoe dan ook niet gegrond is voor zover het op die zes middelen gebaseerd is; 3.
- Overwegende dat de omstandigheid dat, na de uitspraak van die arresten, een klacht wegens valsheid zou zijn ingediend tegen een bewijsstuk waarop het niet-gegrond verklaren van een der middelen -het vierde- deels is gebaseerd, aan die vaststelling geen afbreuk doet; dat het gezag van gewijsde van de voormelde arresten enkel teniet gedaan kan worden door een eventuele herziening ervan en zulks in de hypothese dat het betrokken stuk door de gewone rechter vals bevonden wordt; 4.
- Overwegende, wat de overige twee “onderdelen” betreft, dat in het arrest nr. 97.334 van 29 juni 2001, waarbij uitspraak werd gedaan over de vordering tot schorsing in de onderhavige zaak, vastgesteld werd dat het examen waarvan verzoekers de onregelmatigheid aanklagen de kenmerken vertoont van een vergelijkend bevorderingsexamen met een wervingsreserve, wat meebrengt dat wie IX-2722-4/7 geslaagd is voor dat examen opgenomen wordt op een rangschikkingslijst en, gedurende de geldigheidsperiode van het examen, in de volgorde van die rangschikking in aanmerking komt om bevorderd te worden tot alle vacante of vacant te worden betrekkingen van de bevorderingsgraad en dat het examen derhalve niet kan worden beschouwd als louter een voorbereidende handeling tot een of meer welbepaalde benoemingen -eindpunt van een complexe rechtshandeling- waarvan de onregelmatigheid kan worden aangevoerd als annulatiemiddel tegen die benoemingen zelf, binnen de termijn van beroep tegen die benoemingen; dat integendeel is vereist dat de examenuitslag als zelfstandig grievende beslissing zelf binnen de termijn van beroep bij de Raad van State wordt aangevochten of dat de onregelmatigheid ervan als middel tegen een benoemingsbesluit enkel kan worden aangevoerd in zoverre de termijn om rechtstreeks tegen het examenresultaat op te komen nog niet verstreken is; dat de betrokken twee onderdelen niet zijn aangevoerd binnen de termijn om het examen zelf aan te vechten; 4.
- Overwegende dat verzoekers daartegen inbrengen dat zij niet alleen de individuele examenuitslagen hebben aangevochten maar dat ook in hun verzoekschriften uitdrukkelijk de overlegging van de examengeschriften van de examencommissie werd gevorderd en dat die documenten niet op een nuttig ogenblik aan verzoekers werden bezorgd; dat zij tevens stellen, in ondergeschikte orde, dat de bestreden benoemingen met het examen een complexe verrichting uitmaken omdat het examen niet enkel plaats gevonden heeft om een wervingsreserve samen te stellen, maar ook om de geslaagden effectief te rangschikken en aldus rechtstreeks te bepalen wie er diende te worden benoemd; dat zij nog meer ondergeschikt wijzen op het verschil in visie wat betreft de toepassing van artikel 159 van de Grondwet tussen het Hof van Cassatie en de Raad van State; 4.
- Overwegende dat het examen wellicht niet enkel maar toch in hoofdzaak plaats heeft gevonden om een werfreserve samen te stellen; dat, immers, het slagen voor het examen en nuttig gerangschikt zijn niet onmiddellijk een benoeming (in een bepaalde functie) tot gevolg heeft; dat het enkel tot rechtstreeks gevolg heeft dat de laureaten de benoemingsvoorwaarden vervullen; dat of er IX-2722-5/7 effectief een benoeming zal volgen echter afhangt van het bestaan van een vacature; dat het feit dat het examenresultaat inderdaad de rangschikking en dus de volgorde waarin de laureaten voor een benoeming in aanmerking komen bepaalt daar niets aan afdoet; dat ook het feit dat bepaalde documenten in verband met de examenverrichtingen niet op een nuttig tijdstip aan verzoekers zijn medegedeeld, in die optiek eveneens zonder pertinentie is; dat verzoekers de op die documenten te baseren middelen hadden kunnen aanvoeren tegen de examenuitslag zelf, desnoods in een laatste memorie; dat, ten slotte, zo de Raad van State en het Hof van Cassatie een verschillende visie hebben aangaande de toepassing van artikel 159 van de Grondwet, zulks gerechtvaardigd wordt door de aard van het contentieux dat zij behandelen; dat de visie van de Raad van State vooral verband houdt met het rechtszekerheidsbeginsel, hetwelk vereist dat de geldigheid van individuele administratieve rechtshandelingen die rechten hebben doen ontstaan niet telkens weer in vraag kan worden gesteld, buiten de termijn om ertegen een annulatieberoep in te stellen, zoals te dezen, naar aanleiding van een beroep tegen andere rechtshandelingen welke er hun rechtsgrond aan ontlenen; dat de betrokken middelen niet ontvankelijk zijn, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 3470,6 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor een tiende. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 247,9 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-2722-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig september 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2722-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.359 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.97.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.