id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.361 Rolnummer: A. 89175/IX-2185 Zaak: Arrest 149361 - - 26/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 00:50 Fiche Arrest nr 149.361 van 26 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.361 van 26 september 2005 in de zaak A. 89.175/IX-
- In zake : Magda SCHATTEMAN, wonende te LOKEREN, Beekstraat 77 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Magda SCHATTEMAN op 24 januari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen op 14 oktober 1999 door het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen, waarbij haar bij tuchtmaatregel een schorsing van een maand, met inhouding van wedde, wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 24 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; IX-2185-1/14 Gelet op de beschikking van 7 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. OLEKSY, die loco advocaat M. STOLK, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster is als verzorgingsassistente tewerkgesteld in het Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Maria dat onder het OCMW van Antwerpen ressorteert. 1.
- Op 10 september 1998 legt het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen verzoekster bij tuchtmaatregel een schorsing van één week met inhouding van wedde op, omdat uit verschillende feiten is gebleken dat verzoekster “weinig respectvol met de residenten omgaat”. Het beroep tot nietigverklaring dat verzoekster tegen dit besluit bij de Raad van State indient, wordt verworpen bij arrest nr. 134.459 van 31 augustus
- 1.
- Op 7 januari 1999 stelt de dienstoverste nursing andermaal een “feitenverslag” op ten laste van verzoekster, waarin zij vermeldt : IX-2185-2/14 “Betrokken verzorgingsassistente werd in 1998 één week (28 september tot en met 4 oktober 1998) geschorst wegens ernstige tekortkomingen aan haar beroepsverplichtingen (cfr. beslissing Vast Bureau in vergadering van 10/9/1998). Recente feiten dwingen ons ertoe eens te meer een tuchtverslag op te maken. Wij menen dat betrokken personeelslid haar ambt momenteel zéér onwaardig uitoefent en alzo de goede naam en faam van de instelling én het OCMW zeer ernstig in het gedrang brengt. Recente feiten, die gesignaleerd werden door de hoofdverpleegkundige en/of collega’s, zijn o.i. onaanvaardbaar en onverschoonbaar: • Op 27/11/1998 heeft het personeelslid de geneesheer-specialist gynaecologie (Medisch Centrum) op een onheuse en brutale wijze op haar plichten gewezen. • Bij een woordenwisseling met een psychisch zwakkere bewoner op 25/12/1998 werd door betrokkene schaamteloos een glas water over het hoofd van deze bewoner leeggegoten. • Na een kort verblijf in het ziekenhuis van dezelfde bewoner (22/12 tot 24/12) heeft betrokkene de familie sterk verontrust over het (“vroegtijdige”) ontslag uit het ziekenhuis en aangespoord tot het schrijven van een formele klachtenbrief aan het O.C.M.W. in verband met dit ontslag uit het ziekenhuis”. 1.
- Op 18 januari 1999 maakt verzoekster de volgende schriftelijke bemerkingen bij dit feitenverslag : “
- Met betrekking tot het eerste feit : Naar aanleiding van een plotse medische aandoening had belanghebbende dringende medische zorgen nodig. Daar er een afspraak met de gynaecologe gemaakt was heb ik mij tot deze laatste gewend. Zij weigerde te komen en toen heb ik enkel gezegd “dan ziet U maar” en ik heb deze weigering aan de verantwoordelijke gemeld. Deze heeft terug contact opgenomen met de bevoegde geneesheer. Kort daarop zijn zowel de gynaecologe als de huisarts gekomen.
- Betrokken resident weigerde zijn medicatie te nemen. Ik kreeg opdracht er voor te zorgen dat hij zijn medicatie zou nemen. Hij sloeg deze medicatie evenals het glas water dat ik in handen had weg, zodat er water gemorst werd, ook op de resident zelf. Ik heb, in tegenstelling tot de tenlastelegging, geen glas water over het hoofd van de patiënt gegoten.
- Ik heb de familie niet aangespoord om een formele klacht in te dienen. Wel heeft de zuster van de betrokkene, naar aanleiding van de terugkeer van haar broer, mij hierover gesproken. Ik heb enkel gezegd dat ik geen dokter ben en daar geen antwoord noch commentaar kon op geven”. IX-2185-3/14 1.
- Met een brief gedateerd 26 juni 1999 dient de genaamde Rosa SCHONCK nog een klacht in die luidt als volgt : “Ondergetekende deelt klacht mede, tegenover verpleegster Magda genaamd. Verleden week werd er zonder vraag of reden de époletten uit mijn kleren getrokken. Verder is zij héél onvoorzichtig in haar handeling, b.v. uit het bed nemen en uit het bad; en vloekt er maar op los”. 1.
- Op 2 september 1999 stelt de secretaris van het OCMW een tuchtverslag op ten laste van verzoekster, waarin hij melding maakt van de door de dienstoverste nursing gesignaleerde feiten en van de bemerkingen van verzoekster daarbij. Hij voegt verklaringen bij van twee verpleegkundigen die bevestigen dat verzoekster op 25 december 1998 een glas water over het hoofd van een resident heeft leeggegoten, alsook bovenvermelde brief van 26 juni
- De secretaris besluit dat verzoekster ingevolge handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, tekort is gekomen aan haar beroepsplichten. Hij stelt voor haar, gelet op de feiten en de vroeger bestrafte dienstvergrijpen, gedurende een maand te schorsen met inhouding van wedde. 1.
- Op 14 oktober 1999 wordt verzoekster, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, door het vast bureau gehoord. De dienstoverste nursing wordt als getuige gehoord. Van beide verhoren wordt een proces-verbaal opgesteld. Het vast bureau besluit verzoekster bij tuchtmaatregel gedurende één maand te schorsen met inhouding van wedde, “omdat zij tekort is gekomen aan haar beroepsplichten wegens handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen”. Dat besluit, dat het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep tot nietverklaring, steunt op de volgende motieven : IX-2185-4/14 “Gelet op het verslag van de Secretaris over feitelijke tekortkomingen van SCHATTEMAN Magda, verzorgingsassistente in het rust- en verzorgingstehuis Sint-Maria, met name ongepast en zelfs brutaal gedrag tegenover een geneesheer, een residente en familie van een residente. Gezien betrokkene reeds eerder tuchtrechterlijk bestraft werd voor gelijkaardige feiten. Gezien SCHATTEMAN Magda gehoord werd in haar middelen van verdediging, bijgestaan door vakbondsafgevaardigde K. ROOS, waarvan proces- verbaal ter zitting werd opgemaakt dat, na voorlezing, ondertekend werd door de betrokkenen. Gezien dienstoverste-nursing H. VANDEWALLE, op verzoek van de Secretaris, gehoord werd als getuige, waarvan proces-verbaal ter zitting werd opgemaakt dat, na voorlezing, ondertekend werd door de betrokkene. Overwegende dat de ten laste gelegde feiten op de hoorzitting niet worden betwist op hun inhoudelijk karakter, noch door betrokkene en noch door de verdediging. Overwegende dat wel een procedurefout wordt ingeroepen ‘aangezien de termijn tussen kennisname van de feiten en het instellen van de tuchtprocedure meer dan 6 maanden bedraagt’ en krachtens art. 317 van de tuchtregeling voor het gemeentepersoneel ‘de tuchtoverheid geen tuchtrechtelijke vervolging meer kan instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten’. Overwegende echter dat de kennisgeving van feitelijke tekortkomingen, door de feiten vaststeller aan het betrokken personeelslid op 7 januari 1999, niet zonder meer kan beschouwd worden als het afsluiten van het volledige onderzoek naar het strafbare karakter van de feiten. Zoals blijkt uit de dossierstukken werd immers aan betrokkene, na de kennisneming op 7 januari 1999, uiteraard eerst de gelegenheid geboden hierop schriftelijk te reageren, hetgeen geschiedde op 18 januari. Overwegende dat betrokkene in dit schriftelijk verweer alle feiten ontkende. Overwegende dat uit zorgvuldigheidsredenen de feiten enkel nog als strafbaar konden beschouwd worden wanneer deze gestaafd konden worden met aanvullende bewijzen, zoals o.a. getuigenverklaringen. Overwegende dat de schriftelijke getuigenissen van Sophie Rommens, gebrevetteerd verpleegkundige, en van Heidi Kegels, gegradueerd verpleegkundige, over één van de vastgestelde feiten, alsmede een nieuwe klacht van een residente t.o.v. SCHATTEMAN Magda van 26 juni 1999, met brief van 6 juli 1999 door de feiten vaststeller werden overgemaakt. Overwegende dat het verslag van de secretaris van 2 september 1999 rekening hield met alle vastgestelde feiten, ook met de nieuwe klacht van de residente van 26 juni 1999, zodat de verjaringstermijn ten onrechte wordt ingeroepen vermits deze enkel rekening houdt met het feitenverslag van 7 januari
- Overwegende dat het bovendien niet kan aanvaard worden dat door betrokkene de verjaringstermijn wordt ingeroepen, terwijl uitgerekend de ontkenning van de feiten door SCHATTEMAN Magda in haar schriftelijk verweer oorzaak was voor een uitbreiding van de procedure naar de bewijslast IX-2185-5/14 toe, en zulks zeker niet wanneer dan later blijkt dat de feiten op de hoorzitting niet meer ontkend worden”. 1.
- Verzoekster dient een bezwaarschrift in bij de gouverneur van de provincie Antwerpen die echter, met een aangetekende brief van 1 december 1999, mededeelt dat hij geen reden ziet om in het kader van het administratief toezicht tegen het tuchtbesluit van 14 oktober 1999 van het vast bureau op te treden. 2.1.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste annulatiemiddel aanvoert dat zowel de bestreden tuchtsanctie als het feitenverslag van 7 januari 1999 van de dienstoverste nursing en het tuchtverslag van 2 september 1999 van de secretaris ten onrechte verwijzen naar een eerder opgelopen maar betwiste sanctie van één week schorsing en dat daarop wordt gesteund ter motivering van de thans opgelegde zwaardere tuchtmaatregel van één maand schorsing; dat zij aanvoert dat indien het beroep tot nietigverklaring dat zij bij de Raad van State tegen het tuchtbesluit van 10 september 1998 heeft ingediend wordt ingewilligd, het bestreden besluit zou steunen op een onbestaand en dus niet aanvaardbaar motief; 2.1.
- Overwegende dat de Raad van State verzoeksters beroep tot nietigverklaring van het tuchtbesluit van 10 september 1998 van het vast bureau heeft verworpen bij arrest nr. 134.459 van 31 augustus 2004; dat de verwijzing in het bestreden besluit naar het voormelde tuchtbesluit dan ook niet kan worden aangemerkt als een onbestaand motief; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel aanvoert dat het grootste deel van de ten laste gelegde feiten, namelijk die welke vermeld zijn in de nota van de dienstoverste nursing van 7 januari 1999 verjaard zijn; dat zij laat gelden dat het tot 2 september 1999 heeft geduurd vooraleer er een reactie is gekomen op haar nota van 18 januari 1999 met betrekking tot de haar ten laste gelegde feiten; dat zij meent dat hieruit moet worden besloten dat “onder meer” de secretaris heeft verzuimd binnen een redelijke termijn de tuchtfeiten ter kennis van de tuchtoverheid te brengen, zodat die feiten als verjaard moeten worden beschouwd; dat zij voorts IX-2185-6/14 stelt dat de bijkomende tenlastelegging waarvan sprake in het tuchtverslag van de secretaris nog werd toegevoegd met de bedoeling haar stelling betreffende de verjaring van de feiten op voorhand te ontkrachten; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de termijn tussen de nota van 18 januari 1999 van verzoekster en haar oproeping op 2 september 1999 voor het verhoor wordt verantwoord door de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht om zowel de realiteit als de ernst van de aangebrachte feiten te onderzoeken, dat in de tussentijd getuigenverklaringen bij het dossier werden gevoegd, zodat het niet juist is dat zij gedurende zes maanden niets zou hebben gedaan en dat bovendien op 26 juni 1999 nog een klacht werd geformuleerd door een resident van het rusthuis en minstens dat laatste gekende feit, evenzeer kaderend binnen een ruimer geheel aan voorgaande tekortkomingen aanleiding heeft gegeven tot de opgelegde sanctie; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster repliceert dat zij gedurende meer dan zes maanden niets meer heeft gehoord van de tegen haar gestarte procedure, zodat zij er logisch gezien vanuit kon gaan dat het bestuur de feiten onvoldoende zwaar had bevonden en, liever dan formeel te bevestigen dat de procedure werd gestaakt, deze heeft laten verjaren; dat een nieuwe klacht weliswaar aanleiding kon geven tot een nieuwe procedure, doch zij op 2 september 1999 slechts kon worden opgeroepen voor feiten die geen zes maanden oud waren en dat de zorgvuldigheidsplicht de verwerende partij er niet van ontslaat de voorgeschreven termijnen te respecteren; dat verzoekster in haar laatste memorie nog stelt dat de secretaris of de hiërarchische meerdere die kennis hebben van bepaalde feiten de bewijzen ervan voor zich kunnen houden om ze eventueel in een latere fase te gebruiken tegen de betrokkene, waardoor wordt verhinderd dat de verjaringstermijn een aanvang neemt en wat rechtsonzekerheid in de hand werkt; dat volgens haar zulks aanleiding kan geven tot het onder druk zetten van de betrokkene; dat verzoekster ook aanstipt dat de secretaris, weze het met raadgevende stem, deel uitmaakt van de tuchtoverheid en dat men er dan ook logischer wijze van uit zou moeten gaan dat de verjaringstermijn IX-2185-7/14 aanvangt van zodra de secretaris, als hoofd van het personeel die met raadgevende stem deel uitmaakt van de hier bedoelde tuchtoverheid, kennis krijgt van het dossier; 2.2.
- Overwegende dat het beginsel dat een ambtenaar die bepaalde feiten heeft gepleegd een rechtmatig belang heeft om binnen een redelijke termijn te weten of die feiten zullen leiden tot een tuchtrechtelijke vervolging, voor wat de statutaire personeelsleden van de OCMW betreft neergelegd is in artikel 317 van de nieuwe gemeentewet, dat krachtens artikel 52 van de OCMW-wet ook op hen van toepassing is; dat dit artikel 317 van de nieuwe gemeentewet toen het bestreden besluit genomen werd bepaalde dat de tuchtoverheid geen tuchtrechtelijke vervolging meer kan instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten; dat onder de “tuchtoverheid”, bedoeld in artikel 317 van de nieuwe gemeentewet, moet worden begrepen “gelijk welk orgaan waaraan de wet de bevoegdheid heeft verleend een tuchtstraf aan de betrokken ambtenaar op te leggen”; dat de tuchtvordering als ingesteld moet worden beschouwd op het ogenblik dat de bevoegde overheid duidelijk de intentie laat blijken dat betrokkene zich voor de tuchtoverheid moet verantwoorden met het oog op het nemen van een tuchtsanctie, terwijl de term “vaststelling” doelt op de hypothese waarin de tuchtoverheid zelf de laakbare feiten vaststelt en de term “kennisname” op de hypothese waarin zij er door derden van in kennis wordt gesteld; Overwegende dat, opdat de verjaringstermijn van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet zou aanvangen, het dus niet volstaat dat de secretaris of de hiërarchische chef van de betrokken ambtenaar de feiten heeft vastgesteld of er kennis heeft van genomen, ook al rust op laatstgenoemden de plicht om zo spoedig mogelijk de tuchtoverheid in te lichten over tuchtfeiten die zij hebben vastgesteld of waarvan zij kennis zouden hebben genomen; dat in de onderhavige zaak nergens uit blijkt dat de raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau, de enige twee organen die bevoegd zijn om aan verzoekster een tuchtstraf op te leggen, meer dan zes maanden voor de kennisgeving op 2 september 1999 van de tuchtrechtelijke vervolging aan verzoekster kennis zouden hebben gehad van de tuchtrechtelijk gesanctioneerde feiten, ook niet van de feiten waarop verzoekster in haar nota van 18 januari 1999 heeft IX-2185-8/14 gereageerd; dat de tuchtvordering ten laste van verzoekster derhalve noch geheel noch gedeeltelijk was verjaard; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat verzoekster in een derde middel aanvoert dat zij ingevolge ziekte onvoldoende kennis had van de tenlastelegging van 26 juni 1999; dat zij betoogt dat de verwerende partij haar pas met de oproepingsbrief van 2 september 1999 in kennis heeft gesteld van de bijkomende tenlastelegging, betreffende een klacht van 26 juni 1999 van een resident van het rusthuis; dat zij aanstipt dat zij onafgebroken ziek is geweest, ook na de zitting van 14 oktober 1999, zodat zij zich tegen die nieuwe tenlastelegging onvoldoende of zelfs niet heeft kunnen verdedigen en die tenlastelegging dus zeker geen schorsing van één maand kan verantwoorden; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoekster niet ontkent dat in de oproepingsbrief van 2 september 1999 wordt verwezen naar de klacht van 26 juni 1999 van een resident, dat verzoekster na de ontvangst van deze oproepingsbrief de mogelijkheid had om “binnen het kader van haar verdediging nader onderzoek te vragen”, dat de omstandigheid dat verzoekster ziek was haar niet belet heeft een verdaging van de hoorzitting te vragen en zij bij die gelegenheid ervan in kennis werd gesteld dat zij de mogelijkheid had eventuele getuigen ter ontlasting op te roepen, van welke mogelijkheid zij geen gebruik heeft gemaakt, en dat verzoekster bovendien haar tuchtdossier kon komen inkijken, hetzij in persoon hetzij vertegenwoordigd door haar vakorganisatie, ten einde alzo haar verdediging adequaat voor te bereiden, maar ze ook dat niet gedaan heeft; 2.3.
- Overwegende dat verzoekster repliceert dat haar ziekte haar sterk gehinderd heeft bij het benutten van haar rechten van verdediging, zowel met betrekking tot de mogelijkheid om zelf een aantal stappen te zetten naar verwerende partij als naar haar vakorganisatie toe en dat zij aldus, ook rekening houdend met de aard van haar ziekte (“overspannen”) onvoldoende inzicht heeft kunnen krijgen in het dossier of de draagwijdte ervan wat, naar ze in haar laatste memorie preciseert, enkel het geval was tijdens de procedure voor de Raad van State; IX-2185-9/14 2.3.
- Overwegende dat verzoekster middels de oproepingsbrief van 2 september 1999 vóór het verhoor kennis heeft gekregen van de bijkomende tenlastelegging betreffende een klacht van 26 juni 1999 van een resident van het rusthuis; dat niet in te zien valt op welke wijze de ziekte van verzoekster haar zou hebben verhinderd tijdens het verhoor door de tuchtoverheid op 14 oktober 1999, waarop zij persoonlijk aanwezig was en bovendien bijgestaan werd door een vakbondsafgevaardigde, zich ten volle tegen die bijkomende tenlastelegging, die geenszins complex was, te verdedigen; dat tijdens de hoorzitting verzoekster, zoals blijkt uit het verslag van het verhoor, het nieuwe ten laste gelegde feit niet heeft ontkend; dat zij ten aanzien van de tuchtoverheid zelfs niet eens heeft laten gelden dat het haar ingevolge haar ziekte niet mogelijk was zich tegen dat feit ten volle te verdedigen, zodat de tuchtoverheid het niet heeft kunnen verhelpen, indien zulks al nodig was; Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord lijkt te laten gelden dat haar ziekte niet alleen haar verdediging ten aanzien van het nieuwe ten laste gelegde tuchtfeit in het gedrang heeft gebracht, maar zelfs haar verdediging ten aanzien van het gehele tuchtdossier; dat zij aldus het middel verruimt met een gegeven dat zij reeds in haar verzoekschrift tot nietigverklaring had kunnen aanhalen en dat om die reden niet ontvankelijk wordt ingeroepen; 2.4.
- Overwegende dat verzoekster in een vierde middel aanvoert dat de ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn; dat zij uiteenzet dat zij in haar nota van 18 januari 1999 de tenlasteleggingen opgenomen in het feitenverslag van de dienstoverste nursing heeft weerlegd; dat zij steeds bij haar verklaring is gebleven en deze ter zitting van het vast bureau niet heeft herroepen; dat volgens haar in het dossier geen afdoende bewijs voorligt van haar schuld en verscheidene tenlasteleggingen uitsluitend op gevoelsargumenten steunen die altijd aanleiding kunnen geven tot discussies over “het als fout aanvoelen of niet”; dat verzoekster er ook op wijst dat het OCMW haar op 7 januari 2000 een “erediploma” heeft toegekend, ondertekend door de voorzitter en de secretaris, “als blijk van waardering en voldoening voor meer dan 25 jaar goede en trouwe dienst”; dat zij meent dat het OCMW zulks niet zou doen indien het van haar IX-2185-10/14 fout overtuigd was; dat volgens haar de bestreden tuchtmaatregel moet worden begrepen als “een toegeving aan een aantal klagers” en hij een gevolg is van “het feit dat men blindelings de dienstverantwoordelijken gelooft, ongeacht of de feiten bewezen zijn”; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat uit het tuchtdossier blijkt dat de feiten afdoende bewezen zijn; dat zij erop wijst dat naar aanleiding van het feitenverslag van 7 januari 1999 een aantal getuigenverklaringen werden bijgevoegd en zij betoogt dat uit de bemerkingen van verzoekster bij de ten laste gelegde feiten duidelijk blijkt dat deze feiten wel degelijk juist waren; dat volgens de verwerende partij verzoekster zich ertoe beperkt heeft de feiten in een ander daglicht te plaatsen, maar op een totaal ongeloofwaardige manier, zodat aan haar versie geen geloof kon worden gehecht; dat het bovendien niet ging om alleenstaande feiten, doch wel om een veelheid van feitelijkheden, zodat louter toeval niet meer aannemelijk is; 2.4.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord herhaalt dat de feiten niet bewezen zijn; dat het hier vooral gaat over de wijze waarop de betrokkenen de feiten aanvoelen en dat een en ander moet worden begrepen vanuit de emotionele reactie van familieleden op de verslechterende toestand van hun dierbaren die in het rusthuis verblijven, waarvoor onbewust een schuldige wordt gezocht; dat zij zich het “zwarte schaap” van de instelling voelt, waarnaar voor alles wat misgaat verwezen wordt en dat zomaar voorbij wordt gegaan aan haar erediploma van meer dan 25 jaar goede en trouwe dienst; 2.4.
- Overwegende dat vooraf moet worden vastgesteld dat verzoekster voor de Raad van State geen concrete gegevens aanbrengt om aan te tonen dat een of meer van de ten laste gelegde feiten niet bewezen zouden zijn; dat zij zich ertoe beperkt te verwijzen naar haar weerlegging, voor de tuchtoverheid, van het feitenverslag van de dienstoverste nursing; dat verzoekster in feite aldus de Raad van State vraagt het onderzoek van de tuchtoverheid over te doen; dat wanneer de Raad van State als annulatierechter de rechtmatigheidscontrole ten aanzien van een tuchtmaatregel uitoefent, hij echter niet in hoger beroep uit te maken heeft wat, naar zijn oordeel, als de juiste toedracht van de aan de tuchtactie ten grondslag liggende feiten moet worden IX-2185-11/14 beschouwd; dat hij enkel heeft na te gaan of de overheid rechtmatig tot haar voorstelling betreffende de toedracht der feiten is gekomen; dat verzoekster geen gegevens voorbrengt om aan te tonen dat zulks hier niet het geval was; dat de omstandigheid dat verzoekster op 7 januari 2000 een “erediploma” heeft gekregen “als blijk van waardering en voldoening voor meer dan 25 jaar goede en trouwe dienst” geen gegeven is dat aantoont dat de verwerende partij de aan verzoekster ten laste gelegde tuchtfeiten niet voor bewezen kon houden; dat het vierde middel niet gegrond is; 2.5.
- Overwegende dat verzoekster in een vijfde middel aanvoert dat de sanctie niet in verhouding staat tot de feiten; dat zij ter staving van dat standpunt aanvoert dat een nog betwiste sanctie als verzwarende omstandigheid wordt ingeroepen om een zware sanctie te verantwoorden en dat een aantal feiten als verjaard beschouwd dienen te worden dan wel als veeleer psychologische of gevoelsmatige aangelegenheden; dat zij voorts herhaalt dat haar op 7 januari 2000 een “erediploma” werd toegekend, wat er volgens haar op wijst dat het bestuur haar maar heeft gesanctioneerd “als een toegeving aan de klagers om te tonen dat zij ‘wel optreden’ wanneer er klachten zijn; dat verzoekster ten slotte benadrukt dat zij nooit de gelegenheid heeft gehad een opleiding als verpleegster te volgen, maar dat zij door de residenten en hun familie en bezoekers vaak wel als zodanig wordt benaderd en dat klachten zodoende voortvloeien uit een verwachtingspatroon dat te hoog ligt in verhouding tot haar opleiding en mogelijkheden; dat volgens haar ook het bestuur te weinig met dat gegeven rekening houdt bij het bepalen van haar taken en opdrachten; 2.5.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het tot de discretionaire bevoegdheid van het bestuur behoort om binnen de wettelijke perken te oordelen over de meest adequate strafmaat en dat zij te dezen rekening heeft gehouden met het onaangepast en ongeoorloofd gedrag van verzoekster ten aanzien van bejaarde residenten eensdeels en de eerder aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregel anderdeels; dat zij er voorts op wijst dat inmiddels nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen en dat verzoekster daarvoor op 21 januari 2000 bij tuchtmaatregel gedurende twee maanden werd geschorst met inhouding van wedde; IX-2185-12/14 2.5.
- Overwegende dat verzoekster repliceert dat de onevenredigheid van de tuchtsanctie bijkomend volgt uit de omstandigheid dat de verwerende partij geen memorie heeft ingediend, noch een administratief dossier heeft neergelegd in het kader van het beroep tot nietigverklaring dat zij bij de Raad van State heeft ingediend tegen de tuchtmaatregel van 10 september 1998; dat zij het ook niet ter zake acht dat de verwerende partij verwijst naar de tuchtmaatregel die op 21 januari 2000 tegen haar is genomen, vermits die dateert van na de voorliggende tuchtprocedure en bovendien eveneens het voorwerp uitmaakt van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; dat verzoekster in haar laatste memorie nog aanvoert dat, in acht genomen dat een deel van de feiten als verjaard moet worden beschouwd, de sanctie hoegenaamd niet meer in verhouding is tot de feiten; 2.5.
- Overwegende dat alle argumenten en gegevens welke verzoekster aanvoert ter staving van het onderhavige middel reeds in het kader van andere middelen aan bod gekomen zijn, behalve dat waar zij stelt dat klachten voortvloeien uit een verwachtingspatroon dat te hoog ligt in verhouding tot haar opleiding en mogelijkheden en het bestuur te weinig met dat gegeven rekening houdt bij het bepalen van haar taken en opdrachten; dat echter, op het eerste gezicht, geen van de door de bestreden tuchtmaatregel gesanctioneerde tuchtfeiten, welke zijn: een geneesheer-specialist een onheuse en brutale wijze op haar plichten hebben gewezen, een glas water over het hoofd van een bewoner hebben leeggegoten, diens familie sterk verontrust te hebben over het beweerd vroegtijdige ontslag uit het ziekenhuis en aangespoord hebben tot het schrijven van een formele klachtenbrief, en onbetamelijk gedrag en taalgebruik, afgeleid kan worden dat ze zouden voortkomen uit te hoge eisen die aan verzoekster zijn gesteld; dat het vijfde middel evenmin gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-2185-13/14 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig september 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2185-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.361 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.