id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.362 Rolnummer: A. 91287/IX-2334 Zaak: Arrest 149362 - - 26/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 00:50 Fiche Arrest nr 149.362 van 26 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.362 van 26 september 2005 in de zaak A. 91.287/IX-é
- In zake : Magda SCHATTEMAN, wonende te LOKEREN, Beekstraat 77 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Magda SCHATTEMAN op 26 april 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - het besluit van 21 januari 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen waarbij haar bij tuchtmaatregel een schorsing van twee maanden met inhouding van wedde wordt opgelegd; - “artikel 44 van het procedurereglement van het OCMW Antwerpen zoals opgenomen in het schrijven van de heer Gouverneur dd. 7 maart 2000”; Gezien de toelichtende memorie van verzoekster; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 24 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; IX-é4-1/14 Gelet op de beschikking van 7 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. OLEKSY, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoekster is als verzorgingsassistente tewerkgesteld in het Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Maria dat onder het OCMW van Antwerpen ressorteert. 1.
- Op 10 september 1998 legt het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen verzoekster bij tuchtmaatregel een schorsing van één week met inhouding van wedde op, omdat uit verschillende feiten is gebleken dat verzoekster “weinig respectvol met de residenten omgaat”. Het beroep tot nietigverklaring dat verzoekster tegen dit besluit bij de Raad van State indient, wordt verworpen bij arrest nr. 134.459 van 31 augustus
- 1.
- Op 14 oktober 1999 legt het vast bureau verzoekster een schorsing op van één maand met inhouding van wedde. Aan verzoekster wordt ten laste gelegd dat “zij tekort is gekomen aan haar beroepsplichten wegens handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen”. IX-é4-2/14 Het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State dat verzoekster tegen dat besluit heeft ingesteld wordt verworpen bij arrest nr. 149.361 van 26 september
- 1.
- Inmiddels heeft de hoofdverpleegkundige op 2 september 1999 ten laste van verzoekster een nieuw feitenverslag opgesteld, waarin zij aan verzoekster verwijt : “Brutaal, zonder respect, zonder begrip, omgaan met bewoner en zijn familie of vrienden. Door haar houding worden bewoners ten zeerste gekrenkt en bijna mishandeld. Vragen om hulp worden genegeerd en afgewimpeld op totaal ongepaste wijze cfr. klachtbrief van 31/8/99 ingesloten”. 1.
- Verzoekster maakt bij dit feitenverslag, dat haar tezamen met een getuigenverklaring van haar collega Ouali FADILA en een brief van de huisarts van de betrokken resident wordt toegezonden, de volgende schriftelijke bemerkingen : “- Ik ontken de feiten zoals deze zijn voorgesteld door de persoon die de klachtbrief heeft geschreven. - Ik had toen onderbroken dienst, en bij mijn terugkeer op de afdeling begon mijn collega onmiddellijk te klagen tegen mij dat de betrokken resident reeds de hele namiddag lastig was. In mijn bijzijn heeft zij hem toen medicatie gegeven. Nadien hebben wij hem meermaals gaan goed leggen. Ik heb nooit geweigerd hem te verzorgen”. De hoofdverpleegkundige antwoordt daarop : “Dit zoveelste incident, veroorzaakt door haar mensonwaardig optreden, geeft reeds jaren aanleiding tot spanningen, frustraties, angstgevoelens en demotivatie in het team. Daarenboven schaadt ze zo telkens terug de naam en faam van onze instelling en haar bewoners die in de eerste plaats recht hebben op respect en welgemeend dienstbetoon”. IX-é4-3/14 Verzoekster repliceert : “Gelet op de opmerkingen dd. 30.09.1999 (hierboven vermeld) is duidelijk dat men niet in concreto antwoordt op mijn opmerkingen. Blijkbaar worden opnieuw oude en reeds behandelde zaken uit de doos gehaald en zijn alle middelen goed om mij uit het team te zetten. Onnodig te zeggen dat dit niet correct is. Mijn collega heeft mij trouwens persoonlijk medegedeeld niet achter de getypte stelling te staan, welke zich in deze bundel bevindt ... Ik doe mijn job met hart en ziel, zoniet had ik het al die jaren niet volgehouden. Vele residenten zijn zeer tevreden over mij. Waarom worden zij niet ondervraagd? Ik behoud mijn standpunt zoals reeds weergegeven eerder”. 1.
- Op 26 oktober 1999 stelt de secretaris van het OCMW ten laste van verzoekster een tuchtverslag op, waarin hij melding maakt van de aan verzoekster ten laste gelegde feiten, de voorheen aan verzoekster opgelegde tuchtsancties, de bemerkingen van verzoekster bij de ten laste gelegde feiten, het antwoord van de hoofdverpleegkundige en de repliek van verzoekster daarop. De secretaris besluit dat, rekening houdend met de aangehaalde feiten en de bemerkingen daarop, de betrokkene ingevolge handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, tekort is gekomen aan haar beroepsplichten. Hij stelt voor verzoekster, gelet op de feiten en de vroeger bestrafte dienstvergrijpen, gedurende drie maanden te schorsen met inhouding van wedde. 1.
- Nadat verzoekster eerst opgeroepen is om op 19 november 1999 over de ten laste gelegde feiten te worden gehoord, doch zij om medische redenen op die dag niet aanwezig kan zijn, wordt zij op 17 december 1999 gehoord door de raad voor maatschappelijk welzijn. Het voorstel om verzoekster te bestraffen met een tuchtschorsing van drie maanden wordt bij staking van stemmen verworpen. De raad besluit dan dat de secretaris een nieuw voorstel van strafmaat dient te formuleren dat behandeld zal worden op de eerst volgende vergadering. 1.
- Op 23 december 1999 stelt de secretaris een nieuw tuchtverslag op dat gelijkluidend is aan zijn verslag van 26 oktober 1999, met dien verstande evenwel dat hij thans in de plaats van een schorsing van verzoekster gedurende drie IX-é4-4/14 maanden met inhouding van wedde, een schorsing voorstelt van twee maanden met inhouding van wedde. 1.
- Verzoekster wordt op 21 januari 2000 opnieuw door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. De raad besluit dan, eveneens op 21 januari 2000, om verzoekster bij tuchtmaatregel gedurende twee maanden te schorsen met inhouding van wedde, “omdat zij tekort is gekomen aan haar beroepsplichten wegens handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen”. Dit besluit, dat het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep tot nietverklaring, steunt op de volgende motieven : “Gelet op het verslag van hoofdverpleegkundige A. Michiels over inbreuk op de regeltucht ten laste van SCHATTEMAN Magda, verzorgingsassistente, tewerkgestelde in het RVT Sint-Maria, waaruit blijkt dat betrokkene ernstig tekort schoot in de uitoefening van haar beroepsplichten; Gelet op het feit dat betrokkene op datum van 26.10.1999 schriftelijk werd uitgenodigd op de hoorzitting van de Raad voor het Maatschappelijk Welzijn van 19.11.1999; Gelet op het feit dat op vraag van de verdediger van betrokkene en omwille van het feit dat betrokkene niet aanwezig kon zijn wegens medische redenen de hoorzitting eenmalig werd uitgesteld; Gelet op het feit dat betrokkene op datum van 8.11.1999 nogmaals schriftelijk werd uitgenodigd op de hoorzitting van de Raad voor het Maatschappelijk Welzijn van 17.12.1999; Overwegende dat advocaat Daelemans Marilyn, raadsvrouw van betrokkene, met schrijven van 8.11.1999 de vraag stelde getuigen op te roepen, hetgeen geschiedde met schrijven van 8.12.1999, respectievelijk met aangetekend schrijven van 13.12.1999; Op vraag van de verdediging tot het bekomen van uitstel van de beslissing omwille van het feit dat de verdediging een aantal getuigen wenst te ondervragen, welke tijdig door de administratie werden opgeroepen, doch ofwel zich lieten verontschuldigen ofwel niet verschenen, wordt beslist met 7 stemmen voor, 6 tegen en 1 onthouding, geen uitstel te verlenen; deze beslissing werd aan de verdediging meegedeeld. Na hoorzitting werd er overgegaan tot geheime stemming zijnde 7 stemmen voor en 7 stemmen tegen, inzake het voorstel om mevrouw SCHATTEMAN bij wijze van tuchtmaatregel te schorsen voor 3 maanden zonder wedde. Gelet op deze staking van stemmen besliste de voorzitter dat de heer secretaris terug een voorstel tot strafmaat diende te formuleren hetwelk behandeld zou worden op de eerstvolgende raadszitting. IX-é4-5/14 Gelet op het feit dat betrokkene op datum van 23.12.1999 nogmaals schriftelijk werd uitgenodigd op de hoorzitting van de Raad voor het Maatschappelijk Welzijn van 21.1.2000, waarbij als strafmaat ‘2 maanden schorsing zonder wedde’ werd voorgesteld als strafmaat; Gelet op het proces-verbaal van de hoorzitting; Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen betrokkene beweert, mevrouw SCHATTEMAN reeds voorafgaandelijk bestraft werd in zittingen van het Vast Bureau van 10.9.1998 en 14.10.1999 voor soortgelijke feiten, welke een verzwarend karakter hebben ten aanzien van de strafmaat; Overwegende dat de feiten nl. een onaangepaste houding t.o.v. een resident en zijn familie, door de klachtenbrief en bijkomende getuigenverklaringen voldoende bewezen worden geacht en door betrokkene in haar verweer enkel worden bestreden door te stellen dat de getuigenissen omwille van andere motieven werden afgelegd; Overwegende dat mevrouw SCHATTEMAN door het bestuur een diploma ontving voor 25 jaar dienst, doch dit niet wegneemt dat betrokkene kan bestraft worden voor tuchtrechterlijke vergrijpen;”. 1.
- Verzoekster dient tegen dit raadsbesluit een bezwaar in bij de gouverneur van de provincie Antwerpen. Deze antwoordt op 7 maart 2000 echter dat hij geen reden ziet om in het kader van het administratief toezicht tegen het raadsbesluit van 21 januari 2000 op te treden. Wat de aangevoerde schending van het beginsel non bis in idem betreft, laat de gouverneur gelden dat dit beginsel impliceert dat eenzelfde feit geen tweemaal of meer mag worden gesanctioneerd met sancties van dezelfde orde, maar dat het feit dat de raad voor maatschappelijk welzijn tweemaal heeft moeten oordelen over de uiteindelijk op te leggen straf geen schending van dit beginsel uitmaakt. Voorts verwijst hij naar artikel 44 van het huishoudelijk reglement van het OCMW van Antwerpen, waarin onder meer is bepaald : “Ingeval van bestraffing van een personeelslid zal volgende stemprocedure gevolgd worden : A. Ingeval van hoorzitting Nadat het personeelslid gehoord is in zijn middelen van verdediging (...) - Legt de voorzitter de in het verslag van de algemene secretaris voorgestelde strafmaat ter stemming, met vermelding dat bij onvoldoende ja-stemmen, of bij staking van stemmen, dit betekent dat de Raad van oordeel is dat door de algemene secretaris op een eerstvolgende raadszitting, en dit binnen de twee maanden, een aangepast voorstel moet ingediend worden. IX-é4-6/14 - Op deze eerstvolgende raadszitting legt de voorzitter het aangepast voorstel ter stemming met de vermelding dat bij onvoldoende ja-stemmen of bij staking van stemmen, dit betekent dat geen straf moet worden opgelegd”. Deze bepalingen maken het tweede voorwerp uit van het onderhavige beroep tot nietigverklaring.
- Overwegende dat de vraag rijst of verzoekster het tweede voorwerp van het beroep, zijnde de hiervoor overgeschreven bepalingen van artikel 44 van het huishoudelijk reglement van het OCMW van Antwerpen, nog rechtstreeks kan bestrijden met een beroep tot nietigverklaring; dat immers kan worden vermoed dat die bepalingen aangenomen en bekendgemaakt zijn meer dan zestig dagen vooraleer verzoekster het onderhavige beroep heeft ingesteld; dat hoe dan ook echter de eventuele onwettigheid van het huishoudelijk reglement als middel kan worden aangevoerd tegen het tuchtbesluit van 21 januari 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn dat er toepassing van maakt; 3.
- Overwegende dat verzoekster artikel 44 van het huishoudelijk reglement van het OCMW onwettig acht om de volgende redenen : “Artikel 44 van het procedurereglement laat toe dat een belangrijke rechtsregel geschonden wordt, nl. dat niemand - bij ongewijzigd dossier - tweemaal kan terechtstaan voor dezelfde feiten. In het verleden kenden wij in het Belgisch rechtstelsel de mogelijkheid om bij vrijspraak door het Hof van Assisen, door een herkwalificering van feiten (met andere strafmaat), nog een procedure op gang te brengen - met mogelijkheid tot veroordeling - door de Correctionele Rechtbank. De beschuldigde kon dus tweemaal terechtstaan voor dezelfde feiten die door de aanklager (Openbaar Ministerie) anders werden ingeschat. Dit principe wordt ook toegepast door artikel
- De tuchtrechterlijke overheid spreekt zich in één stemming uit over de schuld en de strafmaat. Er wordt geen meerderheid gevonden in deze éénmalige stemming (over twee verschillende zaken nl. schuld en strafmaat). De zaak gaat terug naar de aanklager (secretaris) om een nieuw strafvoorstel uit te werken. Zonder enige inhoudelijke wijziging (feiten blijven onveranderd) wordt uitsluitend de strafmaat aangepast en volgt de veroordeling. Dit is tegen alle rechtsregels en hier dient besloten tot de vernietiging van artikel 44 van het huishoudelijk reglement van het OCMW Antwerpen. IX-é4-7/14 Artikel 44: (overgenomen uit schrijven van de Heer Gouverneur dd. 7 maart 2000 bijlage 9) Ingeval van bestraffing van een personeelslid zal volgende stemprocedure gevolgd worden : Ingeval van hoorzitting : Nadat het personeelslid is in zijn middelen van verdediging (. . .) - Legt de voorzitter de in het verslag van de algemene secretaris voorgestelde strafmaat ter stemming, met de vermelding dat bij onvoldoende ja-stemmen, of bij staking van stemmen, dit betekent dat de Raad van oordeel is dat daar de algemene secretaris op een eerstvolgende raadszitting, en dit binnen de twee maanden, een aangepast voorstel moet ingediend worden. - Op deze eerstvolgende raadszitting legt de voorzitter het aangepast voorstel ter stemming met de vermelding dat bij onvoldoende ja-stemmen of bij staking van stemmen dit betekent dat geen straf moet worden opgelegd.”; 3.
- Overwegende dat verzoekster in het eerste onderdeel van haar enig annulatiemiddel de schending van het beginsel “non bis in idem” aanvoert; dat de vraag van de wettigheid van de betrokken reglementsbepaling derhalve dan beslecht zal dienen te worden; 4.
- Overwegende dat verzoekster tegen het tuchtbesluit van 21 januari 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn het volgende middel aanvoert : “
- Niemand kan tweemaal vervolgd / geoordeeld worden voor dezelfde feiten. Op 17 december 1999 spreekt de Raad zich uit. Er is slechts één stemming d.w.z. dat de Raad zich zowel over de schuldvraag als strafmaat in één stemming uitspreekt. Bij staking der stemmen wordt het voorstel verworpen, dus zowel de schuldvraag als de strafmaat worden afgewezen. Op 21/01/2000 spreekt de Raad zich opnieuw uit, over dezelfde feiten, op basis van een niet gewijzigd verslag waar alleen de strafmaat van drie op twee maanden is gebracht. Verzoekster wordt dus tweemaal tuchtrechterlijk voor dezelfde feiten opgeroepen en geoordeeld (oproeping zitting 17/12/99- bijlage 4 en 5- oproeping zitting 21/01/2000 - bijlage 7).
- Bijsturen strafmaat. Na een eerste stemming volgt de opdracht aan de algemeen secretaris om een nieuw voorstel op te maken. Dit nieuw verslag met nieuw voorstel tot strafmaat (bijlage 7) is behoudens het voorstel van strafmaat (twee in plaats van drie maanden) identiek aan het eerste verslag (bijlage 4). Hier dient dus duidelijk de vraag gesteld te worden, in het kader van de motiveringsplicht, hoe men het kan verantwoorden dat feiten van IX-é4-8/14 vandaag op morgen met een dermate verschillende strafmaat kunnen gesanctioneerd worden. Conform de wet (vastgelegde tuchtregeling) kan de Raad een sanctie opleggen die afwijkt van het voorstel dat door de aanklager (algemeen secretaris) is voorgesteld. De Raad diende dan wel zijn verantwoordelijkheid op te nemen om te stemmen over de schuldvraag en daarna over de strafmaat. De Raad kan in een tweede stemming uitspraak doen over de strafmaat en dan , bij verwerping van het voorstel, zich beraden over een andere strafmaat.
- Staking der stemmen is vrijspraak Gezien er bij de stemming geen meerderheid gevonden werd - staking der stemmen, dient dit als een vrijspraak gezien te worden.
- De procedure die aanleiding gaf tot de hier betwiste uitspraak is opgestart terwijl nog een andere procedure voor gelijkwaardige feiten liep. De feiten, die gelijkaardig waren, hadden moeten samengevoegd worden en in één tuchtdossier behandeld worden.
- In de overwegingen om de zware sanctie te verantwoorden wordt verwezen naar de tuchtsancties opgelegd door het Vast Bureau op 10/09/98 en 14/10/
- Het is inderdaad zo dat op zowel 10/09/98 als op 14/10/99 een tuchtsanctie werd opgelegd aan verzoekster . Beide sancties worden evenwel voor Uw Hoog Rechtscollege betwist namelijk met verzoekschriften tot nietigverklaring dd. 21 december 1998 en 24 januari
- Het is zelfs zo dat het OCMW van Antwerpen met betrekking tot het verzoekschrift van 21 december 98 gekend bij Uw Hoog Rechtscollege onder de referte G/A 81 657/IX-1593 verzuimd heeft een memorie van antwoord en het administratief dossier in te dienen binnen de vastgestelde termijn wat dient beschouwd te worden als een gebrek aan belang vanwege verweerder; maar niettegenstaande dit alles wordt de (bestreden) beslissing als verzwarende omstandigheid opgevoerd.
- Niet bewezen zijn van de feiten Uit de besluiten van Mter Daelmans (bijlage 6) blijkt dat de feiten lastens verzoekster in de formulering zoals zij ten laste gelegd werden, niet bewezen waren, minstens anders omschreven of gekwalificeerd dienden te worden. Een aantal van de stukken waarop de Raad zich steunt, zijn niet eens getuigenverklaringen; maar getuigen horen zeggen (tot in de 4de graad). Wat effectief ter plaatse bij het plegen van de zo gezegde feiten gebeurde, wat echt gezegd en gedaan werd kon door deze getuigen van horen zeggen (Dr. Scheers) niet bevestigd worden op basis van eigen waarneming. Niettegenstaande dat alles wordt deze getuigenis als van doorslaggevende aard beschouwd om verzoekster de bestreden tuchtsanctie op te leggen. Wanneer alle feiten bekeken worden dient verzoekster vast te stellen dat, niettegenstaande de beschuldigingen volgende feiten vast staan. - Dat er hulp voor de resident werd ingeroepen . - Verzoekster effectief hulp heeft geboden IX-é4-9/14 - Verzoekster zich ook later op de avond / nacht bekommerde over de resident en controle uitgeoefend heeft op de toestand van de resident in zover zij dit als niet gediplomeerde ziekenverzorgster kon - Zij de bezoekers te woord heeft gestaan voor zover zij dit als niet gediplomeerde verzorgster kon En dit niettegenstaande het negeren van vragen om hulp en afwimpeling van vragen ten laste gelegd worden.
- Toekennen van erediploma (bijlage10) Op 7 januari 2000 wordt aan belanghebbende een erediploma toegekend ‘als blijk van waardering en voldoening voor meer dan 25 jaar goede en trouwe dienst’. Dit erediploma werd door de voorzitter en de secretaris getekend. Wanneer iedereen binnen het OCMW van de fouten van verzoekster zou overtuigd zijn, kan het niet voor mogelijk gehouden worden dat dergelijk erediploma afgeleverd wordt.”; 4.2.
- Overwegende dat het eerste onderdeel van het middel er verkeerdelijk van uitgaat dat de eerste stemming niet alleen een stemming betreft over de strafmaat, maar tegelijk ook over de schuld van het betrokken personeelslid, zodat de tweede stemming een miskenning inhoudt van het beginsel dat niemand tweemaal kan worden veroordeeld voor dezelfde feiten; dat, immers, luidens artikel 44 van het huishoudelijk reglement van het OCMW van Antwerpen de voorzitter de in het verslag van de algemene secretaris voorgestelde strafmaat ter stemming legt, met de vermelding dat onvoldoende ja-stemmen of staking van stemmen betekent dat de raad van oordeel is dat door de algemene secretaris op een eerstvolgende raadszitting, binnen de twee maanden, een aangepast voorstel moet worden ingediend; dat op die eerstvolgende raadszitting de voorzitter het aangepaste voorstel van de secretaris ter stemming legt met de vermelding dat onvoldoende ja-stemmen of staking van stemmen betekent dat geen straf moet worden opgelegd; Overwegende dat volgens de betrokken regeling de eerste stemming aldus slechts terzelfder tijd een oordeel inhoudt over de strafmaat én over de schuldvraag, voor zover er voldoende ja-stemmen zijn en, wanneer zulks niet het geval is, de uitspraak over beide slechts valt bij de tweede stemming, die dan een nieuw strafvoorstel van de secretaris als voorwerp heeft; dat indien dat nieuwe strafvoorstel voldoende ja-stemmen krijgt, dit dan betekent dat het betrokken personeelslid schuldig is bevonden en de voorgestelde straf krijgt opgelegd terwijl staking van stemmen of onvoldoende ja-stemmen betekent dat het betrokken personeelslid onschuldig wordt bevonden en geen straf krijgt opgelegd; dat in dezen IX-é4-10/14 de staking van stemmen niet inhield dat verzoekster geacht werd de ten laste gelegde feiten niet te hebben begaan, doch wel dat de door de secretaris voorgestelde strafmaat werd verworpen, zodat de secretaris een aangepast strafvoorstel aan de raad voor maatschappelijk welzijn diende voor te leggen en pas bij de tweede stemming, doordat de door de secretaris voorgestelde straf van twee maanden schorsing met inhouding van wedde voldoende ja-stemmen behaalde, ook uitspraak werd gedaan over de schuld van verzoekster; dat de ten laste gelegde maar niet bewezen feiten dus geenszins anders worden gekwalificeerd in het tweede tuchtvoorstel; dat de door artikel 44 van het huishoudelijk reglement voorgeschreven werkwijze in die optiek niet onwettig is en zelfs meer waarborgen biedt voor het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid, dat zich ook tegen het tweede tuchtvoorstel kan verweren; dat, immers, men zich evengoed een werkwijze zou kunnen indenken waarbij apart wordt gestemd over de schuld en over de strafmaat en waarbij eventueel, zelfs tijdens dezelfde vergadering en zonder de betrokkene opnieuw te horen, wanneer een bepaald strafvoorstel niet het nodige aantal stemmen krijgt, een andere straf ter stemming wordt voorgelegd en, indien deze ook geen meerderheid verkrijgt, nog een andere, en zo voort; dat net zoals in de regeling van artikel 44 van het huishoudelijk reglement van het OCMW, zulks geenszins impliceert dat het betrokken personeelslid tweemaal terechtstaat voor dezelfde feiten; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 4.2.
- Overwegende wat het tweede onderdeel van het middel: “bijsturen strafmaat” betreft, dat verzoekster zelf aanneemt dat de raad voor maatschappelijk welzijn een andere sanctie kan opleggen dan die welke door de secretaris wordt voorgesteld; dat men niet inziet en verzoekster ook niet verklaart welke onwettigheid, die ook het tuchtbesluit zou vitiëren, kleeft aan de opdracht gegeven aan de secretaris om een nieuw strafvoorstel te formuleren; dat de raad voor maatschappelijk welzijn heeft gehandeld overeenkomstig artikel 44 van het huishoudelijk reglement van het OCMW, waarvan hiervoor reeds is gebleken dat het niet is aangetast door de onwettigheid die verzoekster eraan toeschrijft; dat het tweede onderdeel van het middel evenmin gegrond is; IX-é4-11/14 4.2.
- Overwegende wat het derde onderdeel van het middel: “staking der stemmen is vrijspraak” betreft, dat staking der stemmen, overeenkomstig artikel 33, § 2, tweede lid, van de OCMW-wet en hetgeen in artikel 44 van het huishoudelijk reglement van het OCMW is bepaald inzake de stemming over tuchtmaatregelen, enkel betekent dat het voorstel dat ter stemming werd voorgelegd, verworpen is; dat te dezen op 17 december 1999 werd gestemd over de door de secretaris voorgestelde tuchtsanctie van drie maanden schorsing met inhouding van wedde; dat de verwerping van die voorgestelde sanctie geen vrijspraak inhield, maar nog toeliet , zoals bepaald in artikel 44 van het huishoudelijk reglement, dat een ander voorstel van tuchtsanctie ter stemming aan de raad voor maatschappelijk welzijn werd voorgelegd; dat het derde onderdeel van het middel niet gegrond is; 4.2.
- Overwegende wat het vierde onderdeel van het middel: “de procedure die aanleiding gaf tot de hier betwiste uitspraak is opgestart terwijl nog een andere procedure voor gelijkwaardige feiten liep” betreft, dat geen rechtsregel de verwerende partij ertoe verplicht om het tuchtfeit dat aan de grondslag van het thans bestreden tuchtbesluit ligt, samen te voegen met de gelijkaardige tuchtfeiten die, op het tijdstip van de vaststelling van het eerstgenoemde tuchtfeit reeds het voorwerp uitmaakten van een aan de gang zijnde tuchtprocedure; dat het vierde onderdeel van het middel niet gegrond is; 4.2.
- Overwegende wat betreft het vijfde onderdeel van het middel: “in de overwegingen om de zware sanctie te verantwoorden wordt verwezen naar de tuchtsancties opgelegd door het Vast Bureau op 10/09/98 en 14/10/99”, dat de omstandigheid dat verzoekster bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen de tuchtsancties die haar door de verwerende partij op 10 september 1998 en 14 oktober 1999 werden opgelegd, er als zodanig niet aan in de weg staat dat in het thans bestreden besluit als verzwarende omstandigheid naar die eerdere tuchtsancties wordt verwezen; dat verzoeksters beroepen tot nietigverklaring van de tuchtbesluiten van 10 september 1998 en 14 oktober 1999 van het vast bureau inmiddels werden verworpen bij arresten nrs. 134.459 van IX-é4-12/14 31 augustus 2004 en 149.361 van 26 september 2005 van de Raad van State; dat het vijfde onderdeel ook niet gegrond is; 4.2.
- Overwegende wat betreft het zesde onderdeel van het middel: “niet bewezen zijn van de feiten”, dat aan verzoekster ten laste gelegd wordt, samengevat, dat zij op 22 augustus 1999, naar aanleiding van een vraag om hulp van een resident, op een brutale, afwijzende en totaal ongepaste wijze heeft omgegaan met deze resident en diens bezoekers; dat het de Raad van State niet toe komt om het onderzoek van de feiten over te doen; dat hij enkel kan nagaan of de tuchtoverheid op grond van de gegevens van het dossier regelmatig tot het besluit gekomen is dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn; dat in de onderhavige zaak de klachtbrief van 31 augustus 1999 van mevrouw BIDDELO en de schriftelijke getuigenverklaring van verzoeksters collega Ouali FADILA voor zich spreken; dat alleen reeds op basis van die stukken de tuchtoverheid tot het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten vermocht te besluiten, te meer daar uit het dossier geen enkel gegeven blijkt dat aan de oprechtheid van de klacht en getuigenis kan doen twijfelen, terwijl verzoekster van haar kant in haar bemerkingen bij het feitenverslag van de hoofdverpleegkundige en in het verweerschrift dat zij bij de tuchtoverheid heeft ingediend niet verder komt dan een blote ontkenning van haar tekortkomingen, niet onderbouwde beschuldigingen aan het adres van haar collega en speculatieve beschouwingen over de emoties die aan de basis zouden liggen van de klachtbrief van mevrouw BIDDELO; dat het zesde onderdeel van het middel evenmin gegrond is; 4.2.
- Overwegende wat het zevende onderdeel betreft, dat de toekenning op 7 januari 2000 van een “erediploma” aan verzoekster “als blijk van waardering en voldoening voor meer dan 25 jaar goede en trouwe dienst”, hoogstens vragen kan doen rijzen naar het verantwoord zijn van die toekenning, maar geenszins impliceert dat verzoekster niet meer het voorwerp zou kunnen uitmaken van een tuchtmaatregel voor bewezen tekortkomingen in de uitoefening van haar ambt; dat ook het zevende onderdeel van het middel niet gegrond is, IX-é4-13/14 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig september 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-é4-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.362 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.