id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.381 Rolnummer: A. 161366/IX-4841 Zaak: Arrest 149381 - - 26/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-28 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 00:51 Fiche Arrest nr 149.381 van 26 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.381 van 26 september 2005 in de zaak A. 161.366/IX-
- In zake : Koen DEPREYTERE, die woonplaats kiest bij advocaat J.-B. PETITAT, kantoor houdende te SINT-KRUIS-BRUGGE, Sportstraat 49 tegen : de politiezone VLAS (Kortrijk-Kuurne-Lendelede), die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Koen DEPREYTERE op 31 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “alle beschikkingen van de beslissing van 28 januari 2005 genomen door het Politiecollege van de Politiezone VLAS en aan verzoeker middels schrijven van 28 januari 2005 ter kennis gebracht vanaf 1 februari 2005, waarbij verzoeker onder meer de tuchtstraf ontslag van ambtswege wordt opgelegd met ingang vanaf 1 februari 2005”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2005; IX-4841-1/32 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LIERMAN die, loco advocaat J.-B. PETITAT verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak zijn uiteengezet in het arrest nr. 137.414 van 22 november 2004 waarbij de schorsing van de tenuitvoer- legging bevolen is van het besluit van 23 april 2004 houdende het ontslag van ambtswege van verzoeker met ingang van 30 april 2004; dat, na de betekening van dit schorsingsarrest, de zaak als volgt geëvolueerd is: 1.
- Op 22 december 2004 beslist het politiecollege van de politiezone VLAS (hierna: het politiecollege) : “artikel 1 : de bestreden beslissing van 23 april 2004 houdende het ontslag van INP Koen DEPREYTERE in te trekken met ingang van 1 mei 2004, met name de dag van de ingang van de effecten van het ontslag van ambtswege; artikel 2 : de procedure opnieuw op te nemen vanaf het ogenblik dat door het tussen- gekomen arrest van 22 november 2004 van de Raad van State de onwettigheid van de procedure werd vastgesteld, met name vanaf het intentiebesluit van 12 maart 2004 om van het advies van de tuchtraad van 20 februari 2004 af te wijken; artikel 3 : de intentie te uiten om INP Koen DEPREYTERE terug te plaatsen in de administratieve toestand zoals deze op hem van toepassing was op het ogenblik van de betekening van het initiële intentiebesluit om van het advies van de tuchtraad af te wijken, met name 12 maart 2004, en bijgevolg te overwegen hem te plaatsen in een toestand van voorlopige schorsing met behoud van wedde; artikel 4 : INP Koen DEPREYTERE kennis te geven van de intentie van het politie- college houdende de voorlopige schorsing onder de voorwaarden zoals deze waren gesteld, met name met het behoud van wedde, met ingang van 1 januari 2005; artikel 5 : INP Koen DEPREYTERE in kennis te stellen van voornoemde beslissing tot intrekking en herneming van de tuchtprocedure en de intentie tot voorlopige schorsing met de mededeling en de uitnodiging om zijn rechten van verdediging IX-4841-2/32 te laten gelden inzake de voorlopige schorsing op 30 december 2004 om 9u00 in de nieuwe schepenzaal van het stadhuis te Kortrijk, Grote markt 54". 1.
- Met een nota van 22 december 2004 deelt het politiecollege aan verzoeker zijn beslissing mee om - in afwijking van het advies van de tuchtraad - het voorstel tot zware tuchtstraf houdende het ontslag van ambtswege te behouden, en wijst zij hem op het recht om een verweerschrift in te dienen. Die intentienota is gemotiveerd als volgt : “
- Inzake het advies van de tuchtraad 3.1 Wat de procedure betreft 3.1.
- Inzake de samenstelling van het dossier De tuchtraad roept de miskenning in van de discretieplicht in de mate dat geen afzonderlijke tuchtvorderingen werden gevoerd lastens de inspecteurs DE JONGHE en DEPREYTERE, evenals het in rekening brengen van maatregelen uit het verleden; De HTO beoogt evenwel af te wijken van dit advies overwegende dat: Inzake de samenstelling van het dossier: - de discretieplicht erin bestaat om geen ruchtbaarheid te geven aan de feiten en documenten van een dossier waarvan de leden van de overheid in hun hoedanigheid van tuchtverantwoordelijken kennis hebben gekregen; - deze plicht niet wordt geschonden door het enkele feit dat een dossier, lastens twee personeelsleden betrokken bij dezelfde feiten, op gronden van connexiteit en degelijke procesvoering, worden gevoegd teneinde te komen tot een deugdelijke feitenvinding en gegronde tuchtrechtelijke conclusies; - een scheiding van de dossiers manifest zou leiden tot een ondeugdelijke feitenvinding; - het loutere feit dat beide betrokken personeelsleden kennis kunnen nemen van gemeenschappelijke en individuele elementen die functioneel zijn gebonden aan het dossier, geen inbreuk maken op de schending van de discretieplicht die in tuchtzaken rust op de overheid; - tot op heden geen enkel feitelijk gegeven aan een externe instantie werd meegedeeld zodoende dat de discretieplicht, in het raam van de tucht- wetgeving, niet werd overschreden; - de elementen inzake het tuchtrechtelijk verleden, gelinkt aan de samen- stelling van het dossier, worden infra besproken. Inzake de voorgewende onduidelijkheid van het document dd 18 juli 2003: - door de tuchtraad inderdaad de vraag werd gesteld duidelijkheid te verschaffen inzake de ‘nieuwe’ beslissing tot aanwijzing van een vooraf- gaand onderzoeker op 18 juli 2003; - de hogere tuchtoverheid in dit verband de nodige opzoekingen heeft gedaan in het licht van de gestelde vraag inzake een ‘dubbele aanstelling’ meer bepaald; - er geen ‘dubbele aanstelling’ is geweest van een voorafgaand onderzoeker doch dat deze ‘vroegere’ en enige aanduiding dd 5 juni 2003 aan betrokkenen werd ‘bevestigd’ in het raam van de loutere kennisgeving tot oproeping tot verschijning voor precies de eerder aangeduide voorafgaand onderzoeker; - het bijgevolg niet duidelijk was wat de nieuwe aanduiding kon betekenen; IX-4841-3/32 - het loutere materiële stuk in uitvoering van de eerdere aanduiding van de voorafgaand onderzoeker dd 5 juni 2003 een procedureel zo weinig relevant en evident gegeven is dat het niet bij het dossier werd gevoegd; - het gaat om het stuk aan betrokkenen bekend is gelet op het feit dat ze zich hebben aangeboden voor het verhoor waarvoor in het bedoeld stuk uitgenodigd; - het stuk allesbehalve een ‘essentieel procedurestuk’ is dat naderhand bij het dossier werd gevoegd, zonder hierdoor tot enige schending van de zorgvuldigheidsplicht te kunnen of moeten leiden; 3.1.
- inzake de delegatie door de GTO De tuchtraad roept de nietigheid in van de bewijsgaring door het feit dat een onwettige delegatie werd gegeven door de GTO aan HCP DEFOOR en steunt hiervoor in essentie op: - de wraking door de gewone tuchtoverheid (GTO) op weinig gegevens is gesteund; - als van de rechtsfiguur van de wraking zou moeten toepassing worden gemaakt, moet rekening gehouden worden met de geldende regels; - dat deze regels zijn vertaald in ‘het rechtsbeginsel volgens het welk enkel de overheid die een (tucht)bevoegdheid toekent, de delegatie kan toestaan’; - het niet aan de korpschef toekwam om zelf zijn tuchtbevoegdheid te delegeren door het feit dat hij niet de wettelijke of discretionaire bevoegd- heid bezit om zelf in zijn vervanging te voorzien; - de aanstelling in strijd is met artikel 46 WGP; - de regels inzake bevoegdheid en delegatie van openbare orde zijn; - het voeren van een tuchtonderzoek of het aanstellen van een voorafgaand onderzoek exclusief ressorteren onder de bevoegdheid van een tucht- overheid; De HTO beoogt evenwel af te wijken van dit advies overwegende dat: - enerzijds de gehele aangelegenheid, gelet op de te nemen beslissing over de voorlopige schorsing van betrokkene, onmiskenbaar een hoogdringend karakter had terwijl het tijdverlies, noodzakelijk verbonden met de samenstelling van het politiecollege, het onverwijld handelen van de tuchtoverheid had kunnen verhinderen en anderzijds, de beslissing van het politiecollege niet anders had kunnen luiden, aangezien de directeur personeel de enige hoofdcommissaris van politie is die -buiten de korpschef- binnen de zone actief is; - bovendien uit het verloop van de feiten blijkt dat het politiecollege op 6 juni 2003, toen het zich uitsprak over de vraag tot bekrachtiging van de voorlopige schorsing van betrokkene door de directeur personeel -en waarbij de verleende delegatie formeel ter sprake was gebracht- impliciet maar zeker de delegatie heeft aanvaard; - in die omstandigheden, de formele tekortkoming van artikel 46 WGP, het delegatiebesluit van 4 juni 2003 niet vitieert; - in toepassing van de opbouw van de Tuchtwet, gekoppeld aan beginselen van onpartijdigheid, wraking, continuïteit en plaatsvervanging, de overdracht van bevoegdheid door de korpschef aan de feitelijk vervangen- de korpschef, zijnde de directeur personeel, niet als onwettig moet worden beschouwd in het licht van de bepalingen van de tuchtwet; 3.1.
- inzake de tenlastelegging, de toerekenbaarheid en de omschrijving van de feiten De tuchtraad adviseert dat : bewezen is dat inspecteur DEPREYTERE, als lid van de interventieploeg, tijdens de nacht van 16 op 17 mei 2003: - zich gedurende ongeveer 4 uur 30 minuten heeft onttrokken aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten; IX-4841-4/32 - tijdens de dienst, drager van het uniform en dienstwapen, alcoholische dranken verbruikt, deze dranken in hoofdzaak aangeboden zijnde; - tijdens de dienst, drager van het uniform en dienstwapen, in een openbare gelegenheid geparticipeerd heeft aan activiteiten in een losgeslagen sfeer en in het bijzonder gedanst heeft met zowel vrouwen met ontbloot bovenlichaam als met mannen; - een dienstvoertuig heeft bestuurd na het gebruik van alcoholische dranken. deze tenlasteleggingen kunnen worden toegerekend aan inspecteur DEPREY- TERE; verwijzend naar de feiten hiervoor als bewezen beschouwd, in het bijzonder de feiten een ernstige tuchtinbreuk uitmaken doordat inspecteur DEPREYTERE: - het vertrouwen van het publiek in zijn persoon en in de politiedienst heeft geschaad; - zich intern deloyaal heeft gedragen; - grovelijk is tekort gekomen aan zijn dienstverplichting; - afkeuring heeft opgewekt bij de leiding, collega’s en burgers; - zijn integriteit en de waardigheid van het ambt heeft geschonden; - dit heeft versterkt door de handelingen te stellen in uniform; - zich normvervagend heeft gedragen; - het korps heeft in opspraak gebracht; - zijn voorbeeldfunctie heeft overtreden; De HTO beoogt dit advies te volgen. 3.
- Wat de sanctie betreft Heeft de tuchtraad op datum van 20 februari 2004 voorgesteld om een schorsing bij tuchtmaatregel voor de duur van 3 maanden op te leggen, welke afwijkt van het initieel voorstel van de HTO, zijnde het ontslag van ambtswege, overwegende dat: - in het licht van de ernst van de feiten niet redelijk kan voorgehouden worden dat hierdoor elke samenwerking onmogelijk wordt; - geen ruchtbaarheid is gegeven aan de feiten; - het geschonden vertrouwen op geen enkel concreet en relevant gegeven is gesteund; - het onomstotelijk bewijs niet is geleverd dat de inspecteur niet meer enige taak als politieagent kan uitvoeren; - betrokkene een blanco strafregister heeft, een jarenlange loopbaan heeft en geen negatieve gegevens zijn inzake zijn dienstuitvoering. De HTO beoogt evenwel af te wijken van dit advies en het initiële voorstel tot ontslag van ambtswege te behouden, overwegende dat: bij herhaling, met verwijzing naar motieven opgenomen in de verschillende stukken van het dossier, zoals daar zijn: - ref 1.6 : het voorafgaand onderzoek; - ref 1.7 : het inleidende verslag van de GTO; - ref 1.10 : het inleidend verslag van de HTO; - ref 1.13 : de deliberatie van de HTO na het horen van betrokkene; - ref 1.14 : het voorstel tot ontslag van ambtswege; met betrekking tot de ernst van de bewezen en toerekenbare tuchtrechtelijke feiten, ten overvloede, kan worden gesteld dat: - inzake de ernst van de feiten, het geschonden vertrouwen, en de onmogelijkheid tot verdere samenwerking: - de ernst van de alleenstaande feiten van 17 mei 2003 op zichzelf, zoals bewezen beschouwd door de tuchtraad, leiden manifest tot de onverenigbaarheid met de hoedanigheid van personeelslid van de politiediensten door het feit dat politieambtenaren die, tijdens de dienst en herkenbaar in uniform, handelingen stellen waarvan de ernst IX-4841-5/32 onbetwistbaar is, op geen enkele wijze nog credibel kunnen optreden ten aanzien van of ten behoeve van de burgers van eender welke zone; - het personeel steeds en zonder enige voorwaarde respect moet kunnen afdwingen bij de bevolking en mede door de waardigheid waarvan de politieambtenaren blijk geven, het mogelijk moet worden dat een politiedienst het vertrouwen van de burger verwerft en behoudt daar een politieman, als lid van een openbare macht, ook een maatschap- pelijk mandaat te vervullen heeft; - de houding van betrokkene op het ogenblik van de feiten manifest enig vertrouwen voor de toekomst heeft uitgesloten en zijn aanwezigheid in om het even welke politionele hoedanigheid onmogelijk maakt; - inzake de ruchtbaarheid: - de gewone tuchtoverheid werd ingelicht door een officier van een andere zone zodat bij evidentie hieromtrent ruchtbaarheid is gegeven; - het aanbrengen van feiten door collega’s inzake collega’s de uitzondering en bijgevolg slechts gebeurt wanneer deze een zekere weerklank hebben gekregen; - de loutere aanwezigheid van publiek in beide drankgelegenheid bij evidentie en blijkens het verslag van de politiezone GAVERS aanlei- ding heeft gegeven tot het geven van een commentaar op de gestelde handelingen; - het in hoofde van de overheid bij evidentie niet mogelijk is hiervan het bewijs te leveren. - inzake het geschonden vertrouwen, de disproportie van de maatregel en de onmogelijkheid tot verdere samenwerking: - de hogere tuchtoverheid -tegelijk werkgever- vanaf het eerste moment van de kennisgeving van de feiten de voorlopige schorsing bij hoog- dringendheid heeft bekrachtigd, inclusief de argumenten die hiervoor door de GTO werden aangehaald; - deze argumenten zijn gesteund op volgende overwegingen die wij ten overvloede wensen te herhalen: ‘ Overwegende de hoogdringendheid om onmiddellijk een beslissing te nemen gelet op het feit dat betrokkenen opgenomen zijn in de normale dienstplanning en -werking en dat de handelingen met onmiddellijke ingang na de kennisgeving op heel ernstige wijze de integrale en toekomstige werking van het korps schaden zodat op grond van een ogenschijnlijk onmiddellijke onverenigbaarheid tussen de gestelde handelingen en de vereiste waardigheid van het ambt, een verdere inzetbaarheid op heden onmogelijk wordt; Rekening houdende met onderstaande motivering ben ik van oordeel dat met deze handelingen onmiskenbaar de eer en de waardigheid van het ambt zijn geschonden. In duidelijk herkenbare dienstkledij, met een voertuig dat onmiskenbaar de identiteit van de politiezone VLAS draagt, zijn handelingen gesteld die de reputatie van de politiezone onherroepelijk schade hebben toegebracht. Deze zijn ook van aard om meteen het vertrouwen van de burgers in het korps in vraag te laten stellen of de gehele houding van de bedoelde personeelsleden in vraag te stellen. Het feit dat de gedragingen werden gesteld in publieke gelegenheden in aanwezigheid van derden, tijdens het dragen van het uniform met wapen en daarbij handelingen werden gesteld die ingaan tegen de goede zeden, bevestigt de onverenigbaarheid van de aan- wezigheid. Bijgevolg is, in de huidige stand van zaken en indien de feiten ten gronde worden bewezen zoals aangehaald in de bedoelde nota en in de mate dat ze op dit ogenblik inzake de grond van de feiten bij de verhoren werden bevestigd door minstens één van de IX-4841-6/32 betrokkenen, de aanwezigheid van het betrokken personeelslid absoluut onverenigbaar met het belang van de dienst. Op dit ogenblik kan geen enkele bediening worden toevertrouwd aan betrokkene waarbij op geen enkele wijze het extern en intern dienst- belang niet zou worden geschaad gelet op de bedoelde handelingen.’ - inspecteur DE JONGHE, betrokken bij de voornoemde feiten, onmiddellijk zelf heeft geconcludeerd dat de bedoelde handelingen vermoedelijk tot een ontslag zouden leiden gelet op de vertrouwens- breuk ingevolge de ernst van de misstap; - de werkgever, bij bekrachtiging, in voorgaande motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing bij hoogdringendheid, onmiddellijk heeft duidelijk gemaakt dat er geen plaats meer is voor betrokkene binnen het politiewezen van de politiezone; - de werkgever meent dat personeelsleden die zich -!! tijdens de dienst en herkenbaar als politiemensen gekleed- aan dergelijke uitwassen schuldig maken, op geen enkele credibele wijze nog kunnen optreden ten aanzien van of ten behoeve van de burgers van eender welke zone; - het college ten aanzien van de bevolking van de volledige zone verantwoordelijk is voor het aanbieden van politiepersoneel dat steeds en zonder enige voorwaarde respect moet kunnen afdwingen bij de bevolking; - de handelingen gesteld op 17 mei 2003 van een dergelijke aard zijn om onvermijdelijk te leiden tot de uitsluiting uit een organisatie die er juist op gericht is op basis van de waardigheid van de personeelsleden, het vertrouwen van de burger te verwerven en te behouden; - politiemensen immers gedelegeerde houders zijn van een deel van de openbare macht die hen toegekend wordt om er ten aanzien van gelijken op gepaste wijze gebruik van te maken; - manifest en ongepast gedrag, in een openbare drankgelegenheid in aanwezigheid van publiek, dan ook uitsluit dat aan deze mensen een maatschappelijk mandaat wordt gegeven; - dat de bij de feiten betrokken personeelsleden -en heel expliciet inspecteur DE JONGHE- echt weten dat de grenzen van het aanvaard- bare manifest werden overschreden; Tot slot: - gelet op voorgaande overwegingen niet kan worden gesteld dat de overheid een manifest disproportionele maatregel voorstelt in de vorm van een definitief ontslag, zijnde een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen.” 1.
- Op 3 januari 2005 dienen de tuchtverdedigers van verzoekers een verweerschrift in tegen de intentiebeslissing van 22 december
- 1.
- Op 28 januari 2005 beslist het politiecollege, na onderzoek van het verweerschrift, aan verzoeker de zware tuchtstraf houdende het ontslag van ambtswege met ingang van 1 februari 2005 op te leggen. In die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing en die met een op 28 januari 2005 ter post aangetekend verzonden zending aan verzoeker wordt betekend wordt, bijkomend, op het verweerschrift gerepliceerd als volgt : IX-4841-7/32 “
- Bijkomend onderzoek van het verweerschrift Het college heeft een eerste maal kennis genomen van het uitgebreid verweerschrift van inspecteur K. DEPREYTERE tijdens de zitting van het college van 7 januari
- De middelen die daarin zijn ontwikkeld hebben, samengevat, betrekking op: - de beslissing houdende de intrekking van de beslissing en de aankon- diging van de herneming van de procedure met de beslissing van de HTO van 22 december 2004; - de motivering opgenomen in voormelde beslissing om af te wijken van het advies van de tuchtraad; - de delegatie van de bevoegdheid van de GTO aan HCP DEFOOR; - de samenstelling van het dossier en de deugdelijke feitenvinding daaruitvolgend; - de onvolledigheid van het dossier en in het bijzonder het ontbreken van het stuk van 18 juli 2003; - de toerekenbaarheid en ten lastelegging van de feiten; - een verwijzing naar de procedurebezwaren aangehaald voor de tucht- raad; - de disproportie van de voorgestelde maatregel. Het verweerschrift herhaalt in essentie de middelen die zijn ontwikkeld voor de tuchtraad, die door de tuchtraad zijn onderzocht en met bijgaand advies zijn overgemaakt aan de hogere tuchtoverheid in het Nr. VTH/03-30 op 20 februari 2004, ontvangen op 25 februari 2004 en supra zijn beantwoord. Het college wenst echter nog uitdrukkelijk het volgende te expliciteren naar aanleiding van voormeld verweerschrift en weerlegt dit als volgt:
- Ten onrechte betwist dhr. DEPREYTERE de tuchtbevoegdheid en tuchtrechtsmacht van het Politiecollege. Het feit dat dhr. DEPREYTERE de politiezone in burgerlijk kortgeding heeft gedagvaard, kan op geen enkele wijze van aard zijn om tuchtrechtelijke verdere afhandeling onmogelijk te maken. Een tuchtrechtelijk vervolgde vermag niet door het instellen van welkdanige vordering ook, verdere tuchtrechtelijke afhandelingen onmogelijk te maken. De door dhr. DEPREYTERE vermelde “mogelijkheden van wrakingen en dergelijke meer” mogen er verder nooit toe leiden, dat de tuchtrechte- lijke afhandeling zelf niet meer mogelijk zou zijn. Het feit dat dhr. DEPREYTERE zelf de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het politiecollege in vraag stelt, is bovendien op zichzelf evenmin van aard om de bevoegdheid van het politiecollege in het gedrang te brengen.
- Ten onrechte beroept dhr. DEPREYTERE zich op het beginsel ‘non bis in idem’. Na het arrest van de Raad van State dd. 22 november 2004, ter kennis gebracht op 30 november 2004, is het tuchtbesluit dd. 23 april 2004, bij besluit dd. 22 december 2004 ingetrokken. Op 22 december 2004 is evenzeer besloten om de tuchtprocedure te hernemen vanaf het ogenblik van ontsporing. Er valt dan ook niet in te zien hoe er kan geponeerd worden dat er sprake zou zijn van ‘bis in idem’. De tuchtprocedure zelve wordt zondermeer verdergezet.
- De notulen van de vergadering dd. 22 december 2004 zijn ter kennis gebracht van partij DEPREYTERE. Dhr. DEPREYTERE is van meet af aan op de hoogte gesteld van het feit dat de tuchtprocedure hernomen werd vanaf het ogenblik van ontsporing. Er valt dan ook niet in te zien waarop de heer DEPREYTERE zich baseert om te poneren dat hij daaromtrent geen discussie zou kunnen voeren, wat hij overigens toch doet, met de volstrekt verkeerde stellingen dat het politiecollege geen IX-4841-8/32 bevoegdheid meer zou hebben of zich zou bezondigen aan het tweemaal opleggen van een sanctie voor dezelfde feiten.
- De heer DEPREYTERE stelt dat de mogelijkheid om een verweernota op te stellen, slechts zou getuigen van een pro forma uiting van de rechten van verdediging. De tuchtwet dient zondermeer te worden toegepast en het toeschrijven van intentieprocessen aan het politiecollege, is ongegrond en ook volstrekt zinloos. Dhr. DEPREYTERE heeft zijn verweer, overigens bijzonder uitvoerig, ontwikkeld, het verweer wordt onderzocht en de middelen en argumen- taties van dhr. DEPREYTERE worden door het college getoetst, ook al geeft dhr. DEPREYTERE op pagina 4 van zijn verweerschrift aan dat hij zijn opmerkingen louter voor de volledigheid geeft.
- De heer DEPREYTERE geeft aan dat ‘alle door hem aangegeven argumenten, zowel mondeling als schriftelijk voor het politiecollege en de tuchtraad, zowel als voor de Raad van State’ volledig zouden hernomen worden. Het in te dienen verweerschrift dient precies de verweermiddelen op te geven en dient er niet van uit te gaan als zou er geen volledige procedure zijn gevoerd waar elk argument ten gepasten tijde is onderzocht. Het is overigens ondoenbaar om te pogen te reconstrueren wat er mondeling zou gepleit zijn voor de tuchtraad, voor de Raad van State, enzovoort. Het verweerschrift wordt dan ook onderzocht in de mate er in het verweerschrift zelf middelen worden ontwikkeld. Er mag uiteraard niet verwacht worden van het politiecollege dat het politiecollege zelf argumenten zou gaan distilleren uit de vroegere mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen van de heer DEPREYTERE. Het politiecollege erkent uiteraard wel dat het aan de heer DEPREYTERE vrijstaat om duidelijk aan te geven dat hij volhardt in al hetgeen hij in de procedures vroeger ooit heeft beweerd, zonder dat daarom in huidig besluit zou moeten opnieuw ingegaan worden op alles wat ooit zou kunnen beweerd zijn.
- Onder ‘III. Algemeen’ wordt de gehele tuchtprocedure in zeer algemene termen als onaanvaardbaar bestempeld. Het politiecollege kan enkel herhalen dat de ingeroepen feiten door het politiecollege tuchtrechtelijk zijn onderzocht en beoordeeld en dat er ten onrechte op overigens bijzonder vage wijze beweerd wordt dat er andere bedoelingen zouden bestaan of dat er ‘achterliggende redenen die nog steeds niet ter berde gekomen zijn’, en die overigens in het verweer- schrift niet ‘ter berde’ komen, zouden bestaan. Onder deze algemene beweringen wordt er ook detailkritiek uitgebracht m.b.t. de delegatie, kritiek die verder zal onderzocht worden bij de behandeling van het middel zelf. Het feit dat een advies van de tuchtraad aan een rechtspersoon dient gericht te worden door toedoen van een fysieke persoon, is nu eenmaal eigen aan het wezen van een rechtspersoon zelf, en strekt uiteraard niet tot enige schending van artikel 28 van de wet van 13 mei
- Een onvolkomen verwijzing naar de ingetrokken intentienota is natuurlijk al evenzeer irrelevant.
- De heer DEPREYTERE poneert ten onrechte dat de rechten van verdediging in het gedrang zouden gebracht zijn omdat er geen twee aparte dossiers, die dan volstrekt gelijk zouden zijn, zijn aangelegd. De heer DEPREYTERE heeft samen met de heer DEJONGHE een aantal feitelijkheden begaan zodat er niet valt in te zien hoe de rechten van verdediging of de discretieplicht zouden geschonden worden, door IX-4841-9/32 weergave van de stukken m.b.t. feitelijkheden die van begin tot einde samen zijn begaan. Onbegrijpelijk is de verwijzing naar politiediensten, parketten en onderzoeksrechters. De strafdossiers inzake misdrijven worden precies niet opgesplitst per dader, mededader en medeplichtige, precies omdat dit tot onoverkomelijke organisatorische problemen zou leiden en precies omdat het de rechten van verdediging zou schenden als de mededaders en/of medeplichtigen niet in de mogelijkheid zouden zijn om discussie te voeren m.b.t. de respectievelijke verantwoordelijkheden. In concreto valt er overigens niet in te zien hoe de rechten van verdedi- ging van de heer DEPREYTERE zouden geschonden zijn. Door de beide tuchtzaken, m.b.t feitelijkheden die van begin tot einde samen zijn begaan, in een dossier te onderzoeken, zijn in casu op geen enkele wijze de discretieplicht en de rechten van verdediging geschonden, laat staan op een wijze die het onderzoek zou vitiëren. M.b.t. het schrijven van 18 juli 2003, kan er verwezen worden naar de hogere vermelde motivering. Er valt overigens niet in te zien hoe de heer DEPREYTERE zich kan beklagen m.b.t. het niet aan het dossier toevoegen op een gegeven ogenblik van een door de heer DEPREYTERE vermeld schrijven, waar precies de heer DEPREYTERE zelf dit stuk in het bezit had, kon voor- leggen en uiteindelijk voorgelegd heeft. Er valt ook niet in te zien wat de relevantie zou kunnen zijn van allerlei beweringen nopens het schrijven dat door CP CREPEL aan de politie- zone is bezorgd. Dit schrijven is duidelijk en allerlei fantasieën daarom- trent zijn niet dienend.
- Ten onrechte wordt in het verweerschrift opnieuw gesteld dat het niet rechtmatig zou zijn dat HCP DEFOOR als GTO is opgetreden. Dat overeenkomstig artikel 19 ten eerste a van de tuchtwet de korpschef inderdaad normaliter de GTO is ten aanzien van de heer DEPREYTERE. Ten aanzien van de korpschef bestaat er echter een onmogelijkheid om ten aanzien van huidige tuchtzaak als GTO op te treden. Het was hem immers onmogelijk om in structurele onpartijdigheid op te treden m.b.t. de heer DEJONGHE en bijaldien ook in het dossier ten aanzien van de heer DEPREYTERE. Want ware de korpschef opgetreden als GTO ten aanzien van de heer DEPREYTERE, dan zou de mogelijkheid rijzen dat de heer DEJONGHE poneert dat via de tuchtvervolging van de heer DEPREYTERE, de structureel niet onpartijdige korpschef hem zou willen raken. En anderzijds zou de heer DEPREYTERE desgevallend kunnen beweren dat er ten aanzien van hemzelf niet correct zou zijn opgetreden, precies met de bedoeling om de heer DEJONGHE te raken. Bovendien, dit staat buiten kijf, ware het onmogelijk om m.b.t. de tuchtfeiten waarbij de heer DEJONGHE en de heer DEPREYTERE van in den beginnen samen de feitelijkheden begingen, met aparte GTO’s op te treden. De tuchtwet voorziet niet in een specifieke en uitdrukkelijke regeling voor de gevallen waar de GTO niet kan optreden omwille van gemis aan - in casu structurele - onpartijdigheid. Het is een grondgegeven van het tuchtrecht dat de toepassing van de algemene beginselen van het behoorlijk bestuur, er niet kan toe leiden dat er een tuchtrechtelijke immuniteit zou ontstaan. Dit impliceert dat het bestuur, binnen het wettelijke kader, een oplossing dient te geven aan het probleem. De verwijzing naar artikel 831 moet in die zin gelezen worden. In zijn letterlijkheid is artikel 831 Ger. Wb. in casu niet van toepassing; maar artikel 831 Ger. Wb. voorziet in regelge- IX-4841-10/32 ving m.b.t. een toepassing van hetzelfde principe, weze het uiteraard in een jurisdictionele context. Daarbij verliest de heer DEPREYTERE uit het oog dat de tuchtwet er in voorziet dat de GTO desgevallend zeer snel kan handelen, overeen- komstig artikel 63 van de tuchtwet. Artikel 63 van de tuchtwet geeft de GTO de bevoegdheid om, voorafgaand aan enige mogelijke tussenkomst van het politiecollege, bij hoogdringendheid over te gaan tot voorlopige schorsing van een personeelslid wiens aanwezigheid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst. Deze beslissing tot voorlopige schorsing is onderworpen aan de wettelijke voorwaarde (artikel 59 Tuchtwet) dat ofwel een strafonderzoek, ofwel een tucht- onderzoek loopt. Bijgevolg moet voor een wettige toepassing van artikel 63 tuchtwet, bij hoogdringendheid, minstens een begin van uitvoering van een tuchtonderzoek worden gedaan. In toepassing van het voor- gaande werd op dezelfde dag, door de plaatsvervangende GTO HCP DEFOOR, een voorafgaand onderzoek bevolen bij wijze van eerste stap van de uitvoering van de tuchtprocedure. Dit kon enkel gebeuren mits de korpschef in casu bij verhindering op grond van een vermoeden van structurele partijdigheid, toepassing maakte van de plaatsvervanging. Dit kon niet tijdig gebeuren door een voorafgaande toepassing van artikel 46 WGP, waarbij door het politiecollege zelf een vervangende korpschef zou worden aangesteld. De heer DEPREYTERE blijft echter uit het oog verliezen dat in de nota van de GTO aan het politiecollege expliciet was aangegeven dat HCP DEFOOR optrad in plaats van de korpschef omdat de korpschef dit niet kon. Het politiecollege heeft dit optreden van de HCP DEFOOR in plaats van de korpschef uitdrukkelijk bekrachtigd. Het politiecollege had overigens enkel en alleen HCP DEFOOR kunnen aanstellen, gezien hij de enige hoofdcommissaris van politie is, die buiten de korpschef binnen de zone actief is. Dat er nog commissarissen binnen de zone actief zijn, verandert daar niets aan, gezien een commissaris geen hoofdcommissaris is. Dat een commissaris als waarnemend korpschef kan optreden als zowel de korpschef als HCP DEFOOR verhinderd zijn, is terzake al evenzeer irrelevant. Onbegrijpelijk is ook de redenering dat “wanneer een vervanger dient aangewezen te worden wegens afwezigheid wordt hij in zijn geheel vervangen en de korpschef kan dus niet een beetje afwezig zijn” volstrekt ongegrond. In casu trad HCP DEFOOR als GTO op in plaats van de korpschef, omwille van de voormelde redenen en dit optreden als GTO door HCP DEFOOR impliceert uiteraard niet dat de korpschef daardoor zijn andere taken, buiten de behandeling van huidige tuchtzaak als GTO, niet zou kunnen vervullen. Het weze herhaald dat op 6 juni 2003, op het ogenblik dat het politie- college zich uitsprak over de vraag tot bekrachtiging van voorlopige schorsing van verzoeker door HCP DEFOOR, het politiecollege impliciet, maar uiteraard zeker heeft aanvaard dat HCP DEFOOR als GTO optrad.
- Het politiecollege sluit zich uiteraard volkomen aan bij het pertinente advies van de tuchtraad m.b.t. de tenlastelegging, de toerekenbaarheid en de omschrijving van de feiten. Terzake wordt er geen middel ontwikkeld door de heer DEPREYTERE. In de mate er zou moeten geoordeeld worden dat het een middel zou vormen, quod non, dat er verwezen wordt naar de zogenaamde weigering om getuigen te horen, weze er onderstreept dat het verzamel- de feitenmateriaal ruim voldoende was voor het politiecollege om een oordeel te vormen. Op geen enkel ogenblik is overigens aangegeven IX-4841-11/32 krachtens welk getuigenverhoor er desgevallend een feit in twijfel zou kunnen getrokken worden of een toerekenbaarheid in twijfel zou kunnen getrokken worden of een omschrijving van de feiten anders zou kunnen gebeuren. Uit geen enkele element blijkt, laat staan dat een dergelijk element ooit door de heer DEPREYTERE is aangedragen, dat nog bijkomende getuigenverhoren een meerwaarde aan het onderzoek zouden kunnen verlenen.
- Onder een vierde middel wordt door de heer DEPREYTERE een amalgaan van argumenten ontwikkeld. In de mate er puur verwezen wordt naar vroegere herhalingen, zonder met precisie een verweermiddel te ontwikkelen, volstaat het te verwijzen naar hetgeen er vroeger daaromtrent is overwogen en te verwijzen naar het advies van de tuchtraad zelf. Het feit dat in de intentienota er verwezen werd naar de argumentatie van de GTO m.b.t. de voorlopige schorsing bij hoogdringendheid, houdt niet in dat enig besluit van meet af aan zou vaststaan. Dit houdt enkel in dat na de zeer uitvoerige feitengaring en de na de uitputting van de procedu- re, er bij het einde van de tuchtprocedure moet worden vastgesteld dat de ab initio aangehaalde motieven, onverkort zijn blijven bestaan. De detailkritiek m.b.t. de plaatsing van de wagen verandert daar niets aan. De heer DEPREYTERE verliest uit het oog dat het politievoertuig voor café Wielsbeke wel degelijk in volle openheid was geparkeerd en het feit dat de politiewagen voor Bora Bora enigszins verdekt was opgesteld, neemt uiteraard niet weg dat deze politiewagen nog steeds de kentekens droeg. Er valt al evenmin in te zien hoe een uithaal naar HINP Servaege, deel uitmakend van een andere politiezone trouwens, de belangen van de heer DEPREYTERE zou kunnen dienen.
- De heer DEPREYTERE stelt tevens dat niet zou bewezen zijn dat hij het korps in opspraak zou gebracht hebben en betwist, klaarblijkelijk in dezelfde lijn, de sanctiemaat. De ernstige feitelijkheden waaraan DEPREYTERE zich plichtig heeft gemaakt, zijn op zichzelf van aard om er toe te leiden dat op geen enkele credibele wijze nog kan worden opgetreden ten aanzien van of ten behoeve van de burgers van eender welke zone en het komt het personeel toe om zonder enige voorwaarde respect te moeten kunnen afdwingen hij de bevolking. Door de waardigheid waarvan de politie-ambtenaren blijk geven, moet het mogelijk zijn dat de politiedienst het vertrouwen van de burger verwerft en behoudt. Als politieman is men lid van de openbare macht en heeft men een maatschappelijk mandaat te vervullen. Het politiecollege kan niet akkoord gaan met het argument van verzoeker dat dit alles zou neerkomen op loze stellingen. Eigenlijk gaat het om de kern. De sanctiemaat van ontslag is dan ook correct. Het feit dat de tuchtraad heeft geadviseerd een andere sanctie op te leggen, neemt de bevoegdheid van het politiecollege niet weg. De tuchtwet voorziet er niet in dat de tuchtraad in plaats van het politie- college de sanctiemaat zou kunnen bepalen en de beslissingsbevoegdheid van het politiecollege terzake wordt door de tuchtwet intakt gelaten. Gezien de heer DEPREYTERE door zijn onaanvaardbaar handelen elke credibiliteit heeft verloren, zoals reeds uiteengezet, is de sanctie van ontslag de gepaste sanctie.”
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-4841-12/32 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel, ontleend aan “formele gebreken in de beslissing - schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften”, aanvoert wat volgt: overeenkomstig artikel 23 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP) wordt het politiecollege gevormd door de burgemeesters van de verschillende gemeenten die de meer- gemeentezone vormen; voornoemd artikel bepaalt tevens dat het lid van het politiecollege dat afwezig is of verhinderd, wordt vervangen overeenkomstig artikel 14 van de nieuwe gemeentewet; in casu bestaat de meergemeentezone VLAS uit de gemeenten Kortrijk, Kuurne en Lendelede, maar de beslissing van het politiecollege van 28 januari 2005 werd niet ondertekend door de burgemeester van de gemeente Lendelede, die blijkbaar ook afwezig was bij het nemen van deze beslissing; in het uittreksel van de notulen van de zitting van het politiecollege van 28 januari 2005 wordt niet vermeld dat de burgemeester van Lendelede afwezig of verhinderd was; voor zover de verwerende partij zou wijzen op de eenheid tussen de samenstelling van het politiecollege bij de kennisname van het geschil en de samenstelling van het politiecollege bij het nemen van de beslissing, dient opgemerkt dat de beslissing van het politiecollege van 13 oktober 2003 evenmin aan voormelde bepaling voldoet; aan deze kennisgeving is wel een uittreksel van de notulen van de zitting van het politiecollege van 10 oktober 2003 gevoegd; daaruit blijkt dat de burgemeester van Lendelede niet als afwezig of verhinderd werd opgegeven, zodat diens aanwezigheid overeenkomstig artikel 23 WGP vereist was om een correcte en wettelijke beslissing te kunnen nemen; er werd evenmin in zijn vervanging voorzien overeenkomstig artikel 14 van de nieuwe gemeentewet, en dit zowel wat betreft de beslissing van 10 oktober 2003 als de beslissingen van 22 april 2004 en de (thans bestreden) beslissing van 28 januari 2005; de eventuele stemmenweging binnen het politiecollege doet niets af aan de voormelde wettelijke bepalingen; de kwestieuze beslissing vertoont dan ook vormelijke gebreken die de nietigheid ervan met zich meebrengen; het komt niet toe aan het lid van de politie, dat het voorwerp uitmaakt van een tuchtmaatregel, om zelf de stemmenweging van de leden van het betrokken politiecollege na te gaan; de beslissing dient formeel aan te geven dat het betrokken lid van het politiecollege wettig verhinderd is en niet in zijn vervanging overeen- komstig artikel 14 van de nieuwe gemeentewet kan voorzien worden en dat de beslissing derhalve op wettige wijze genomen werd; bij gebreke aan dergelijke vermelding in de beslissing dient de beslissing als vormelijk in gebreke te worden beschouwd en derhalve als nietig te worden aangemerkt. 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen, samengevat, op antwoordt wat volgt : gezien de stemmenverdeling, was het voor het politiecollege mogelijk om tot besluitvorming over te gaan zonder de burgemeester van Lendelede; verzoeker weet en betwist ook niet dat de aanwezige burgemeesters over een duidelijk overwegend aandeel stemmen beschikken, vermits hij weet dat de gemeente Lendelede de allerkleinste gemeente IX-4841-13/32 is van zijn zone en de stad Kortrijk de allergrootste; artikel 30 van de tuchtwet schrijft voor dat de leden van het politiecollege die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren, niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en de stemming over de op te leggen tuchtstraf; de burgemeester van Lendelede was afwezig bij de beslissing houdende de bekrachtiging van de voorlopige schorsing, en heeft zich nadien consequent bij elke verdere stap onthouden van deelname aan het dossier; verzoeker poneert ten onrechte dat er ook nog eens zou moeten gemotiveerd worden waarom de burgemeester van Lendelede niet aanwezig was; hij meent eveneens ten onrechte dat het noodzakelijk zou zijn dat een afwezige burgemeester zou vervangen worden, vermits er enkel een vervangingsmogelijkheid bestaat; 3.3.
- Overwegende dat, overeenkomstig artikel 23, eerste lid WGP, het politiecollege van de zone VLAS bestaat uit de burgemeesters van Kortrijk, Kuurne en Lendelede; dat artikel 30 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiedienst (hierna : de tuchtwet) bepaalt dat, bij het opleggen van een tuchtstraf, de leden van het politiecollege die de hoorzittingen niet integraal hebben bijgewoond, niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en de stemming over de tuchtstraf; dat blijkens het desbetreffende proces-verbaal, het verhoor van verzoeker afgenomen is door de burgemeesters van Kortrijk en Kuurne; dat, aangezien de burgemeester van Lendelede niet op de hoorzitting van 10 oktober 2003 aanwezig was, hij niet mocht deelnemen aan het besluitvormingsproces over de tuchtstraf die aan verzoeker zou opgelegd worden; dat in de huidige stand van de rechtspleging niet wordt ingezien op welke wijze het niet verwijzen, in de notulen van de vergadering, naar de wettige verhindering van de burgemeester van Lendelede de rechtsgeldigheid van de genomen tuchtstrafbeslissing zou kunnen aantasten; 3.3.
- Overwegende dat, naar luid van artikel 23, derde lid, WGP, het afwezige of verhinderde lid van het politiecollege vervangen wordt overeenkomstig artikel 14 van de nieuwe gemeentewet, dat naar luid van artikel 24, eerste en tweede lid WGP elke burgemeester in het politiecollege over een aantal stemmen beschikt naar evenredigheid van de dotatie die zijn gemeente in de politiezone inbrengt en dat het politiecollege slechts geldig kan beraadslagen en beslissen wanneer de meerder- heid van de stemmen vertegenwoordigd zijn en dat artikel 24, derde lid, bepaalt dat het politiecollege beslist bij meerderheid van stemmen; dat die bepalingen niet inhouden dat het politiecollege slechts rechtsgeldig kan beraadslagen en beslissingen nemen wanneer alle burgemeesters eraan deelnemen; dat die bepalingen ook de verplichting niet instellen om een afwezig of verhinderd lid te vervangen; dat verzoeker niet betwist dat het politiecollege, bestaande uit de burgemeester van Kortrijk en Kuurne, vanuit het oogpunt van de stemmenweging, rechtsgeldig kon vergaderen en beslissen, terwijl geen bepaling van de WGP voorschrijft dat elke beslissing ervan moet doen blijken dat de aanwezige burgemeesters over voldoende stemmen beschikken opdat het college rechtsgeldig zou kunnen beraadslagen; IX-4841-14/32 3.
- Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel, ontleend aan bevoegdheidsoverschrijding, uiteenzet wat volgt : - op 4 juni 2003 heeft hoofdcommissaris van politie DEFOOR (hierna: de directeur- personeel), verzoeker overeenkomstig artikel 63 van de tuchtwet bij dringende noodzakelijkheid geschorst en het politiecollege heeft die beslissing op 6 juni 2003 bekrachtigd; daarbij werd voornoemd artikel geschonden, aangezien hij een eerste maal werd verhoord vóór de beslissing tot voorlopige schorsing, zodat het geen verhoor inzake de tuchtprocedure betrof, en aangezien het latere verhoor - waarvan artikel 63 van de tuchtwet vereist dat dit onverwijld zou gebeuren - pas op 31 juli 2003 plaats vond; - naar luid van artikel 19 van de tuchtwet, is de korpschef zijn gewone tuchtover- heid; op 4 juni 2003 heeft de korpschef een beslissing genomen tot bevoegdheids- delegatie aan de directeur-personeel; een dergelijke bevoegdheidsdelegatie is niet voorzien in de tuchtwet; delegatie op basis van artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek (wraking) is evenmin voorzien in de tuchtwet; dat artikel kan derhalve geen toepassing vinden; de beslissing van 4 juni 2003 van de korpschef is dan ook onwettig; de daaruit voortvloeiende onderzoekshandelingen en de daarop steunende stukken en documenten zijn eveneens onwettig en moeten als nietig worden geweerd; krachtens artikel 33 van de Grondwet kan enkel een overheid die een bevoegdheid toekent de delegatie ervan toestaan; de gewone tuchtoverheid beschikt niet over de bevoegdheid om haar wettelijke tuchtbevoegdheid te delegeren aan één van zijn personeelsleden; derhalve is ook dat grondwetsartikel miskend; - de korpschef verwijst naar artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek; in de thans bestreden beslissing geeft de verwerende partij expliciet toe dat voornoemd artikel niet van toepassing is, maar wel het principe van dat artikel; vermits de tuchtwet- geving als uitzonderingsrecht strikt moet geïnterpreteerd worden, mogen evenwel geen principes gehanteerd worden die in de juridisdictionele context van toepassing zijn; - de redengeving tot bevoegdheidsdelegatie kan niet worden aanvaard, vermits de korpschef verwijst naar problemen in het verleden met inspecteur DEJONGHE waar verzoeker geen uitstaans mee heeft; de korpschef had ten overstaan van verzoeker dan ook geen reden tot wrakingen; er was evenmin een reden om zijn bevoegdheid te delegeren; de uitleg in de bestreden beslissing dat het de korpschef onmogelijk was om in structurele onpartijdigheid op te treden met betrekking tot DEJONGHE en bijaldien ook in het dossier ten aanzien van verzoeker, gaat niet op vermits het niet is omdat er een onpartijdigheidsprobleem zou kunnen hebben bestaan ten aanzien van DEJONGHE dat de korpschef zich diende te wraken voor wat verzoeker betreft; in zoverre in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het buiten kijf staat dat er ten aanzien van de feiten onmogelijk met twee gewone IX-4841-15/32 tuchtoverheden kon opgetreden worden, ziet verzoeker niet in waarin die onmogelijkheid zou kunnen bestaan, vermits er zich weliswaar feitelijkheden samen hebben voorgedaan maar er aparte tuchtdossiers dienden te bestaan; - de verwerende partij gaat voorbij aan het feit dat de delegatie van de tuchtbevoegdheid losstaat van de aanstelling van de onderzoekers; dat de gewone tuchtoverheid verschillend zou zijn doet daar niets aan af; bovendien
(1)was de gewone tuchtoverheid niet verplicht bij hoogdringendheid een beslissing te nemen maar heeft zij daar zelf voor gekozen, zodat de miskenning van de regels die zij daar noodzakelijkerwijze uit afleidt niet aan verzoeker ten kwade kan worden geduid,
(2)moet die voorgewende hoogdringendheid in vraag worden gesteld omdat de beweerde feiten reeds dateerden van 17 mei 2003,
(3)verwijst de verwerende partij ten onrechte naar de hoogdringendheid van de beslissing tot voorlopige schorsing om aan te geven dat de delegatie noodzakelijk was, vermits de gewone weg van de schorsing had kunnen bewandeld worden,
(4)bestond de hoogdringendheid er enkel in om de beslissing van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel regelmatig te kunnen nemen, en is het niet omdat de mogelijkheid werd gecreëerd om bij hoogdringendheid een ordemaatregel te nemen naar aanleiding van een tuchtvervolging dat er eveneens een mogelijkheid werd gecreëerd om deze tuchtvervolging eveneens bij hoogdringendheid en met miskenning van de regels terzake in te stellen,
(5)kan de voorgewende onmoge- lijkheid om het politiecollege snel bijeen te roepen in de huidige maatschappelijke context niet aanvaard worden, en doet die weinig geloofwaardige stelling niets af aan het feit dat de delegatie on(grond)wettelijk is en was; - indien de korpschef meende dat de sereniteit van het onderzoek in het gedrang zou kunnen komen, dan komt het hem voor dat de delegatie aan een ander lid van het korps, tevens ondergeschikte, en daarna nog eens de aanstelling van een onderzoeker, eveneens ondergeschikte, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid eveneens in het gedrang brengt, zodat de enige mogelijke wettelijke stap was toepassing te maken van artikel 27 van de tuchtwet; pas naar aanleiding van het advies van de tuchtraad (waarin wordt gesteld dat er een onwettige delegatie was en dat in het tuchtdossier weinig gegevens worden aangereikt ter ondersteuning van die beslissing) heeft de verwerende partij de delegatie toegelicht; achteraf een dossier samenstellen en gegevens meedelen schendt het beginsel van behoorlijk bestuur, is een miskenning van de rechten van verdediging en toont bovendien de vermenging van de machten en de bevoegdheidsoverschrijding aan, vermits het politiecollege zich uitput om de handelingen en beslissingen van de korpschef te verantwoorden, toe te lichten en te interpreteren; - er is een duidelijke symbiose en verstrengeling geweest tussen de verschillende overheden, hetgeen de onpartijdigheid en onafhankelijkheid in het gedrang heeft gebracht; - de stelling dat de directeur-personeel de enige persoon was die nuttig als plaatsvervanger had kunnen aangewezen worden faalt in feite, vermits uit de door verzoeker neergelegde stukken blijkt dat zowel commissaris VINCKE als IX-4841-16/32 commissaris MAES als waarnemend korpschef kunnen optreden en opgetreden zijn; Overwegende dat verzoeker ten slotte in het kader van dit middel ook nog de oorspronkelijke ordemaatregel van schorsing bij hoogdringendheid in vraag stelt, meer bepaald nu het politiecollege deze maatregel aangrijpt om de delegatie met miskenning van de wet en de Grondwet te verantwoorden; dat hij een aantal argumenten aanvoert waaruit zou moeten blijken dat de ordemaatregel van 4 juni 2003 onwettig is, onder meer het feit dat de directeur-personeel pas op 5 juni 2003 de voorafgaande onderzoekers aanstelde, zodat er pas vanaf dan sprake was van enig tuchtonderzoek. 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmer- kingen wat het optreden betreft van de directeur-personeel als gewone tuchtoverheid, verwijst naar de argumentatie die naar aanleiding van het door verzoeker ingediend verweerschrift in de bestreden beslissing is opgenomen, naar haar verweer in de zaak A.151.375/IX-4511, zaak waarin verzoekers collega DE JONGHE de schorsing vorderde van het besluit van 22 april 2004 waarbij hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege werd opgelegd met ingang van 30 april 2004, en naar het arrest nr. 136.164 van 18 oktober 2004, waarin het optreden van de directeur-personeel als gewone tuchtoverheid niet als strijdig met de artikelen 19 en 27 van de tuchtwet werd aanzien. Overwegende dat de verwerende partij ook nog stelt : - dat de directeur-personeel de enige hoofdcommissaris is naast de korpschef, dat de door verzoeker genoemde personen commissarissen zijn, die als vervanger van de korpschef zullen optreden als niet alleen de korpschef maar ook de directeur- personeel aanwezig zijn en dat dan ook niet valt in te zien hoe dit argument de belangen van verzoeker zou kunnen dienen; - dat het optreden van de korpschef ook in het geval van verzoeker op evidente wijze tot verwijten van structurele partijdigheid zou hebben geleid, aangezien het zo goed als ondenkbaar is dat met betrekking tot twee inspecteurs die samen feiten hebben gepleegd, er twee aparte gewone tuchtoverheden zouden optreden; 4.3.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 19, 1/, a, van de tuchtwet de gewone tuchtoverheid voor verzoeker de korpschef is; dat artikel 32, eerste lid, van de tuchtwet aan de gewone tuchtoverheid de opdracht geeft om, eventueel na onderzoek, een inleidend verslag op te maken wanneer zij feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken vaststelt of er kennis van krijgt; dat artikel 63 van de tuchtwet de gewone tuchtoverheid de bevoegdheid verleent om het personeelslid, in geval van dringende noodzakelijkheid, bij ordemaatregel voorlopig te schorsen; dat in dit geval IX-4841-17/32 de korpschef al zijn bevoegdheden gedelegeerd heeft aan de directeur-personeel wegens de moeilijkheden die hij had gehad met de collega van verzoeker die betrokken was bij de feiten welke tot de tuchtvervolging aanleiding hebben gegeven; 4.3.
- Overwegende dat artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek de rechter ertoe verplicht zich van de behandeling van een zaak te onthouden wanneer tegen hem een reden van wraking bestaat; dat die regel, die de neerslag is van het onpartijdigheidsbeginsel, ook van toepassing is in tuchtzaken tegen ambtenaren, in zoverre die toepassing de uitoefening van de tuchtbevoegdheid niet onmogelijk maakt; 4.3.
- Overwegende dat wel nagegaan moet worden of de oplossing, die het bestuur in een concrete aangelegenheid gegeven heeft aan het probleem van de mogelijke partijdigheid van een zijner organen, verenigbaar is met de door de tuchtwet en de WGP vastgelegde bevoegdheden van de verschillende organen die binnen dat bestuur beslissingsbevoegdheid bezitten; 4.3.3.
- Overwegende dat verzoeker laat gelden dat, toen de kopschef de directeur-personeel aanstelde en toen deze laatste de onderzoekers aanstelde, zij konden weten dat de zaak niet met de nodige sereniteit afgehandeld zou worden, zodat “de enig mogelijke wettelijke stap was toepassing te maken van artikel 27 Tuchtwet”; dat artikel 27 van de tuchtwet de tuchtoverheid toelaat, wanneer zij daarvoor ernstige redenen heeft, een tuchtonderzoek niet toe te vertrouwen aan de hiërarchische overheid, maar daarvoor een beroep te doen op de algemene inspectie van de federale en de lokale politie; Overwegende dat, in zoverre verzoeker de toepassing van artikel 27 van de tuchtwet ziet als “de enig mogelijke wettelijke stap” om de korpschef als gewone tuchtoverheid te vervangen, opgemerkt dient te worden dat die bepaling alleen betrekking heeft op het voeren van het onderzoek en dat zij niets zegt over de vervanging van de wettelijk aangeduide tuchtoverheid zelf; dat, in zoverre verzoeker de toepassing van artikel 27 ziet als “de enig mogelijke wettelijke stap” om het onderzoek met de vereiste sereniteit te laten verlopen, opgemerkt dient te worden dat die bepaling het onderzoek door de inspectie instelt als een mogelijkheid voor de tuchtoverheid wanneer zij oordeelt dat ernstige redenen zulks verantwoorden en dat het niet gebruik maken van die mogelijkheid bezwaarlijk als een vorm van bevoegdheidsoverschrijding lijkt te kunnen worden aangemerkt; dat overigens, wat dat betreft, vastgesteld lijkt te kunnen worden dat verzoeker nagelaten heeft om, in toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeels- leden van de politiediensten, aan de bevoegde tuchtoverheid te vragen dat het onderzoek zou gevoerd worden door de inspectie en niet door de hiërarchische IX-4841-18/32 overheid en dat hij tijdens zijn verhoor van 31 juli 2003 ook zonder enig voorbehoud kennis genomen heeft van de aanstelling van de voorafgaande onderzoekers; 4.3.3.
- Overwegende dat artikel 46 WPG bepaalt dat, bij afwezigheid of verhindering van de korpschef, het politiecollege onder de leden met de hoogste graad de vervangende korpschef aanwijst; dat de Raad van State, in het arrest nr. 136.164 van 18 oktober 2004 inzake DE JONGHE -overweging 3.3.3.5- gewezen heeft dat het beletsel om het dossier van de betrokkene -de collega van verzoeker naar wie het delegatiebesluit van 4 juni 2003 verwijst- te behandelen teneinde de schijn van partijdigheid te vermijden voor de korpschef een geval van morele verhindering uitmaakt, dat het derhalve aan het politiecollege toekwam een vervangende korpschef aan te wijzen, dat dit niet gebeurd is, maar dat deze formele tekortkoming, rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak, niet beschouwd kon worden als een inbreuk op artikel 19 en 27 van de tuchtwet, noch op artikel 33 van de Grondwet, aangezien de aangelegenheid onmiskenbaar hoog- dringend was en een bijeenroeping van het politiecollege niets anders dan vertraging met zich gebracht zou hebben, aangezien het politiecollege geen andere beslissing had kunnen nemen dan de korpsoverste, aangezien de directeur-personeel binnen het korps de enige politieambtenaar is die de graad van hoofdcommissaris bezit en aangezien uit het verloop van de feiten blijkt dat het politiecollege impliciet maar zeker de delegatiebeslissing van de korpschef heeft aanvaard; dat de verwerende partij in het bestreden besluit die overwegingen overgenomen heeft met daarbij nog de bijkomende bedenking dat de onmogelijkheid voor de korpschef om in het dossier DE JONGHE op te treden met zich bracht dat hij ook in het dossier van verzoeker niet kon optreden; Overwegende dat verzoeker kritiek levert op die motivering, inzonderheid doordat de problemen tussen de korpschef en DE JONGHE niet moesten beletten dat zijn dossier op de gewone wijze behandeld zou worden; dat evenwel te dien aanzien vastgesteld wordt dat verzoeker en DE JONGHE één patrouille vormden en samen de ten laste gelegde feiten hebben gepleegd, dat deze feitelijke verwevenheid van de zaak één onderzoek vereiste terwijl de aanwijzing van onderzoekers door de bevoegde tuchtoverheid moet gebeuren, zodat het opsplitsen van de tuchtvervolgingen in ieder geval het onderzoek en de tuchtprocedures gehinderd zou hebben; dat in die omstandigheden de beslissing van de korpschef om zijn bevoegdheid ook voor het tuchtdossier van verzoeker te delegeren gerecht- vaardigd overkomt; Overwegende dat verzoeker betwist dat de beslissing van het politiecollege niet anders had kunnen luiden dan de beslissing van de korpschef omdat ook commissarissen als waarnemend korpschef kunnen optreden; dat evenwel zulks slechts mogelijk is wanneer er in het korps geen ambtenaren aanwezig zijn die de graad van hoofdcommissaris bezitten, wat hier niet het geval is; IX-4841-19/32 Overwegende dat verzoeker ook de hoogdringendheid van de delegatiebeslissing van 4 juni 2003 in vraag stelt; dat evenwel de Raad van State bij zijn standpunt blijft dat het bijeenroepen van het politiecollege tijdverlies met zich brengt en dat zulks in dit geval diende voorkomen te worden, inzonderheid omdat het bestuur van oordeel was dat een preventieve schorsing bij hoogdringendheid genomen moest worden en omdat dringend een voorafgaand onderzoek uitgevoerd diende te worden; Overwegende dat verzoeker wel ook de hoogdringendheid van de hem op 4 juni 2003 opgelegde preventieve schorsingsmaatregel in vraag stelt, maar dat de onregelmatigheid ervan niet relevant bij de onderhavige zaak kan worden betrokken aangezien het om afzonderlijke procedures gaat waartegen verzoeker overigens een afzonderlijke vordering ingesteld heeft; 4.3.
- Overwegende ten slotte dat verzoeker in zijn betoog ook gewag maakt van de schending van “het beginsel van behoorlijk bestuur”, van de miskenning van zijn rechten van verdediging, van een vermenging van de machten en van het in het gedrang komen van het onpartijdigheids- en het onafhankelijkheidsbeginsel; dat evenwel die wettigheidsbezwaren losstaan van de in het tweede middel aan de orde gestelde vraag of de beslissing van de korpschef om zijn tuchtbevoegdheid te delegeren door bevoegdheidsoverschrijding aangetast is; 4.
- Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in het derde middel, geput uit de schending van het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel, aanvoert “dat het vooronderzoek niet onpartijdig en onafhankelijk gevoerd werd en dat de onpartijdig- heid en onafhankelijkheid van de betrokken onderzoekers en verschillende overheden in het gedrang komt”; dat hij het middel als volgt adstrueert : IX-4841-20/32 - commissaris BILLIOUW is opgetreden in de procedure van de voorlopige schorsing, in het voorafgaand onderzoek en als algemeen dossierbeheerder; de vermelding van zijn naam of initialen op ieder document van het dossier wijst op zijn betrokkenheid bij iedere handeling gesteld door de korpschef, door de gedelegeerde gewone tuchtoverheid en zelfs door het politiecollege; het is duidelijk dat het dossier van in het begin werd gestuurd door BILLIOUW; dat het voorafgaand onderzoek niet op een objectieve wijze werd gevoerd, blijkt ook uit de vaststelling dat, niettegenstaande er twee vooronderzoekers werden aan- gewezen, het verslag van het voorafgaand onderzoek enkel door BILLIOUW werd ondertekend; het is duidelijk dat BILLIOUW op eigen houtje heeft gehandeld, minstens moet worden aangenomen dat er erg onzorgvuldig te werk is gegaan; bovendien heeft BILLIOUW, na afloop van zijn verrichtingen, in zijn verslag uiting gegeven van zijn persoonlijke visie omtrent de dossiergegevens en omtrent de gewenste afloop van de procedure; - het inleidend verslag uitgaande van de hogere tuchtoverheid vermeldt de directeur- personeel als correspondent, terwijl die op dat ogenblik reeds ontlast was; daarenboven moest het dossier nog steeds in het kantoor van de gewone tuchtoverheid geraadpleegd worden; in casu zijn de gewone tuchtoverheid en de hogere tuchtoverheid de facto één persoon met name de directeur-personeel, waarbij dient opgemerkt dat deze zich heer en meester weet nu zijn beslissingen door de hogere tuchtoverheid worden bevestigd en hij zelf de documenten kan opstellen die dienen uit te gaan van het politiecollege; de directeur-personeel was trouwens aanwezig op de hoorzitting voor de tuchtraad; - de verwerende partij motiveert de thans bestreden beslissing door te verwijzen naar de motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing bij hoogdringend- heid, waarin zij onmiddellijk duidelijk heeft gemaakt dat er geen plaats meer was voor verzoeker binnen het politiewezen van de politiezone; die stelling is het beste bewijs dat verzoeker geen schijn van kans had en dat de ganse tuchtprocedure een schertsvertoning was, nu de beslissing reeds vaststond op het ogenblik dat verzoeker bij ordemaatregel voorlopig werd geschorst. 5.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt : - in casu moet worden nagegaan of er naar behoren in rechte is gehandeld; de omstandige feitenvinding tijdens het voorafgaand onderzoek heeft ertoe geleid dat de betrokken personeelsleden in de loop van het onderzoek geen enkele bijkomende onderzoeksverrichting hebben gevraagd; de onpartijdigheid van het gevoerde onderzoek werd zelfs ten zeerste geapprecieerd door de raadsman van verzoeker en formeel geacteerd; in het advies van de tuchtraad wordt het bestaan van de feiten, de toerekening ervan aan verzoeker en de omschrijving ervan integraal bevestigd; er valt niet in te zien hoe de verwijzing naar allerlei praktische regelingen als een schending van de door verzoeker ingeroepen beginselen zou IX-4841-21/32 kunnen aanzien worden; alle feitelijkheden en detailkritiek die er gegeven worden zijn als dusdanig irrelevant; dat er ten onrechte gewag wordt gemaakt van een gemis aan onpartijdigheid in hoofde van onderzoeker BILLIOUW blijkt uit ‘s Raads arrest nr. 136.164 van 18 oktober 2004; de motivering van het bestreden besluit waaruit partijdigheid zou blijken wordt uit haar context gerukt, met name de motivering met betrekking tot de strafmaat; het feit dat er, naast talloze andere argumenten, werd aangegeven dat er gereageerd werd met een voorlopige schorsing bij hoogdringendheid, impliceert niet dat daarmee het oordeel reeds gedetermineerd zou zijn, met andere woorden, dat onpartijdig onderzoek met betrekking tot de feiten niet meer mogelijk was en/of dat argumenten op elk gebied, ook op het gebied van de strafmaat, niet meer in onbevangenheid konden beoordeeld worden. 5.3.
- Overwegende dat uit geen van de door onderzoeker BILLIOUW in het kader van dit dossier gestelde handelingen opgemaakt kan worden dat hij zich ooit vooringenomen tegen verzoeker gedragen zou hebben of dat hij zijn opdrachten gedurende het onderzoek partijdig zou hebben uitgevoerd; dat het feit dat hij op verschillende plaatsen doorheen de gevoerde tuchtprocedure een opdracht vervuld heeft -hij is opgetreden in de procedure van voorlopige schorsing, in het vooraf- gaand onderzoek; hij heeft als algemeen dossierbeheerder gefunctioneerd; zijn naam of initialen worden vermeld op documenten van de bevoegde administratieve overheden; het verslag van het voorafgaand onderzoek is door hem alleen ondertekend- niet betekent dat hij het dossier “gestuurd” heeft; dat uit geen van de door hem opgestelde documenten opgemaakt kan worden dat hij bij het uitvoeren van zijn opdracht blijk gegeven zou hebben van een partijdige opstelling tegen verzoeker; dat integendeel blijkt dat hij zelfs onderzocht heeft of het niet mogelijk was dat leden van een ander politiekorps de patrouille waartoe verzoeker behoorde in een slecht daglicht wou stellen en of er een conflict bestond tussen de uitbaters van de herberg Bora Bora en de politiezone Gavers; dat gewis hij niet de bevoegdheid had om zich, na afloop van zijn opdracht als aangestelde onderzoeker, uit te spreken over de gepleegde tuchtvergrijpen en over de straf die de betrokkenen verdienden, maar dat ook dat op zich het bewijs niet bevat van partijdigheid of gebrek aan onafhankelijkheid; 5.3.
- Overwegende, in zoverre verzoeker aan de tuchtoverheid een partijdige opstelling verwijt, dat het feit dat het inleidend verslag van de hogere tuchtoverheid als correspondent de lagere tuchtoverheid vermeldt en dat het dossier steeds in het bureau van de directeur-personeel gebleven is, geen gebrek aan onafhankelijkheid aantoont; dat ook de verwijzing naar de motivering betreffende de strafmaat opgenomen in het besluit waarbij verzoeker preventief geschorst wordt dat bewijs niet bevat; dat verzoeker te dien aanzien uit het oog verliest dat die motivering duidelijk verwijst naar de informatie die op dat ogenblik beschikbaar was en dat er voorbehoud gemaakt wordt ten aanzien van de correcte vaststelling van de feiten; IX-4841-22/32 5.
- Overwegende dat het middel niet ernstig is; 6.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel machtsafwending aanvoert; dat hij het bewijs daarvan vindt in de volgende gegevens: - tijdens zijn verhoor op 4 juni 2003 is hem niet gewezen op de artikelen 25 en 27 van de tuchtwet, zodat zijn verklaringen op niet loyale en listige wijze werden bekomen; - de gedelegeerde tuchtoverheid diende een bepaalde reputatie hoog te houden, gelet op zijn verschillende publicaties inzake tucht- en ordemaatregelen; om geen gezichtsverlies te lijden kan deze deskundige niet zomaar toegeven dat bepaalde fouten werden gemaakt en vooral dat een andere reden aan het ontslag ten grondslag ligt dan de loutere sanctionering van een tuchtvergrijp; tijdens de tuchtprocedure is duidelijk geworden dat het politiecollege hem nimmer zou terechtwijzen; - vermits verzoeker onder meer wegens zijn syndicale achtergrond niet erg geliefd was, stond de overheid te springen om hem uit te rangeren onder het mom van het niet functioneren binnen het korps, terwijl geen enkel concreet element zulks aantoont; - bovendien werd verzoeker geslachtofferd teneinde zijn collega DE JONGHE te kunnen aanpakken, die reeds verschillende verzoekschriften bij de Raad van State had ingediend; dit tuchtdossier vormde daartoe de ideale gelegenheid en hij deelt daarbij in de klappen; de tuchtoverheid heeft lastens DE JONGHE en noodzakelijk ook lastens hemzelf een tuchtdossier opgebouwd met maar één finaliteit voor ogen, met name het dossier zodanig sturen dat DE JONGHE uit het korps kon worden gezet; in dat verband wordt een resem “gegevens en vaststellingen” aangehaald, die voor het merendeel reeds werd aangevoerd ter ondersteuning van het derde middel. 6.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen daarop antwoordt dat zij bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid oog had voor het naar behoren functioneren van het korps, dat zulks een legitiem - en zelfs prioritair - doel is van het tuchtrecht, dat de diverse feitelijkheden die onder het vierde middel nog eens ter tafel worden gebracht bij de weerlegging van de andere middelen reeds afdoende werden weerlegd, dat die feiten in elk geval volstrekt irrelevant zijn om op grond daarvan gewag te maken van machtsafwending, dat, in zoverre verzoeker verwijst naar de tuchtsanctie van DE JONGHE, de enige consequentie die er op tuchtrechtelijk vlak uit diens specifieke situatie kan getrokken worden is dat een grote inspanning moest worden gedaan om een objectief waarneembare structurele partijdigheid te vermijden (hetgeen ook is gebeurd), en dat bij alle beweringen dat er een dossier zou opgebouwd zijn nooit wordt aangehaald welk feit er dan wel uit de lucht zou gegrepen zijn, terwijl die feiten duidelijk voor zichzelf spreken; IX-4841-23/32 6.
- Overwegende dat enkel tot het bestaan van machtsafwending besloten kan worden wanneer blijkt dat de overheid de bevoegdheid die de wet haar heeft toegekend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt heeft -en exclusief gebruikt heeft- om een ander doel te verwezen- lijken; 6.3.
- Overwegende dat verzoeker de frauduleuze bedoeling van de verwerende partij afleidt uit het feit dat hij tijdens het verhoor van 4 juni 2003 niet gewezen werd op de artikelen 25 en 29 van de tuchtwet; dat evenwel te dien aanzien opgemerkt moet worden dat artikel 25 van de tuchtwet slechts geldt voor personeels- leden die niet het voorwerp uitmaken van tuchtrechtelijke onderzoeksdaden waarbij zij betrokken worden -wat voor verzoeker niet het geval was- en dat het verhoor waaraan verzoeker refereert niet kaderde in een tuchtprocedure waarop artikel 29 van de tuchtwet van toepassing is, maar dat het verband hield met de preventieve schorsing die tegen verzoeker overwogen werd en die geregeld is door een afzonderlijk hoofdstuk VI van de tuchtwet; dat derhalve, aangezien verzoeker ten onrechte aan het bestuur de miskenning van de genoemde wetsbepalingen verwijt, er ook geen argument in kan gevonden worden om machtsafwending te bewijzen; 6.3.
- Overwegende dat het argument dat de verwerende partij niet concreet aantoont dat verzoeker niet meer kan functioneren binnen het politiekorps, evenmin het bewijs van machtsafwending bevat; dat er hoogstens mee bewezen wordt dat de verwerende partij haar tuchtbevoegdheid op onregelmatige wijze uitgeoefend heeft; dat de overige ‘gegevens en vaststellingen’ die door verzoeker worden aangehaald, en die met name teruggaan op de partijdigheid die een aantal politieambtenaren bij de besluitvorming in zijn zaak ten toon gespreid zouden hebben, evenmin de nauwkeurige en overeenstemmende gegevens vormen waaruit in redelijkheid kan opgemaakt worden dat het de uitsluitende bedoeling was hetzij verzoeker, hetzij zijn collega DE JONGHE om andere dan tuchtredenen uit de dienst te verwijderen; 6.
- Overwegende dat het middel niet ernstig is; 7.
- Overwegende dat verzoeker een vijfde middel steunt op de “schending van de wet” en daarvoor verwijst naar de overige middelen uit zijn verzoekschrift; 7.
- Overwegende dat de “summaria cognitio” waarmee de Raad van State van vorderingen tot schorsing kennis neemt, er zich tegen verzet dat de organen van de Raad in de plaats van een verzoeker de middelen onderbouwt of op elkaar betrekt; dat het middel niet ontvankelijk is; IX-4841-24/32 8.
- Overwegende dat verzoeker in een zesde middel de schending van de motiveringsverplichting aanvoert; dat hij terzake uiteenzet wat volgt : - het bewijs van de laakbare feiten in hoofde van verzoeker ligt niet voor; - de verwijzing, in nogal vage en algemene bewoordingen, naar het “belang van de dienst” kan niet als een afdoende motivering worden aanzien; - ondanks de door de Inspecteur-generaal en de tuchtraad vastgestelde afwezigheid van afdoende en pertinente motieven om te spreken van een definitieve vertrou- wensbreuk beslist de verwerende partij toch het ontslag van ambtswege op te leggen omdat de feiten aanleiding hebben gegeven tot een definitieve vertrouwens- breuk, terwijl geen concrete, objectieve, bewezen en relevante gegevens worden aangereikt die deze vertrouwensbreuk kunnen motiveren; uit de bestreden beslissing blijkt niet onomstotelijk dat verzoeker op basis van de tenlasteleggingen geen taak als politieagent zou kunnen uitoefenen en om welke redenen een andere zware tuchtsanctie geen voldoende signaal zou kunnen zijn; daarenboven heeft verzoeker tussen het tijdstip van de ten laste gelegde feiten en de datum waarop hij voorlopig werd geschorst nog drie weken perfect gefunctioneerd, terwijl “de tam-tam nochtans reeds zijn werk had gedaan”; - de verwerende partij neemt gewoon de motivering over van de beslissing tot voorlopige schorsing, die evenwel genomen was zonder kennis van alle gegevens van het dossier; daarenboven geeft de verwerende partij met haar motivering te kennen dat zij in die beslissing onmiddellijk duidelijk heeft gemaakt dat er voor verzoeker geen plaats meer is binnen het korps aan dat hij geen schijn van kans had en dat de ganse tuchtprocedure een schertsvertoning was; - de verwerende partij motiveert de huidige strafmaat op dezelfde wijze als in haar beslissing van 22 april 2004, terwijl verwacht mag worden dat zij voor dezelfde feiten, maar zonder dat zij rekening kan en mag houden met het uitgewist tuchtverleden van verzoeker, een specifieke motivering geeft waarom zij van oordeel is dat de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege moet worden opgelegd; - het is nog steeds de uitgewiste tuchtstraf welke expliciet, minstens impliciet, aan de basis ligt van de thans bestreden beslissing, vermits daarin verwezen wordt naar de motieven opgenomen in de verschillende stukken van het dossier zoals het verslag van het voorafgaand onderzoek en het voorstel van zware tuchtstraf, waarin wel degelijk rekening gehouden wordt met de tuchtstraf uit 1990; - in de bestreden beslissing wordt ten onrechte overwogen dat verzoeker nooit iets heeft gezegd met betrekking tot het horen van getuigen; verzoeker verwijst in dat verband naar (en citeert uitgebreid uit) zijn verweerschrift van 10 oktober 2003 en naar zijn memorie voor de tuchtraad, waarin hij de in zijn verweerschrift aangevoerde argumenten heeft herhaald; het is dan ook erg ongeloofwaardig en weinig ernstig om thans voor te houden dat verzoeker nooit zou hebben aangegeven dat er getuigen dienden te worden gehoord en waarom deze getuigen belangrijk waren voor de waarheidsvinding in en de beoordeling van zijn tuchtzaak; IX-4841-25/32 8.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt : - verzoeker duidt als de geschonden rechtsregel artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 aan, maar bij de toelichting van zijn middel valt er eigenlijk niets terug te vinden met betrekking tot de formele motivering; het middel is dan ook niet ontvankelijk; - in zoverre verzoeker verwijst naar het advies van de tuchtraad, kwam het de verwerende partij uiteraard toe om, na ontvangst van dat advies, desgevallend uitvoeriger formeel te motiveren; - de verwijzing naar het motief dat reeds werd ingeroepen om bij hoogdringendheid een beslissing te nemen wordt uit zijn context gerukt; het is perfect mogelijk dat een bevinding die aanvankelijk is gemaakt, op het einde van het in objectiviteit gevoerde onderzoek en na uitputting van de procedure aangehouden wordt; verzoeker kan onmogelijk de andere geformaliseerde motieven met betrekking tot de sanctiemaat ongelezen laten; - wat het beweerdelijk toch nog rekening houden met de antecedenten betreft, is er in het besluit effectief verwezen naar vroegere procedurele stappen, maar is er al evenzeer aangegeven dat de stukken die van aard zouden zijn om de procedure te vitiëren, uit het dossier werden verwijderd; - wat verzoekers kritiek betreft op de formele motivering in verband met het niet ingaan op de vraag tot bijkomende getuigenverhoren, verliest hij de essentie van het motief uit het oog: er is aangegeven dat het verzamelde feitenmateriaal voldoende was om een oordeel te vellen, dat verzoeker niet heeft aangegeven krachtens welk getuigenverhoor er desgevallend een feit (of een toerekenbaarheid, of een omschrijving van de feiten) in twijfel zou kunnen worden getrokken en dat uit geen enkel element blijkt dat bijkomende getuigenverhoren een meerwaarde aan het onderzoek zouden kunnen verlenen; verzoeker weerlegt zulks niet, maar blijft allerlei veronderstellingen maken en vragen stellen die voorbijgaan aan datgene waarover het gaat, namelijk de feitenvinding die oordeelsvorming mogelijk moet maken; 8.3.
- Overwegende dat verzoeker in het middel de formele motivering van het bestreden besluit in vraag stelt en daarnaast ook opmerkingen formuleert ten aanzien van de draagkracht van de in het besluit opgenomen motieven; 8.3.
- Overwegende dat in het bestreden besluit wordt uiteengezet dat het advies van de tuchtraad wordt gevolgd wat het bestaan betreft van de feiten, de toerekening ervan aan verzoeker en de omschrijving ervan als tuchtvergrijp; dat in die zin verzoeker verantwoordelijk bevonden is voor het feit dat hij, in de nacht van 16 mei 2003 : - zich gedurende ongeveer 4 uur 30 minuten heeft onttrokken aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten; IX-4841-26/32 - tijdens de dienst, drager van het uniform en dienstwapen, alcoholische dranken heeft verbruikt, welke hoofdzakelijk aangeboden werden; - tijdens de dienst, drager van het uniform en dienstwapen, in een openbare gelegenheid geparticipeerd heeft aan activiteiten in een losgeslagen sfeer en in het bijzonder gedanst heeft met zowel vrouwen met ontbloot bovenlichaam als met mannen; - een dienstvoertuig heeft bestuurd na het gebruik van alcoholische dranken; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de feiten niet behoorlijk bewezen zijn, maar dat hij niet aantoont op welke gronden de Raad van State -binnen de grenzen van de toetsingsbevoegdheid waaraan hij zich terzake dient te houden- zijn opvatting terzake zou kunnen bijvallen; dat, in de mate hij daarvoor verwijst naar een gebrekkig onderzoek doordat niet alle getuigen gehoord zouden zijn, niet anders dan vastgesteld kan worden dat verzoeker niet aanduidt welke getuigenissen de verwerende partij, met betrekking tot het bewijs van de feiten, tot nieuwe inzichten hadden kunnen brengen; dat de in het dossier berustende stukken voldoende gegevens bevatten op grond waarvan de verwerende partij de gepleegde feiten voor bewezen mocht houden; 8.3.
- Overwegende, wat de motivering van de strafmaat betreft, dat in tegenstelling tot wat verzoeker betoogt die motivering niet beperkt is tot een vage verwijzing naar het belang van de dienst, maar dat er wel degelijk concreet in wordt uiteengezet waarom het bestuur niet kan instemmen met het advies van de tuchtraad en waarom, volgens de verwerende partij, verzoeker geen politieambtenaar meer kan zijn; dat er met name overwogen wordt dat het politiepersoneel onvoorwaardelijk respect moet kunnen afdwingen bij de bevolking, dat de politiediensten het vertrouwen van de burger moeten behouden en dat een politieman, die in dienst en in uniform, ernstige handelingen stelt, niet meer geloofwaardig kan optreden ten aanzien van de burgers; dat die uiteenzetting formeel de getroffen maatregel verant- woordt; dat zij ook inhoudelijk op afdoende wijze uiteenzet waarom verzoeker geen politieambtenaar meer kan zijn; dat de omstandigheid dat hij na het plegen van de feiten nog drie weken normaal verder gewerkt heeft, de draagkracht van die motivering niet vermindert; Overwegende dat verzoeker de motivering ook hierom gebrekkig vindt dat zij eenvoudigweg de overname zou zijn van de motivering die reeds vermeld is in de beslissing waarbij hij preventief geschorst werd; dat evenwel de omstandigheid dat het bestuur zich bij het treffen van de preventieve schorsings- maatregel voorlopig heeft uitgesproken over de verdere aanwezigheid in de dienst, niet belet dat op het einde van het onderzoek eenzelfde besluit wordt getroffen, wanneer het bestuur op grond van een onderzoek van de op dat ogenblik beschikbare gegevens tot het besluit komt -of bij het besluit blijft- dat er niet langer met de betrokkene samengewerkt kan worden; dat de omstandigheid dat reeds bij de IX-4841-27/32 preventieve schorsing standpunt was ingenomen over de nefaste gevolgen van de aanwezigheid van verzoeker in de dienst dan ook niet betekent dat de verwerende partij bij het treffen van haar eindbesluit zich niet meer deugdelijk op dat motief zou kunnen steunen; Overwegende dat verzoeker ook betoogt dat het bestreden besluit de strafmaat op dezelfde wijze verantwoordt als reeds gebeurd was in het besluit van 22 april 2004 waarmee hij een eerste keer ontslagen werd, en dat terwijl het schorsingarrest nr. 137.414 voor het bestuur een reden had moeten zijn om een nieuwe motivering op te stellen waarbij geen rekening gehouden zou worden met zijn tuchtrechtelijk verleden; dat te dien aanzien opgemerkt wordt dat het schorsingsarrest de vraag naar de regelmatigheid van een ontslagbesluit waarbij het tuchtverleden van verzoeker niet in rekening zou worden gebracht onbeantwoord gelaten heeft en dat het bestreden besluit overweegt dat de feiten van 17 mei 2003 op zichzelf volstaan om de onverenigbaarheid met de hoedanigheid van personeelslid van de politiedien- sten vast te stellen; dat aldus bekeken, het bestreden besluit wel degelijk een eigen motivering bevat die niet ingaat tegen het gezag van het schorsingsarrest; dat, waar verzoeker betoogt dat de verwerende partij zo al niet expliciet, dan toch zeker impliciet opnieuw zijn tuchtverleden bij haar beslissing over de strafmaat betrokken heeft, vastgesteld wordt dat het bestuur na het schorsingsarrest de stukken betreffende de uitgewiste tuchtsanctie uit het dossier verwijderd heeft en dat het uitdrukkelijk overweegt dat de feiten van 17 mei 2003 op zich volstaan om verzoeker buiten de politiedienst te plaatsen; dat verzoeker geen gegeven aanbrengt dat toelaat te twijfelen aan de oprechtheid van het bestuur te dien aanzien en dat zou kunnen doen vermoeden dat de leden van het politiecollege, om niet in te hoeven gaan tegen het gezag van het schorsingarrest, een redenering hebben opgezet die niet strookt met hun eigenlijke bedoeling; 8.
- Overwegende dat een en ander de Raad van State doet besluiten dat de bestreden beslissing formeel gemotiveerd is, dat de aangehaalde motieven deugdelijk zijn en steun vinden in het dossier; dat het middel niet ernstig is; 9.
- Overwegende dat verzoeker in het zevende middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel inroept; dat hij betoogt dat hij voorafgaandelijk nooit in kennis gesteld is van alle concrete feiten die hem ten laste werden gelegd -met name niet vooraleer hij op 4 juni 2003 preventief geschorst werd en ook niet vooraleer hij in juli 2003 werd gehoord, dat het tuchtonderzoek onvolledig gevoerd werd -het dossier vertoont volgens hem vele hiaten-, dat het tuchtonderzoek niet met bekwame spoed gevoerd is, aangezien de feiten dagtekenen van 17 mei 2003 en hij uiteindelijk slechts op 28 januari 2005 ontslagen is, dat de verwerende partij rekening gehouden heeft met elementen die niet in een tuchtdossier thuishoren en dat de bewijsvoering gebrekkig is; IX-4841-28/32 9.2.
- Overwegende dat artikel 38bis van de tuchtwet bepaalt dat de hogere tuchtoverheid die oordeelt dat de feiten tot een zware tuchtstraf kunnen leiden, het inleidend verslag ter kennis brengt van de betrokkene; dat dit verslag alle ten laste gelegde feiten moet vermelden; dat in dit geval uit het aan de Raad van State voorgelegd dossier blijkt dat de verwerende partij aan al die verplichtingen voldaan heeft; dat, als hoger gezegd, de kritiek die verzoeker uitbrengt ten aanzien van de beslissing waarbij hij preventief geschorst werd, niet relevant bij de onderhavige zaak betrokken kan worden; dat verzoeker met de brief van 18 juli 2003 wel degelijk op de hoogte gesteld is van de feiten waarover het tuchtonderzoek gevoerd werd; 9.2.
- Overwegende dat verzoeker aan de verwerende partij verwijt dat het tuchtonderzoek onvolledig werd gevoerd; dat bij de bespreking van de voorgaande middelen is uiteengezet dat de kritiek van verzoeker te dien aanzien niet opgaat; dat uit die uiteenzetting ook volgt dat verzoeker ten onrechte de gebrekkige bewijsvoering aanklaagt; 9.2.
- Overwegende dat de Raad van State niet inziet op welk punt van de gevoerde tuchtprocedure aan de verwerende partij een nodeloos talmen zou kunnen verweten worden; 9.2.
- Overwegende dat bij de bespreking van het zesde middel uiteengezet is dat er geen reden is om aan te nemen dat de verwerende partij bij het treffen van het bestreden besluit toch opnieuw rekening gehouden zou hebben met de uitgewiste tuchtstraf die zij voordien in haar besluitvorming betrokken had; 9.
- Overwegende dat het middel niet ernstig is, 10.
- Overwegende dat verzoeker in het achtste middel de schending aanvoert van het rechtszekerheidsbeginsel, doordat het politiecollege op 22 december 2004 besloten heeft hem terug te plaatsen in de administratieve toestand zoals deze op hem van toepassing was op 12 maart 2004 en bijgevolg te overwegen hem te plaatsen in een toestand van voorlopige schorsing, dat die beslissing en de houding van de verwerende partij die uit deze beslissing volgt, met name het hernemen van de tuchtprocedure vanaf 12 maart 2004 met de thans bestreden beslissing tot gevolg, niet alleen onwettig is maar ook moet beschouwd worden als een manifeste schending van het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien administratieve rechtshande- lingen geen terugwerkende kracht mogen hebben, zodat de bestreden beslissing, die het gevolg is van de beslissing om verzoeker terug te plaatsen in de administratieve toestand die gold meer dan negen maand voorafgaand aan de beslissing tot intrekking, onverzoenbaar is met het beginsel van de niet-terugwerkende kracht van administratieve rechtshandelingen en meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel. IX-4841-29/32 10.2.
- Overwegende dat de beslissing van 22 december 2004 waarbij overwogen wordt verzoeker opnieuw in de administratieve toestand van de preventieve schorsing in het kader van een tuchtvervolging te plaatsen, een louter voorbereidende beslissing is in het kader van een ordemaatregel die geen uitstaans heeft met de tuchtprocedure die tot het bestreden besluit geleid heeft; dat de eventuele onregelmatigheden waarmee dat besluit aangetast zou kunnen zijn dan ook niet relevant in de onderhavige zaak betrokken kunnen worden; 10.2.
- Overwegende dat het bestreden besluit niet in de tijd terugwerkt; 10.2.
- Overwegende dat, wanneer de Raad van State een tuchtmaatregel vernietigt en de tuchtoverheid vervolgens nog de mogelijkheid heeft om de tuchtvordering te hernemen, zij aan het nieuwe tuchtstrafbesluit terugwerkende kracht kan geven; dat, in dezelfde gedachtegang de tuchtoverheid, ingeval de Raad van State een tuchtstrafbesluit schorst, de nietigverklaring van haar beslissing niet moet afwachten, maar dat zij een geschorst tuchtstrafbesluit op grond van het schorsingsarrest kan intrekken en met terugwerkende kracht een nieuw besluit kan nemen; dat het rechtszekerheidsbeginsel daardoor niet geschonden wordt; 10.
- Overwegende dat het middel niet ernstig is; 11.
- Overwegende dat verzoeker in een negende middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging; dat hij betoogt dat van in den beginne zijn recht op een afdoende en volledig onderzoek miskend is, dat hij verschillende keren gevraagd heeft om stukken voor te leggen, uitleg te geven, onderzoeksdaden te stellen, getuigen te horen en zo meer, dat manifest onwettige stukken niet uit het dossier werden geweerd, dat er geen wetenschappelijke indicatie is dat hij geïn- toxiceerd was toen hij het voertuig bestuurde, dat de verwijzing naar de motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing duidelijk maakt dat hij geen schijn van kans maakte en dat de gehele tuchtprocedure een schertsvertoning geweest is; dat hij daar aan toevoegt dat ook bij het hernemen van de tuchtprocedure zijn rechten van verdediging geschonden zijn, aangezien die herneming gebeurde op een voor de verwerende partij gunstig ogenblik; 11.
- Overwegende dat de door verzoeker aangebrachte argumenten reeds beantwoord zijn bij de bespreking van de voorgaande middelen; dat bijkomend, wat het zogenaamd verwijt van de intoxicatie betreft, opgemerkt wordt dat aan verzoeker enkel verweten is dat hij als bestuurder van een voertuig alcoholische dranken verbruikt heeft en dat verzoeker dat verbruik zelf toegegeven heeft; dat dan ook niet wordt ingezien hoe daardoor zijn rechten van verdediging in de verdrukking gekomen zijn; dat voorts verzoeker niet uitlegt waarom de verwerende partij geacht moet worden de heroverweging van haar geschorste tuchtstrafbesluit genomen te hebben op een voor haar “gunstig ogenblik”; IX-4841-30/32 11.
- Overwegende dat het middel niet ernstig is; 12.
- Overwegende dat verzoeker in het tiende middel de schending inroept van het redelijkheids- en van het evenredigheidsbeginsel; dat hij dat middel in wezen steunt op het advies van de inspecteur-generaal en het daarop volgende advies van de tuchtraad, daarbij inzonderheid vaststellend dat de voorzitter van de tuchtraad overeenkomstig artikel 41 van de tuchtwet moet waken over de eenheid van de rechtspraak en dat de tuchtraad belast is met het bijhouden van een gegevensbank; dat naar zijn oordeel de tuchtraad zich duidelijk op het standpunt geplaatst heeft dat een schorsing van drie maanden verantwoord was en dat hij daarmee te kennen gegeven heeft dat het in redelijkheid ondenkbaar is dat een overheid voor dezelfde fout het ontslag zou opleggen; 12.
- Overwegende dat de tuchtraad in zijn advies van 20 februari 2004 voorgesteld heeft aan verzoeker een tuchtstraf van drie maand schorsing op te leggen, aangezien niet redelijk voorgehouden kon worden dat de afkeurenswaardige gedraging van verzoeker elke samenwerking met het bestuur onmogelijk maakte en dat de vertrouwensrelatie niet hersteld zou kunnen worden; Overwegende gewis dat het advies van de tuchtraad een belangrijk element is in de besluitvorming over een tuchtstraf; dat zulks evenwel nog niet betekent dat elke beslissing die van dat advies afwijkt onredelijk is, laat staan kennelijk onredelijk; Overwegende dat het bestreden besluit een motivering bevat voor het afwijken van het advies van de tuchtraad; dat die motivering samenhangend en deugdelijk is en dat zij ook overtuigend overkomt, inzonderheid waar verwezen wordt naar de voorbeeldfunctie die een politieambtenaar heeft, zeker wanneer hij in dienst is; dat daarom de Raad van State de opgelegde straf niet kennelijk onredelijk of buiten verhouding tot de gepleegde feiten vindt, IX-4841-31/32 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig september 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4841-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.381 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.226 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div