← België

Arrest 149441 - - 27/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.441 Rolnummer: A. 126550/XIV-11632 Zaak: Arrest 149441 - - 27/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 00:52 Fiche Arrest nr 149.441 van 27 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.441 van 27 september 2005 in de zaak A. 126.550/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. COLLIN, kantoor houdende te 6900 MARCHE-EN-FAMENNE, avenue de la Toison d’or 27 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Slowaakse nationaliteit, op 9 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 juli 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.632-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat R. COLLIN verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Slowaakse nationaliteit, is België binnengekomen op 21 juni 2002 en heeft zich op 24 juni 2002 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 2 juli 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 12 augustus 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een Slovaaks staatsburger van Roma-origine en bent u gehuwd met Deleman Marian (O.V. 5.245.643), eveneens van Roma-origine, met wie u tot aan uw vertrek uit Slovakije samenwoonde in Vranov. Uw moeder J. (O.V. 5.227.625) woonde samen met uw vader Deleman Milan (O.V. 5.227.625) in Kosice en bood daar vrijwillig hulp aan een buurvrouw van haar, Angela. Toen u in januari 2002 met uw dochter, S., op bezoek was bij uw ouders, kwamen Angela met haar echtgenoot Robert en 4 maffiosi met bivakmutsen binnen, die zeiden dat ze van de politie waren. Ze eisten 70.000 Slovaakse kronen en dreigden ermee u te verkrachten en uzelf, uw kind en uw moeder mee te nemen en te verkopen als uw moeder dat geld niet zou betalen. Aangezien uw moeder zoveel geld niet had, betaalde ze hen echter niets. Toen de afpersers weg waren belde u uw man op zijn werk en Marian kwam dezelfde dag nog naar Kosice. U diende hiervoor evenwel geen klacht in omdat de afpersers zelf politieagenten waren. Een drietal maanden voor uw vertrek uit Slovakije - u was toen 2 à 3 maanden zwanger - werd u in Vranov aangerand door 3 mannen met kaalgeschoren hoofden. Ze wilden u verkrachten, maar u kon zich nog losrukken en vluchtte een huis binnen. U diende hiervoor geen klacht in omdat u gezien uw problemen met de maffia bang was. U verbleef vervolgens nog een 2 à 3 maanden bij een tante in Praag en vluchtte dan naar België, waar u op 21 juni 2002 aankwam en er op 24 juni 2002 asiel aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U reisde in het gezelschap van uw echtgenoot, Deleman Marian, uw minderjarige dochter, S. en uw zus, J.. U bent in het bezit van een geldig Slovaaks paspoort. Wat de problemen betreft met de afpersers dient te worden opgemerkt dat u zich hiervoor volledig baseert op het XIV-11.632-2/7 asielrelaas van uw ouders, M. en J. (O.V. 5.227.625). Aangezien in hun hoofde besloten werd dat deze problemen met de maffia van louter gemeenrechtelijke aard zijn, zonder enige politieke, religieuze of etnische connotatie en als dusdanig buiten het toepassingsgebied vallen van de Vluchtelingenconventie (cfr. bevestigende beslissingen tot weigering van verblijf dd. 21 mei 2002), dient ook in uw hoofde te worden besloten dat deze problemen vreemd zijn aan de criteria van de Vluchtelingenconventie. Bovendien zijn er hieromtrent een aantal tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat- generaal enerzijds en tussen uw verklaringen en deze van uw familieleden voor dezelfde instanties anderzijds. Zo beweert u op het Commissariaat-generaal dat de afpersers 70.000 Slovaakse Kronen eisten (zie verhoorverslag CGVS I., p. 2), terwijl uw vader op de Dienst Vreemdelingenzaken stelt dat het om slechts 12.000 Slovaakse Kronen ging (zie verhoorverslag DVZ Deleman Milan, pt. 42). Verder verklaart u op het Commissariaat- generaal dat u uw man onmiddellijk telefonisch op de hoogte stelde van deze afpersing, en dat uw man daarop dezelfde dag nog naar Kosice is gekomen (zie verhoorverslag CGVS I., p. 3), terwijl uw man beweert dat hij de dag na het bezoek van de afpersers gewoon op bezoek kwam in Kosice en dat hij pas na zijn aankomst op de hoogte werd gebracht van de afpersing (zie verhoorverslag CGVS Deleman Marian, p. 4). Evenzo ontkent u dat uw ouders de afpersers ooit enig geld betaald hebben (zie verhoorverslag CGVS I., p. 3), terwijl uw moeder op de Dienst Vreemdelingenzaken stelt dat zij doodsbang was en hen betaalde wat ze kon (zie verhoorverslag DVZ J., pt. 42). Tot slot beweert u nog uitdrukkelijk dat u de afpersers slechts éénmaal gezien heeft en dat deze slechts éénmaal op bezoek geweest zijn bij uw ouders (zie verhoorverslag CGVS I., p. 4), terwijl uw man verklaart dat de afpersers twee à drie keer zijn langsgekomen en dat u hen meermaals heeft gezien, nl. elke keer dat ze langskwamen (zie verhoorverslag CGVS Deleman Marian, p. 4 en 7). Wat de aanranding in Vranov betreft dient vooreerst te worden vastgesteld dat u nagelaten heeft om hiervoor ergens klacht in te dienen (zie verhoorverslag CGVS I, p. 5). Met uw verklaring dat u bang was omdat u problemen had met de maffia maakt u niet aannemelijk dat u omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie niet kon rekenen op de bescherming van de Slovaakse autoriteiten. Bovendien is er ook hieromtrent een ernstige tegenstrijdigheid tussen uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal en deze van uw man en uw zus J. (O.V. 5.213.209) voor dezelfde instantie. Zo stelt u uitdrukkelijk slechts éénmaal het slachtoffer van een aanranding te zijn geweest in Vranov (zie verhoorverslag CGVS I. p. 5-6), terwijl zowel uw man als uw zus Justina verklaren dat u in Vranov twee maal bent aangerand (zie verhoorverslag CGVS M., p. 5; CGVS J., p. 4). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan er geen geloof worden gehecht aan uw verklaringen en kan evenmin worden besloten tot het bestaan in uw hoofde van een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Het door u neergelegde paspoort is niet van die aard dat het afbreuk kan doen aan deze vaststellingen daar het enkel betrekking heeft op identiteitsgegevens die niet in vraag worden gesteld. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat eveneens in hoofde van uw zus, J., tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd besloten. (...)”. XIV-11.632-3/7
  6. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  7. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Le moyen unique est pris de la violation de l’article 1 de la Convention de Genève du 28 juillet 1951 relative aux réfugiés, des articles 52 et 62 de la loi du 15 décembre 1980 sur l’accès au territoire, le séjour, l’ établissement et l'éloignement des étrangers et les articles 1, 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 sur la motivation formelle des actes administratifs en ce que la décision querellée a estimé que la demande de la requérante était frauduleuse et manifestement non fondée parce que les problèmes rencontrés ne rentreraient pas dans les critères de la Convention de Genève, qu’il y aurait des contradictions entre les récits de la requérante à l’Office des Etrangers et au CGRA et par rapport au récit de son mari et de sa soeur et qu'aucune plainte n'aurait été déposée de manière à pouvoir faire croire que la requérante n’aurait pas pu bénéficier de la protection de son pays et que sa situation rentrerait dans les critères de la Convention de Genève alors que la requérante a subi d'importantes persécutions : son mari a été battu par des skinheads en raison de ses origines, ses parents ont été rackettés et elle même a échappé de justesse à deux tentatives de viol. La requérante a dû s'enfuir de son pays avec sa famille. Elle n'avait pas d'autres possibilités. Toute plainte aurait été vaine. Il est manifeste que la situation des rom en Slovaquie n'est pas sécurisée par les autorités du pays. Il est illusoire et même dangereux de pouvoir déposer une plainte par rapport à tout ce qui est arrivé à la requérante et à sa famille. Il est également remarqué qu'il n'y a pas de contradictions avérées. Il n'y a pas de contradictions fondamentales entre les deux récits d'autant plus que le récit de la requérant lors de son audition auprès de la partie adverse a été établi par un agent avec 1'aide d’un interprète dont les nom et qualité de l’un comme de l'autre ne sont pas explicitement mentionnés; Que cette audition n'a pas été lue à la requérante et n'est signée par personne; Qu'un tel document n'a pas de force probante; Qu'il n'y pas de contradiction avérée entre ce qu'a dit la requérante et ce qu'ont dit son époux et sa soeur lors des auditions à l'Office des Etrangers, qui elles ont une valeur probante; Qu'il y a lieu de s'en référer à la jurisprudence exprimée dans l'arrêt n/109.785 du 19 août 2002 et dans l'arrêt 109.702 du 8 août 2002; Il y a lieu d’insister sur le fait que les critères de la Convention de Genève peuvent intervenir même lorsque les persécutions n’émanent pas des autorités mais émanent d’un groupe lorsque les autorités n'ont pas la capacité, la possibilité ou la volonté d'assurer les protections qui s'imposent. Votre Haute Juridiction a également, à maintes reprises, précisé qu 'est manifeste au sens de l'article 52 de la loi du 15 décembre 1980 ce dont l'existence ou la nature s'impose à un esprit raisonnable avec une force de conviction telle que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaires. Que l'article 52 permet à l'autorité compétente de faire dépendre la recevabilité d'une demande d'asile de la production d'un commencement de preuve des persécutions invoquées et d'un récit cohérent du demandeur d’asile mais que pour faire une application régulière de cette disposition légale, les contradictions et incohérences relevées par 1 'autorité compétente doivent être tout d'abord réelles et également d'une importance telle qu'elles ne sont pas raisonnablement explicables et qu'elles justifient la certitude que la demande d'asile n'a pas la qualité de réfugié. Dans la mesure où les contradictions relevées par la partie adverse ne sont pas confirmées ou ne sont pas telles qu'elles sont précisées, elles ne sont nullement de nature à justifier la certitude que la requérante n'a pas la qualité de réfugié. La requérante, lors de 1 'audition à 1 'Office des Etrangers a fourni un récit particulièrement complet et qui justifie que sa demande soit déclarée recevable. La décision querellée n'est pas adéquatement motivée pour justifier le fait que la demande d'asile de la requérante soit manifestement non fondée. Elle pèche également par excès de pouvoir.; XIV-11.632-4/7 2.2.
  8. Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 1 van de Conventie van Genève, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing stelt dat haar asielaanvraag vreemd en bedrieglijk is omdat de problemen van verzoekster niet vallen onder de criteria van de Conventie van Genève, bedrieglijke verklaringen werden afgelegd in vergelijking met haar familieleden, geen klacht werd ingediend naar aanleiding van de aanranding en niet blijkt dat verzoekster geen bescherming zou kunnen verkrijgen van de autoriteiten terwijl de agressie en de vervolgingen waarvan verzoekster en haar familieleden het slachtoffer waren heel belangrijk waren; 2.2.
  9. Overwegende dat artikel 52, § 1, 2/, a) en 7/ van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, om een exact beeld van de situatie te krijgen waarin de vreemdeling zich bevindt ten tijde van het onderzoek van het dringend beroep, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te nemen; dat het bedrieglijk karakter, onder meer, kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene tegenstrijdig zijn of niet overeenstemmen met geloofwaardige gegevens waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen concludeert dat verzoeksters asielaanvraag vreemd en bedrieglijk is omwille van de volgende motieven: “(...) Wat de problemen betreft met de afpersers dient te worden opgemerkt dat u zich hiervoor volledig baseert op het asielrelaas van uw ouders, M. en J. (O.V. 5.227.625). Aangezien in hun hoofde besloten werd dat deze problemen met de maffia van louter gemeenrechtelijke aard zijn, zonder enige politieke, religieuze of etnische connotatie en als dusdanig buiten het toepassingsgebied vallen van de Vluchtelingenconventie (cfr. bevestigende beslissingen tot weigering van verblijf dd. 21 mei 2002), dient ook in uw hoofde te worden besloten dat deze problemen vreemd zijn aan de criteria van de Vluchtelingenconventie. Bovendien zijn hieromtrent een aantal tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal enerzijds en tussen uw verklaringen en deze van uw familieleden voor dezelfde instanties anderzijds. (...) Wat de aanrandingen in Vranov betreft dient vooreerst te worden vastgesteld dat u nagelaten heeft om hiervoor ergens klacht in te dienen (zie verhoorverslag CGVS I., p. 5). (...) Bovendien is er ook XIV-11.632-5/7 hieromtrent een aantal ernstige tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal en deze van uw man en zus, J., voor dezelfde instantie. (...)”; dat verzoekster stelt dat de situatie voor Roma’s bijzonder moeilijk is in Slowakije en dat zij niet kunnen rekenen op de bescherming van de autoriteiten zodat er nooit enige klacht werd ingediend, dat er geen fundamentele tegenstrijdigheden zijn in haar relaas en dat het verhoor werd afgenomen door een interviewer met de bijstand van een tolk, waarvan de namen en de titels niet werden vermeld en dat hetgeen door de jurist van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd opgetekend, door haar nooit werd nagelezen, en nooit werd ondertekend, zodat deze notities geen bewijskracht hebben, dat vervolging volgens de criteria van de Conventie van Genève niet noodzakelijk moet uitgaan van de autoriteiten en dat de Conventie van Genève tevens toepassing vindt wanneer de overheid geen bescherming kan of wil geven, dat volgens artikel 52 van de Vreemdelingenwet de asielaanvraag ontvankelijk kan worden verklaard wanneer de kandidaat-vluchteling een begin van bewijs aanbrengt omtrent zijn vervolging en een coherent asielrelaas naar voren brengt en dat tegenstrijdigheden slechts in aanmerking kunnen worden genomen indien ze reëel en belangrijk zijn, dat de aangehaalde tegenstrijdigheden niet bevestigd, noch verduidelijkt zijn zodat het statuut van vluchteling niet kan worden geweigerd; 2.2.
  10. Overwegende dat het verhoorverslag, dat niet voor akkoord werd ondertekend door de verzoekende partij, bezwaarlijk als een authentieke akte kan worden beschouwd; dat het de verzoekende partij vrij staat te bewijzen dat, wat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beweert dat zij verklaard heeft, niet of op een andere manier werd gezegd; dat het evenwel niet volstaat dat in het verzoekschrift eenvoudigweg wordt ontkend dat de weergegeven verklaringen zouden overeenstemmen met hetgeen gezegd werd; dat de afgevaardigde ambtenaar van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er geen persoonlijk belang bij heeft de verklaringen van de kandidaat-vluchteling onjuist weer te geven; dat tot het bewijs van het tegendeel het vermoeden bestaat dat in het verhoorverslag, zoals samengevat weergegeven in de bestreden beslissing, opgenomen werd wat de verzoekende partij werkelijk heeft verklaard; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van oordeel is dat, enerzijds, verzoeksters asielmotieven vreemd zijn aan de criteria van de Conventie van Genève en, anderzijds, dat zij tegenstrijdige verklaringen aflegde omtrent haar problemen, zodat haar asielaanvraag tevens bedrieglijk is; dat verzoekster in het verzoekschrift geen enkele poging onderneemt om de tegenstrijdigheden te weerleggen of te verklaren; dat dient opgemerkt dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft doen besluiten dat verzoeksters asielaanvraag “vreemd en bedrieglijk” is; dat de bestreden beslissing, uitgaande van de vastgestelde en vermelde feiten, precies aangeeft hoe de toepasselijke rechtsregel (artikel 52 van de XIV-11.632-6/7 Vreemdelingenwet) tot de weigeringsbeslissing heeft geleid; dat de verzoekende partij geen concrete elementen aanbrengt die erop wijzen dat de weergegeven motivering buiten alle redelijkheid is; dat de bestreden beslissing, na een uiteenzetting van het vluchtrelaas, gedetailleerde overwegingen bevat die de beslissing afdoende motiveren; dat het enig middel niet gegrond is;
  11. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.632-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.441 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.