← België

Arrest 149445 - - 27/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.445 Rolnummer: A. 117840/XIV-8966 Zaak: Arrest 149445 - - 27/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 00:52 Fiche Arrest nr 149.445 van 27 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.445 van 27 september 2005 in de zaak A. 117.840/XIV-

  1. In zake : XXX, wonende te Z. tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 7 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 13 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-8966-1/12 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, van Advocaat M. DEKUYPER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Albanese nationaliteit, is in België binnengekomen op 7 juli 2000 en heeft zich op 10 juli 2000 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 18 juli 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 6 februari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juli 2000 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U beweert een Albanees te zijn, afkomstig uit Ballsh. Van 1991 tot 1996-1997 zou u lid geweest zijn van de Democratische Partij (DP). Sinds 1995, en dit tot aan uw vertrek XIV-8966-2/12 uit Albanië, zou u een vijftal keer door gemaskerde personen zijn overvallen. In mei / juni 1997 zou u met drie andere collega-chauffeurs zijn gekidnapt. Twee onbekende personen zouden u thuis zijn komen ophalen en de opdracht hebben gegeven uw vrachtwagen met petroleum te vullen. Die personen zouden hiertoe valse documenten van een petroleumbedrijf hebben gebruikt. Vervolgens diende u naar Fier en Elbasan te rijden. In Elbasan zou een groep onbekenden, volgens u “Mandella” genaamd, die samenwerkten met de personen die u thuis waren komen ophalen, u en uw collega’s hebben staan opwachten. Ze zouden jullie naar een onbekende plaats hebben meegenomen en jullie er gedurende vier dagen hebben gegijzeld. Tijdens deze vier dagen zou de broer van de voorzitter van de organisatie waarvoor u werkte, Shpetim Hoxha, zijn gedood. Vier dagen na de petroleumdiefstal zou u zijn vrijgelaten. Twee à drie dagen later zou u die personen nogmaals op straat zijn tegengekomen, maar u zou hebben kunnen wegvluchten. In september 1997 zou u lid geworden zijn van de Partia Lëvizija e Legalitetit (PLL). Als lid van de PLL zou u hebben deelgenomen aan verscheidene manifestaties en zou u pamfletten hebben uitgedeeld tegen het socialistische regime. Sinds uw PLL- lidmaatschap zou u meermaals problemen hebben gehad met de Albanese politie die u thuis verschillende malen zou zijn komen zoeken en u ook meerdere keren op straat zou hebben opgepakt. In augustus of september 1997 zou de politie u voor de eerste keer thuis hebben meegenomen naar het politiekantoor van Ballsh. Daar zou u gedurende 24 uur zijn vastgehouden en geslagen. Tussen uw eerste en tweede arrestatie (in 2000) zou de politie nog een zevental keer bij u thuis zijn langsgeweest doch u zou in die periode niet opgepakt zijn. In oktober 1998 zou u door politieagenten van Fier op straat zijn aangevallen en neergeslagen waarna ze u zouden hebben laten liggen. Begin 2000 zou u voor de tweede keer door de politie bij u thuis zijn opgepakt en meegenomen naar het politiekantoor van Ballsh. Na een aantal uur, tijdens dewelke u zou zijn geslagen en bedreigd, zou u terug zijn vrijgelaten. Een tweetal weken nadien zou u opnieuw zijn meegenomen naar het politiekantoor. In maart 2000 zou u via het venster zijn weggevlucht toen de politie nogmaals bij u thuis langskwam. Daarop zou u zich één nacht bij uw schoonvader hebben verborgen. De volgende morgen zou u van uw moeder hebben vernomen dat de politie naar u had gevraagd en uw familie onder druk had gezet. Eveneens in maart 2000 zou u op straat zijn tegengehouden door de politie van Ballsh toen u met uw vrachtwagen op weg was naar huis. U zou naar het politiekantoor van Ballsh zijn meegenomen en er gedurende een aantal uur zijn geslagen, geïntimideerd en bedreigd omwille van uw activiteiten voor rechtse partijen. Een maand nadien zou u weerom zijn tegengehouden door de politie en gedurende een aantal uur zijn meegenomen en geslagen. In mei 2000 zou u op een avond iets zijn gaan drinken met uw vrienden. Toen u op weg naar huis langs het politiekantoor passeerde, zou u nogmaals zijn opgepakt en gedurende meerdere uren geslagen. In juni 2000 zou de politie u nog driemaal thuis zijn komen zoeken, maar u zou geen enkele keer zijn thuisgeweest. Op 24 juni 2000 zou u hebben deelgenomen aan een manifestatie in Tirana tijdens dewelke de naam van Boulevard Stalin zou worden gewijzigd. Tijdens deze meeting zou u pamfletten hebben uitgedeeld tegen het socialistische regime alsook slogans op de muren hebben geschreven. Toen u op 26 juni 2000 op weg was van uw werk naar huis zou u van een vriend, die bij u thuis op bezoek was geweest en u in Fier tegemoet kwam, hebben vernomen dat de politie u thuis was komen zoeken. U zou uw vrachtwagen hebben achtergelaten en naar Vlorë zijn gegaan waar u bij uw tante Tefta gedurende een week zou zijn ondergedoken. Op 3 juli 2000 zou uw oom Ladi uw echtgenote en minderjarig zoontje thuis zijn gaan ophalen en hen naar Vlorë hebben gebracht. Diezelfde dag nog zou u met uw vrouw, A., en uw minderjarige zoon Albanië hebben verlaten. Via Italië en Frankrijk zou u naar België zijn gereisd. Op 7 juli 2000 kwam u in België aan en op 10 juli 2000 diende u er een asielaanvraag in. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer : een lidkaart van de PLL, dd. 22 september 1997, uitgereikt te Mallakaster, een krantenartikel aangaande uw problemen als PLL-lid, dd. 1 februari 2001, uit ‘Nacionalisti’, een krantenartikel aangaande uw problemen als PLL-lid, dd. 31 december 2001, uit ‘Albania’ en een attest van de “Vereniging van politiek Vervolgden”, afdeling Mallakaster, dd. 10 juli 2000, uitgereikt te Ballsh, waarin uw lidmaatschap bij de PLL wordt bevestigd. Er dient te worden opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen geenszins eensluidend zijn waardoor de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas sterk wordt XIV-8966-3/12 ondermijnd. Zo verklaarde u aanvankelijk op het Commissariaat-generaal dat u sinds 1995, en dit tot aan uw vertrek in juli 2000, een vijftiental keer door onbekende gemaskerde personen werd overvallen (verhoor Commissariaat-generaal p. 11), terwijl u later beweerde dat u in de periode 1995 – 2000 een vijftal keer werd overvallen en bestolen (verhoor Commissariaat-generaal p. 2). Tijdens uw eerste verklaringen op het Commissariaat-generaal stelde u dat u, toen de politie voor de eerste keer bij u thuis langskwam in augustus / september 1997, niet thuis was maar wel diezelfde dag door de politie op straat werd opgepakt (verhoor Commissariaat-generaal p. 16 en 17). Later verklaarde u echter dat u wel thuis was toen de politie voor de eerste keer bij u thuis langskwam en dat u onmiddellijk werd meegenomen naar het politiekantoor van Ballsh (verhoor Commissariaat-generaal p. 5). Waar u aanvankelijk beweerde dat u in november 1998 zwaar werd geslagen door de politie van Fier (verhoor Commissariaat- generaal p. 18-19), situeerde u deze gebeurtenis later in oktober 1998 (verhoor Commissariaat-generaal p. 10). Verder beweerde u tijdens uw eerste verhoor op het Commissariaat-generaal dat u tijdens één van de politiebezoeken bij u thuis in 1997 wel thuis was maar op tijd via het venster kon wegvluchten (verhoor Commissariaat- generaal p. 21). Tijdens uw tweede verhoor op het Commissariaat-generaal situeerde u die vlucht via het venster in 2000 (verhoor Commissariaat-generaal p. 7). Ten slotte verklaarde u aanvankelijk dat de politie u in 2000 een drietal keer (in januari / februari 2000 tweemaal en één maal in juni 2000) thuis kwam zoeken (verhoor Commissariaat- generaal p. 21). Vervolgens beweerde u dat de politie tweemaal bij u thuis langskwam begin 2000 en nog eens drie keer in juni 2000 (verhoor Commissariaat-generaal p. 6-8). Waar u tijdens uw eerste verhoor stelde dat u in 2000 geen enkele keer thuis was toen de politie u kwam zoeken (verhoor Commissariaat-generaal p. 22), beweerde u vervolgens dat u de eerste twee keer dat de politie thuis kwam (in januari / februari 2000) wel thuis was en tweemaal werd meegenomen naar het politiekantoor van Ballsh (verhoor Commissariaat-generaal p. 6 en 7). Er dient eveneens te worden gewezen op aan aantal fundamentele tegenstrijdigheden en leemten in uw opeenvolgende verklaringen waardoor de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas bijkomend wordt ondermijnd. Zo verklaarde u op het Commissariaat- generaal dat u in mei / juni 1997 werd gekidnapt en gedurende een viertal dagen werd gegijzeld in Elbasan (verhoor Commissariaat-generaal p. 12 e.v.) terwijl u over deze feiten op de Dienst Vreemdelingenzaken met geen woord heeft gerept. Verder beweerde u op het Commissariaat-generaal dat u in maart, april en mei 2000 driemaal op straat werd opgepakt door de politie en telkens gedurende meerdere uren werd vastgehouden en geslagen (verhoor Commissariaat-generaal p. 19, 20 en 21). Op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft u enkel verklaard dat u in maart 2000 op straat werd opgepakt en heeft u nergens melding gemaakt van arrestaties in april en mei
  6. Gezien de zwaarwichtigheid van bovenstaande feiten mag toch worden aangenomen dat u deze niet zomaar vergeet te vermelden. Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u voorts dat de politie u in mei 2000 tweemaal thuis was komen zoeken, terwijl u deze feiten noch tijdens uw eerste noch tijdens uw tweede verhoor op het Commissariaat-generaal heeft vermeld. Waar u op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde dat u in juni 2000 op tijd kon wegvluchten toen de politie u thuis kwam zoeken, beweerde u daarentegen op het Commissariaat-generaal tot tweemaal toe dat u niet thuis was toen de politie in juni 2000 bij u thuis langskwam (verhoor Commissariaat-generaal p. 22 en Commissariaat-generaal p. 9). Volgens uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken vernam u van uw vriend Yli, die met de politie had gesproken, dat deze naar u op zoek was, terwijl u op het Commissariaat- generaal daarentegen beweerde dat uw vriend Yli van uw familie, bij wie hij op bezoek was geweest, had vernomen dat de politie u was komen zoeken (verhoor Commissariaat-generaal p. 22 e.v.). Ten slotte beweerde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u direct na uw aankomst bij uw tante in Vlorë uw echtgenote op de hoogte bracht van uw verblijf ginds. Op het Commissariaat-generaal verklaarde u uitdrukkelijk dat u gedurende uw verblijf van een week bij uw tante geen contact had met uw echtgenote, die pas van uw verblijf in Vlorë op de hoogte werd gebracht toen uw oom Ladi haar en uw zoontje ging halen op 3 juli 2000 (verhoor Commissariaat- generaal p. 23 en 25). Wat betreft de door u neergelegde documenten dient ten slotte te worden gewezen op een aantal ernstige lancunes waardoor er geen doorslaggevende bewijskracht kan aan gegeven worden. Zo maakte het artikel in de krant “Albania” melding van het feit dat XIV-8966-4/12 u door de rechtbank wordt gezocht omwille van uw rechtste overtuigingen. Uzelf heeft hierover echter nooit met een woord gerept. Het artikel in de krant “Nacionalisti” heeft het dan weer over uw arrestatie en een proces dat tegen u aanhangig gemaakt zou zijn naar aanleiding van uw deelname aan de manifestatie in Tirana naar aanleiding van de moord op Azem Hajdari. Ook hierover heeft u noch op de Dienst Vreemdelingenzaken noch op het Commissariaat-generaal enige melding gemaakt. Gezien de zwaarwichtigheid van deze feiten en gezien uw overige, sterk gedetailleerde verklaringen mag toch worden aangenomen dat u ook deze feiten niet zomaar vergeet te vermelden. De overige door u neergelegde documenten zijn niet van die aard bovenstaande vaststellingen te wijzigen daar ze enkel uw identiteit en uw lidmaatschap bij de PLL kunnen bevestigen. Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen enkel geloof worden gehecht aan uw vluchtrelaas. Ten slotte kan nog vermeld worden dat ten aanzien van uw echtgenote, A., door mij eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd. (...).”.
  7. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  8. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “
  9. EERSTE MIDDEL. Schending van de motiveringsplicht voorgeschreven door art. 62 van de Vreemdelingenwet van
  10. 12.1980 en door de art. 2 en 3 van de Motiveringswet van 29/07/
  11. Het is duidelijk, dat de beslissing heel mank is tot stand gekomen. Eerste Onderdeel. 1.
  12. Van het dossier is geen enkele inventaris aan te treffen in het dossier zelf, zoals het ter inzage én afschrift ter beschikking is gesteld op het CGVS. Zo heeft de heer Commissaris-Generaal in zijn eindbeslissing ten gronde nagelaten de procedurestukken te vermelden op basis waarvan hij tot zijn besluit komt. Een exacte controle van het dossier is aldus onmogelijk. Tweede onderdeel. 1.
  13. Door het ontbreken van een chronologische inventaris van alle procedurestukken, correspondentiestukken en overtuigingsstukken (er zijn er heel wat neergelegd door betrokkene) is het onmogelijk een exacte controle van het dossier te doen. Onvolledige vertalingen zijn toegevoegd zonder enige datum ervan en zonder datum van neerlegging. Op welk moment waren die ter beschikking ? Dit is niet na te gaan. Derde onderdeel. 1.3.Van het verhoor op de DVZ werd aan betrokkene geen kopie afgeleverd, zodat deze nooit in de mogelijkheid is geweest om eventuele foute noteringen te doen corrigeren en desnoods nog aanvullingen te verrichten. Dit DVZ-verhoor werd op vraag van ondervrager overigens beperkt gehouden tot de meest recente gebeurtenissen (dus in het jaar 2000), hoewel betrokkenes problemen al begonnen in
  14. Pas in het CGVS- verhoor zou hij zijn volledige verhaal kunnen vertellen in het klassieke vraag- en antwoordsysteem dat aldaar gehanteerd wordt. De CGVS bestempelt de aanvraag van betrokkene als "bedrieglijk" en dit op grond van "tegenstrijdigheden", die evenwel enerzijds onbenullig van aard zijn daar zij de grond van de asielaanvraag zelf niet aantasten en die anderzijds tot stand komen in een rapport, dat in het Nederlands is opgesteld na een Franse vertaling van gezegdes in het Albanees en dat niet eens na de redactie ervan wordt voorgelezen en zelfs door niemand ondertekend. In de hiernavolgende onderdelen wordt een en ander aangeklaagd. Vierde onderdeel. 1.
  15. De tolken op DVZ én op CGVS blijken helemaal geen eed te hebben afgelegd, zelfs hun identiteit blijft onbekend : de DVZ-tolk tekent met een onleesbare handtekening en de (overigens Franstalige) CGVS-tolk tekent zelfs niet en blijft verscholen achter het nummer “CG 378". Dit laat de mogelijkheid open, dat de XIV-8966-5/12 beroepsernst en de verantwoordelijkheidszin van de tolk(en) in kwestie niet optimaal is, gezien iedere controle achteraf onmogelijk is. Daarbij is op het DVZ-verhoor een raadsman niet toegelaten. Betrokkene, die door langdurig verblijf in Nederlandstalig België én door persoonlijke inzet zeer goed Nederlands kent, was met een Franstalige tolk niet bij machte om zijn vanuit het Albanees in het Frans omgezette gezegdes te controleren. Frans kent hij immers niet. Het kan best, dat in die omstandigheden, op zijn minst onbewust, slordig vertaald werd, hetgeen dan vanzelfsprekend de zogeheten tegenstrijdigheden liet ontstaan en hetgeen ook de rechten van betrokkene heeft geschaad. Bij wijze van voorbeeld wordt hic et nunc het volgende aangehaald : l/ de vriend Ylli sprak blijkbaar zowel met de familie van betrokkene als met de politie; 2/ betrokkene kon onmogelijk direct contact nemen met zijn vrouw : er is geen telefoon thuis en ook niet bij zijn tante, zodat het uiteindelijke contact inderdaad pas na een week tot stand kwam, nadat zijn oom vrouw en kind had opgehaald bij hem thuis. Tenslotte vergete men niet uit het oog, dat de ondervraging op het CGVS gehouden wordt in januari 2002, terwijl de feiten teruggaan naar 1997 en op het laatst toch nog altijd in juli
  16. Het tijdsverschil tussen dit verhoor en de vluchtdatum bedraagt aldus 18 maanden. Zich na dergelijke tijdspanne alles tot in het kleinste detail herinneren is niet mogelijk. Vijfde onderdeel. 1.
  17. Naar geijkte gewoonte werd het verhoorrapport van de CGVS niet voorgelezen en niet ondertekend, door niemand trouwens. Dit gebrek aan verantwoordelijkheidszin betekent juridisch, dat genoemd rapport eigenlijk geen authenticiteit heeft. Het is niemand tegenstelbaar, zeker niet tegenstelbaar aan betrokkene. Door zich te baseren op dergelijk niet-tegenstelbaar rapport treft de CGVS een beslissing die zwaar is aangetast qua motiveringsplicht. De beslissing komt derhalve niet tot stand conform de wet. Een juridische motivering i.v.m. de werkelijke weigeringsgronden ontbreekt. Zo heeft betrokkene, die van de DVZ een weigeringsbeslissing kreeg o.m. op grond van het niet voorleggen van een "geldig identiteits- of reisdocument" “dat zijn identiteit, nationaliteit, reisroute of relaas kan staven" in de loop van zijn asielaanvraag diverse documenten, zelfs met vertaling aangeboden en/of neergelegd. Deze documenten bewijzen zijn identiteit en nationaliteit en ook zijn lidmaatschap én politiek engagement. De motivering van de CGVS is derhalve niet aanvaardbaar met het oog op het recht, d.w.z. het hanteren van de juiste wettelijke grond en de juiste interpretatie van de wet. Alleszins is met de hic et nunc beslissing de grenzen van de redelijkheid overschreden. De zogeheten tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden, die DE CGVS meende te moeten constateren in de verhoren zijn niet evident genoeg, het gaat uiteindelijk om details die de kern van het verhaal en dus de aanvraag niet aantasten : betrokkene was zonder enige twijfel een actief lid van de koningsgezinde oppositie en werd juist daarom belaagd en bedreigd.”; 2.1.
  18. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “2.
  19. In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van art. 62 van de Vreemdelingenwet en van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli
  20. Verweerder wenst aangaande de algemene motiveringsverplichting, vervat in de wet van 29 juli 1991, alsook de specifieke motiveringsverplichting vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, aan te stippen dat die motiveringsverplichting tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. 2.1.
  21. In het eerste onderdeel werpt verzoeker op dat er geen inventaris aanwezig is in het dossier. De Commissaris-generaal heeft in de bestreden beslissing nagelaten de procedurestukken waarop hij de beslissing baseert te vermelden. Controle van het dossier is onmogelijk. XIV-8966-6/12 Verweerder antwoordt dat de bestreden beslissing kadert binnen een administratieve instantie die niet kan worden gelijkgesteld met een administratief rechtscollege. In casu bestaat dan ook geen wettelijke bepaling die het bijhouden van een inventaris vereist. Bovendien toont verzoeker op geen enkele manier aan op welke manier hierdoor in concreto zijn rechten geschonden zouden zijn. De bestreden beslissing is gebaseerd op het hoorverslag van verzoeker voor het CGVS, waarnaar duidelijk wordt verwezen in de beslissing. 2.1.
  22. In het tweede onderdeel werpt verzoeker op dat er geen controle van het dossier mogelijk is, omdat er geen chronologische inventaris is aan te treffen van de procedure- en overtuigingsstukken. Verweerder verwijst verder naar hetgeen hij hierboven (punt 2.2.l.) uiteenzette. 2.1.
  23. In het derde onderdeel werpt verzoeker op dat van het verhoorrapport van de Dienst Vreemdelingenzaken geen kopie werd overhandigd. Wederom verwijst verweerder naar het feit dat de bestreden beslissing kadert binnen een administratieve instantie die niet kan worden gelijkgesteld met een administratief rechtscollege. In casu bestaat dan ook geen wettelijke bepaling die het terhandstellen van een kopie van het verhoorrapport van de Dienst Vreemdelingenzaken verplicht maakt. Bovendien haalt ook hier verzoeker geen elementen aan waaruit zou blijken op welke manier zij hierdoor bij de behandeling van zijn dossier nadeel zou hebben geleden. 2.1.
  24. In het vierde onderdeel werpt verzoeker op dat de tolken op DVZ en het CGVS geen eed moeten afleggen, zelfs hun identiteit blijft onbekend. Daarnaast werd alles door de tolk in het Frans vertaald waardoor verzoeker niet kon controleren wat er werd gezegd. De tijdspanne tussen het verhoor en de vluchtdatum tenslotte, bedraagt 18 maanden waardoor verzoeker zich niet alles tot in de kleinste details kan herinneren. Verweerder antwoordt dat geen enkele wettelijke bepaling terzake vereist dat de tolken werkzaam op DVZ en het CGVS een eed moeten afleggen. Verder wijst verweerder erop dat de tolken op het CGVS anoniem blijven om hun veiligheid en dus ook hun neutraliteit te waarborgen t.a.v. de kandidaat-vluchteling. Dit doet geen afbreuk aan de beroepsernst of verantwoordelijkheidszin van de tolken. Verweerder antwoordt verder dat verzoeker niet duidelijk maakt op welke manier de behandeling van zijn dossier nadeel zou hebben geleden doordat verzoeker de Franse vertalingen van de tolk niet begreep. Verzoeker noch zijn raadsman hebben enig voorbehoud gemaakt over het vertaalwerk van de tolk. Tenslotte wordt van verzoeker ook niet verwacht dat hij zich details kan herinneren wel dat hij feiten essentieel voor zijn asielrelaas geloofwaardig en ontegenstrijdig naar voor kan brengen. 2.1.
  25. In het vijfde onderdeel merkt verzoeker op dat het verhoorrapport van het CGVS niet werd voorgelezen en niet is ondertekend. Verweerder antwoordt dat geen enkele wettelijke bepaling terzake vereist dat het verhoorrapport van het CGVS dient voorgelezen noch ondertekend te worden. Verweerder verwijst verder naar hetgeen hij hierboven (punt 2.2.l.) uiteenzette. 2.1.
  26. De bestreden beslissing is op correcte wijze genomen en gemotiveerd. Naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas, door verzoeker zelf aangevoerd tijdens zijn verhoor op het Commissariaat-generaal, bevat de bevestigende beslissing gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren. Het eerste middel is niet ernstig.”; 2.1.
  27. Overwegende dat verzoeker repliceert : “
  28. EERSTE MIDDEL. Schending van de motiveringsplicht voorgeschreven door art. 62 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 en door de art. 2 en 3 van de Motiveringswet van 29/07/
  29. De hic et nunc bestreden beslissing is tot stand gekomen op basis van een dossier, dat in hoofdzaak is gevormd op verhoorrapporten, waaromtrent in de volgende onderdelen het een en ander wordt aangeklaagd, zodat de beslissing zelf onjuist gemotiveerd is. De procedure in dringend beroep op het CGVS moge dan al een administratieve beroepsprocedure zijn die niet kan worden gelijkgesteld met een procedure voor een administratief rechtscollege (waar hoorplicht en rechten van de verdediging moeten XIV-8966-7/12 worden gerespecteerd), dit neemt vanzelfsprekend niet weg, dat de beslissing conform de wet moet beantwoorden aan de motiveringsplicht. Opdat de motiveringsplicht zou kunnen nageleefd worden zijn er toch wel minimumvereisten om tot dergelijke beslissing te komen, temeer daar de beslissing maar tot stand kan komen op grond van verhoorrapporten, niet zozeer op basis van een dossier dat uit neergelegde overtuigingsstukken bestaat. Eerste en tweede Onderdeel. 1.
  30. en 1.
  31. Tegenpartij betwist alvast niet, dat bij de inzage van het dossier op het CGVS er geen enkele inventaris was aan te treffen, noch een inventaris van de procedurestukken, noch van de overtuigingsstukken, zelfs geen chronologische. Daarbij zijn er aan het dossier anderstalige overtuigingsstukken toegevoegd, zonder vertaling ervan en ook zonder datum van neerlegging ervan. Derhalve kan met dit dossier zonder chronologische inventaris niet met zekerheid worden nagegaan op welk ogenblik deze stukken in kwestie ter beschikking waren bij welkdanig verhoor of welkdanige behandeling/beslissing ook. Derde Onderdeel. 1.
  32. In dit onderdeel werd in het verzoekschrift wel degelijk aangehaald waar het nadeel ligt, dat betrokkene te lijden heeft doordat van het DVZ-verhoor geen kopie afgeleverd werd. Citaat : (p. 33.570 in fine en p. 33.571, l/ al.) "zodat deze nooit in de mogelijkheid is geweest om eventuele foute noteringen te doen corrigeren en desnoods nog aanvullingen te verrichten." Eventuele foute noteringen resp. foute vertalingen konden aldus onmogelijk worden gecorrigeerd. Doordat geen kopie van het verhoor wordt afgeleverd is een latere correctie bij een aandachtige lektuur al evenmin mogelijk. Het is pas nadat de beslissing is gevallen, dat kennis kan worden genomen van het dossier, maar dan is het te laat om nog correcties te doen aanbrengen. Het ultieme belang is vanzelfsprekend de opgelopen weigering om als vluchteling te worden erkend. Vierde Onderdeel. 1.
  33. Een slordige vertaling blijft altijd mogelijk, dit kan het gevolg zijn van onbekwaamheid van de tolk of vermoeidheid of een combinatie van beide. Deze vermoeidheid is trouwens ook mogelijk in hoofde van de declarant, ook verstrooidheid is mogelijk, laat staan stoornissen in het geheugen. Ook de ondervrager kan in zijn nota's onoplettend zijn. Een controle was niet mogelijk doordat declarante geen Frans kent, de raadsman geen Albanees. Tenslotte is de grote tijdspanne tussen de feiten en het verhoor zeer groot. Ondertussen zijn in het geheugen nieuwe elementen opgestapeld, elementen van de "Belgische" ervaringen. Vijfde onderdeel. 1.
  34. In dit onderdeel werd veel meer aangeklaagd dan alleen maar het niet-voorlezen en het niet-ondertekenen van het verhoorrapport op het CGVS. Het is aldaar een geijkte gewoonte dat het verhoorrapport van de CGVS niet voorgelezen en niet ondertekend wordt, door niemand trouwens. Dit is een verregaand gebrek aan verantwoordelijkheidszin uitgaande van personen die niet eens kunnen bogen op een juridische ervaring, in vele gevallen zelfs niet op een juridische vorming. Het betekent tenslotte, dat genoemd rapport eigenlijk geen authenticiteit heeft. Het is niemand tegenstelbaar, zeker niet tegenstelbaar aan betrokkene. Nochtans is het op het CGVS, het bevoegde orgaan bij uitstek in Belgisch asielrecht, de gewoonte om zich te baseren op dergelijk niet-tegenstelbaar, niet-authentiek rapport. Aldus treft de CGVS een beslissing die zwaar is aangetast qua motiveringsplicht. De beslissing komt niet tot stand conform de wet. Een juridische motivering i.v.m. de werkelijke weigeringsgronden ontbreekt. Zo heeft betrokkene, die van de DVZ een weigeringsbeslissing kreeg o.m. op grond van het niet voorleggen van een "geldig identiteits- of reisdocument" "dat zijn identiteit, nationaliteit, reisroute of relaas kan staven" in de loop van de asielaanvraag diverse documenten, zelfs met vertaling aangeboden en/of neergelegd. Deze documenten bewijzen zowel de identiteit als de nationaliteit en ook het lidmaatschap én politiek engagement van betrokkene. De motivering van de CGVS is derhalve niet aanvaardbaar met het oog op het recht, d.w.z. het hanteren van de juiste wettelijke grond en de juiste interpretatie van de wet. Alleszins is met de hic et nunc beslissing de grenzen van de redelijkheid overschreden. De zogeheten tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden, die de CGVS meende te moeten constateren in de verhoren zijn niet evident genoeg, het gaat uiteindelijk om XIV-8966-8/12 details die de kern van het verhaal en dus de aanvraag niet aantasten : betrokkenes man was zonder enige twijfel een actief lid van de koningsgezinde oppositie en werd juist daarom belaagd en bedreigd.”; 2.1.4.
  35. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de motiveringsplicht, zoals voorgeschreven door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoeker stelt dat de bestreden beslissing heel mank is tot stand gekomen, omdat er geen inventaris is van het dossier van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, omdat het onmogelijk is een exacte controle van het dossier te doen door het ontbreken van een chronologische inventaris, omdat hij geen kopie ontving van het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken zodat hij eventueel foute noteringen niet kon doen corrigeren en desnoods nog aanvullen, omdat de identiteit van de tolken op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onbekend blijft en deze tolken helemaal geen eed hebben afgelegd en omdat het verhoorverslag van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet werd voorgelezen en niet werd ondertekend, waardoor dit verslag geen authenticiteit heeft; 2.1.4.
  36. Overwegende dat verzoeker onvoldoende aantoont hoe de wijze waarop de bestreden beslissing is tot stand gekomen een negatieve invloed heeft gehad op de motivering ervan; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat er wel sprake is van een aantal tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van verzoeker; dat op basis van deze tegenstrijdigheden de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft besloten dat de asielaanvraag bedrieglijk is; dat verzoeker van oordeel is dat deze tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden niet evident genoeg zijn en dat het gaat om details die de kern van het verhaal en de asielaanvraag van verzoeker niet aantasten; dat verzoeker zich beperkt tot het minimaliseren van de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheden, zonder deze tegenstrijdigheden te weerleggen; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid heeft genomen; XIV-8966-9/12 2.1.4.
  37. Overwegende dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing heeft genomen die zwaar is aangetast qua motiveringsplicht door zich te baseren op een niet-tegenstelbaar rapport; dat verzoeker namelijk van oordeel is dat het verhoorrapport geen authenticiteit heeft, aangezien het niet werd voorgelezen of werd ondertekend; dat echter de procedure voor de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is; dat geen wettekst of rechtsbeginsel de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verplicht verzoeker te confronteren met diens eigen verklaringen; dat het volstaat dat verzoeker nuttig voor zijn belangen kan opkomen; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uitgebreide informatie heeft ingewonnen omtrent de asielmotieven van verzoeker; dat verzoeker tijdens zijn verhoor uitvoerig werd ondervraagd; dat verzoeker zijn vluchtmotieven heeft kunnen uiteenzetten; dat verzoeker werd bijgestaan door een tolk die het Albanees machtig is; dat niet blijkt dat er zich problemen hebben voorgedaan tijdens het interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker in zijn verzoekschrift onvoldoende uiteenzet welke punten van het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn belangen hebben geschaad; dat hij zich beperkt tot het betwisten van de bewijskracht van het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zonder enig verband te leggen met de motieven van de bestreden beslissing; dat deze motieven, die steun vinden in het administratief dossier, draagkrachtig, pertinent en afdoende zijn; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  38. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “
  39. TWEEDE MIDDEL. Schending van de voorziene taalregeling, het art. 51/4 van de Vreemdelingenwet van 15.12.
  40. Door betrokkenes overtuigingsstukken niet te voorzien van een volledige vertaling blijven deze stukken in feite deels onvertaald in het dossier. Deze stukken aanwenden of eventueel zelfs niet aanwenden om tot de besluitvorming te komen betekent meteen de ingebouwde taalregeling niet naleven. Het gaat om belangrijke stukken die aantonen hoe in het verleden de familie van betrokkene reeds heeft geleden onder het toenmalige regime. De actuele machthebbers zijn in wezen dezelfde als vroeger, zij hebben slechts hun naam veranderd in "socialisten". 2.
  41. Zo werd ook een eigen vertaling van betrokkene geweigerd. Ze werden enkel voor "gezien" aangemerkt. 2.
  42. Tenslotte werden de vertalingen op het CGVS gedaan in het Frans, terwijl toch door de ondervrager in het Nederlands genoteerd is.”; 2.2.
  43. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “2.
  44. In een tweede middel beroept verzoeker zich op een schending van art. 51/4 van de Vreemdelingenwet. Meer bepaald zouden bepaalde door verzoeker voorgelegde documenten slechts deels of niet vertaald zijn, zou zijn eigen vertaling van stukken geweigerd zijn en zou de vertaling op het CGVS in het Frans gebeurd zijn terwijl het noteren door de ondervrager in het Nederlands gebeurde. XIV-8966-10/12 Verweerder merkt op dat verzoeker op geen enkele manier aantoont op welke manier hij hierdoor nadeel zou hebben ondervonden bij de behandeling van zijn dossier of welke stukken van de aangehaalde bronnen de Commissaris-generaal niet correct zou hebben geïnterpreteerd. Verweerder wijst verzoeker erop dat hij de mogelijkheid heeft gehad om de door hem voorgelegde stukken van informatie te voorzien. Deze stukken zijn trouwens ook in de bestreden beslissing opgenomen. Dat aan eigen vertalingen door verzoeker beperkt belang wordt gehecht is volgens verweerder, in het kader van de objectiviteit, niet meer dan logisch. Verweerder wijst er tenslotte op dat de voorschriften inzake de proceduretaal zijn nageleefd. Verzoeker verkoos Nederlands als proceduretaal. Het interview werd in het Nederlands genoteerd en de beslissing in het Nederlands betekend. Het tweede middel is niet ernstig.”; 2.2.3.
  45. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet; dat hij stelt dat de door hem neergelegde stukken deels onvertaald in het dossier bleven, dat ook een eigen vertaling van verzoeker werd geweigerd en dat de vertalingen op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het Frans werden gedaan, terwijl dit door de ondervrager in het Nederlands is genoteerd; 2.2.3.
  46. Overwegende dat verzoeker nalaat aan te geven om welke stukken het precies gaat en in welke mate hierdoor zijn belangen zijn geschaad; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker bij zijn asielaanvraag om een tolk van de Albanese taal heeft verzocht en dat verzoeker, overeenkomstig artikel 51/4, § 2 van de Vreemdelingenwet door de administratie op de Nederlandse taalrol werd ingeschreven en erover werd ingelicht dat de gehele procedure in het Nederlands zou verlopen; dat artikel 51/4, § 3 van de Vreemdelingenwet de taal van de gehele asielprocedure aanwijst, doch niet specifiek die welke de bevoegde overheid moet gebruiken in de omgang met de tolk, wanneer, zoals in casu, de asielzoeker om bijstand van een tolk heeft verzocht; dat verzoeker niet aantoont dat de betrokken jurist de Franse taal niet beheerste; dat de verhoorverslagen volledig in het Nederlands zijn opgesteld en ook de bestreden beslissing in het Nederlands werd opgesteld; dat de taal die werd aangewezen voor de asielprocedure, namelijk het Nederlands, dan ook gebruikt is tijdens de hele procedure; dat verzoeker trouwens niet aantoont dat de verklaringen die hij heeft afgelegd op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet zouden zijn opgenomen in de taal van de procedure, noch dat bepaalde onderdelen en welke onderdelen van zijn verklaringen niet juist in het verhoorverslag zijn opgenomen; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met de bestreden beslissing artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet heeft geschonden; dat het tweede middel niet gegrond is, XIV-8966-11/12 BESLUIT: Artikel
  47. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  48. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-8966-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.445 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.