id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.448 Rolnummer: A. 142523/VII-34126 Zaak: Arrest 149448 - - 27/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 00:53 Fiche Arrest nr 149.448 van 27 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.448 van 27 september 2005 in de zaak A. 142.523/VII-34.126 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oegandese nationaliteit, op 8 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 september 2003 tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 juli 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-34.126-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. VAN CUTSEM, die, loco Advocaat L. DENYS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 4 december 2000 en verklaarde zich voor de eerste maal vluchteling op 30 juli
- 1.
- Op 26 september 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 11 juli 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. Op 18 augustus 2003 diende de verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring alsmede een vordering tot schorsing in van deze bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal. De vordering en het beroep werden verworpen bij ‘s Raads arrest nr. 143.241 van 18 april
- 1.
- Op 28 augustus 2003 verklaarde de verzoekende partij zich voor de tweede maal vluchteling. 1.
- De Minister van Binnenlandse Zaken besloot op 8 september 2003 tot de weigering tot in overwegingname van deze vluchtelingenverklaring, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt als volgt: “Overwegende dat betrokkene op 30/07/2002 een eerste asielaanvraag indiende die door het CGVS op 16/07/2003 afgesloten werd met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Overwegende dat betrokkene op 28/08/2003 een tweede asielaanvraag heeft ingediend waarbij ze verklaarde niet te zijn teruggekeerd naar haar land van herkomst. En in beschouwing nemende dat betrokkene nu documenten voorlegt om haar afstamming aan te tonen en om te bewijzen dat James Olobo inderdaad haar vader is. Deze documenten zou betrokkene per fax ontvangen hebben in augustus
- Men kan zich de vraag stellen waarom betrokkene niet eerder geprobeerd heeft om deze documenten te bemachtigen. Verder brengt betrokkene een brief aan waarin J., die de vader van betrokkene zou zijn, zijn politieke activiteiten nader verklaart. Deze documenten kunnen niet als nieuw element beschouwd worden. VII-34.126-2/7 Betrokkene verklaart verder via telefonisch contact met haar familie vernomen te hebben dat zij onmogelijk terug naar Oeganda zou kunnen omdat haar vader er voortdurend bedreigd wordt. Betrokkene brengt echter geen concrete elementen aan die zouden kunnen dat haar leven in gevaar zou zijn bij een terugkeer naar haar land van herkomst. Verder brengt betrokkene geen elementen aan die betrekking hebben op feiten en gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige procedure. De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen.”. Dit is de bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van artikel 51/8 en 62 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen Eerste onderdeel, Doordat tegenpartij in de bestreden beslissing stelt “dat betrokkene nu documenten voorlegt om haar afstamming aan te tonen en om te bewijzen dat James Olobo inderdaad haar vader is. Deze documenten zou betrokkene per fax ontvangen hebben in augustus
- Men kan zich de vraag stellen waarom betrokkene niet eerder geprobeerd heeft om deze documenten te bemachtigen. (...). Deze documenten kunnen niet als nieuw element beschouwd worden.” Terwijl tegenpartij in het kader van haar eerste asielprocedure de afstammingsband van verzoekster en het vaderschap van J. niet in twijfel heeft getrokken. Pas in de bevestigende beslissing, genomen door de Commissaris-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen op 11 juli 2003, heeft verzoekster kennis genomen van het feit dat haar afstammingsband in twijfel werd getrokken. Toen heeft zij onmiddellijk getracht bewijsstukken te vinden om haar afstamming te bewijzen. Het antwoord op de vraag waarom verzoekster niet eerder gepoogd heeft deze documenten te bekomen is dus evident, zodat de gestelde vraag geen pertinent motief is. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal werd genomen op 11.07.2003 en aan verzoekster betekend op 16.07.
- Verzoekster heeft de nieuwe documenten die haar afstammingsband met J. bewijzen per fax ontvangen op 11.08.2003, of minder dan een maand na de kennisneming van het feit dat deze afstammingsband betwist werd. Aan verzoekster kan derhalve niet verweten worden dat zij niet eerder getracht heeft deze documenten te bemachtigen. Door te stellen dat deze documenten niet als nieuw gegeven beschouwd kunnen worden, schendt tegenpartij artikel 51/8 en artikel 62 van de Vreemdelingenwet omdat zij niet voldoende motiveert waarom de documenten niet als nieuw gegeven beschouwd kunnen worden. Die documenten dateren immers van na de bevestigende beslissing genomen in het raam van de asielaanvraag; bovendien bewijzen ze een van de cruciale gegevens van het vonnis, waarover vroeger geen bewijs bestond, reden waarom een bevestigende beslissing genomen werd. Tweede onderdeel, Doordat tegenpartij in de bestreden beslissing stelt: “verder brengt betrokkene een brief aan waarin J., die de vader van betrokkene zou zijn, zijn politieke activiteiten nader verklaart. Deze documenten kunnen niet als nieuw element beschouwd worden.” Terwijl deze motivering onjuist is. Het document waarin de vader van verzoekster zijn politieke activiteiten nader verklaart, dateert van na de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal of van na de afsluiting van de eerste asielprocedure. Door te stellen dat dit document niet als nieuw gegeven beschouwd kan worden, schendt tegenpartij derhalve artikel 51/8 en schendt ze ook de motiveringsplicht. Immers bewijst het document een van de cruciale gegevens van het dossier, waarover vroeger geen bewijs bestond, reden waarvoor een bevestigende beslissing genomen werd. VII-34.126-3/7 Derde onderdeel, Doordat tegenpartij in de bestreden beslissing stelt dat “betrokkene verklaart verder via telefonisch contact met haar familie vernomen te hebben dat zij onmogelijk terug naar Oeganda zou kunnen omdat haar vader er voortdurend bedreigd wordt. Betrokkene brengt echter geen concrete elementen aan die zouden kunnen dat haar leven in gevaar zou zijn bij een terugkeer naar haar land van herkomst. Terwijl het niet pertinent is of de vader al dan niet bedreigd wordt. De vader van verzoekster wordt beschouwd als een politieke activist. Het is de hoedanigheid van de vader die het leven van verzoekster in gevaar brengt. Verzoekster brengt zeer concrete feiten aan die aantonen dat haar leven in gevaar zou zijn bij terugkeer naar haar land van herkomst. Zij stelt immers dat haar broer vermoord werd door militairen. De moord op haar broer toont aan dat verzoekster risico's loopt in geval van terugkeer naar haar land omwille van het feit dat zij de dochter is van een politieke activist. De bewijzen van de afstamming (eerste onderdeel) en van de politieke activiteiten van de vader (tweede onderdeel), in combinatie met de feiten aangebracht in de bekritiseerde motivering, hebben als gevolg dat er ernstige aanwijzingen zijn voor een vrees voor vervolging. Vierde onderdeel, Doordat tegenpartij stelt dat “betrokkene geen elementen aanbrengt die betrekking hebben op feiten en gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na de laatste van de vorige procedure.” Terwijl het feit of betrokkene elementen aanbrengt die betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige procedure niet pertinent is. De nieuwe gegevens die verzoekster in het kader van haar tweede asielaanvraag aanbrengt, maakt de feiten die zij reeds in haar eerste asielaanvraag uiteenzette, geloofwaardig omdat zij nu de afstammingsband met James Olobo heeft bewezen (zoals reeds geargumenteerd in het derde onderdeel). De Commissaris-generaal had de eerste asielaanvraag van verzoekster immers kennelijk ongegrond verklaard onder meer omdat haar afstammingsband niet bewezen was. Nu door de nieuwe gegevens deze afstamming wel bewezen is, wordt het asielrelaas van verzoekster geloofwaardig en kan niet meer besloten worden dat haar asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Het bewijs van haar afstamming is een nieuw en pertinent gegeven vermits het haar asielrelaas geloofwaardig maakt. Tegenpartij schendt derhalve de motiveringsplicht vervat in artikel 62 van de vreemdelingenwet doordat zij niet voldoende motiveert waarom de stukken aangebracht door verzoekster geen nieuw gegeven in de zin van artikel 51/8 van de vreemdelingenwet uitmaken.”; 2.
- Overwegende dat artikel 51/8, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) luidt als volgt: “De Minister, of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
- De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen.”; VII-34.126-4/7 2.2.
- Overwegende dat, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, uit de bevestigende beslissing die de Commissaris-generaal nam op 11 juli 2003 blijkt dat verzoekster haar eerste asielaanvraag voornamelijk baseerde op de problemen die zij in haar land van herkomst ondervond omwille van de politieke activiteiten van haar vader; dat de afstammingsband tussen verzoekster en de persoon van wie zij beweerde de dochter te zijn, met andere woorden een essentieel element vormde van verzoeksters asielrelaas; dat bijgevolg van verzoekster in alle redelijkheid mocht worden verwacht dat zij met zoveel mogelijk concrete gegevens deze afstammingsband zou trachten aan te tonen, temeer aangezien uit de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal van 11 juli 2003 blijkt dat verzoekster vage, weinig precieze en tegenstrijdige verklaringen aflegde betreffende de persoon van wie zij beweert de dochter te zijn; dat het bijgevolg niet kennelijk onredelijk is van de Minister van Binnenlandse Zaken om thans, ter gelegenheid van verzoeksters tweede asielaanvraag, op te merken dat “men (...) zich de vraag (kan) stellen waarom (verzoekster) niet eerder geprobeerd heeft om deze (afstammings)documenten te bemachtigen”; 2.2.
- Overwegende dat, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, luidens artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet de nieuwe gegevens “betrekking (moeten) hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen”; dat zulks niet het geval is voor de door verzoekster neergelegde brief van J., aangezien zij zelf aangeeft dat J. in deze brief louter “zijn politieke activiteiten nader verklaart” en verzoekster deze politieke activiteiten reeds heeft uiteengezet ter gelegenheid van haar eerste asielaanvraag; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster, wat het derde onderdeel van het middel betreft, weliswaar de overweging van de Minister van Binnenlandse Zaken dat zij ”geen concrete elementen aan(brengt) die zouden kunnen (aantonen) dat haar leven in gevaar zou zijn bij een terugkeer naar haar land van herkomst” betwist, doch er niet in slaagt om met enig concreet element de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van deze overweging; dat verzoekster immers louter verwijst naar de moord op haar broer; dat uit de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal van 11 juli 2003 echter blijkt dat verzoekster dit gegeven reeds ter sprake bracht in het kader van haar eerste asielaanvraag; dat, rekening houdend met artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet, dit feit dan ook niet als een “nieuw gegeven” kan worden beschouwd; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster ten slotte in het vierde onderdeel van het middel nog ingaat op de eindoverweging van de Minister van Binnenlandse Zaken, waarbij deze stelt dat verzoekster verder “geen elementen aan(brengt) die betrekking hebben op feiten en gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige procedure”; dat verzoekster meent dat deze overweging van de Minister van Binnenlandse VII-34.126-5/7 Zaken “niet pertinent” is; dat zij hierin evenwel, gelet op artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet, niet kan worden gevolgd; dat verzoekster zich voor het overige beperkt tot een herhaling van hetgeen zij reeds heeft uiteengezet in het eerste onderdeel van het middel; dat er dan ook kan worden volstaan met een verwijzing naar de bespreking van dit eerste onderdeel; 2.
- Overwegende dat verzoekster bijgevolg niet aantoont dat zij bij haar tweede asielaanvraag nieuwe gegevens heeft aangevoerd, die betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin zij die gegevens had kunnen aanbrengen en die aantonen dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september tweeduizend en vijf, door VII-34.126-6/7 Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-34.126-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.448 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div