id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.482 Rolnummer: A. 136485/VII-29822 Zaak: Arrest 149482 - - 28/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 00:56 Fiche Arrest nr 149.482 van 28 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 149.482 van 28 september 2005 in de zaak A. 136.485/VII-29.822 In zake : XXX, wonende te 2610 ANTWERPEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, afkomstig van Kosovo, op 9 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 juli 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 14 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-29.822-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. GIJBELS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 15 mei 1999 en verklaarde zich op 17 mei 1999 vluchteling. 1.
- Op 27 juli 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. 1.
- Op 11 april 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees afkomstig uit Strellc i Eperm (gemeente Deçan) Kosovo. In 1993 trad u toe tot de Democratische Liga van Kosovo – het LDK. In 1995 werd u voorzitter van het Jeugdforum van het LDK voor uw dorp Strellc i Eperm. U vervulde die functie tot het uitbreken van de oorlog in Kosovo. Uw probleem ontstond in het begin van de oorlog. Enkele dorpelingen stelden voor dat het dorp zich ging bewapenen. U was tegen deze visie en u bepleitte in navolging tot het officiële standpunt van het LDK het geweldloze verzet. De huidige woordvoerder en de secretaris van het AAK – de Alliantie voor de Toekomst van Kosovo - verweten u uw pacifistische houding. Ze meenden dat het tijd was om de wapens op te nemen en dat iedereen die daar niet mee akkoord was, de kogel wachtte. Midden mei 1998 barstte de oorlog los in uw dorp. U vluchtte naar Isnic met uw familie. Daar vroeg het UÇK – het Kosovaarse Bevrijdingsleger – u deel te nemen aan de strijd maar u weigerde dit en vertrok naar Ulcin, Montenegro, met uw familie. Daar verbleef u tot u eind november 1998 terugkeerde naar uw dorp Strellc. U kende er een relatieve rust omdat de zone volledig gedemilitariseerd was. Met de start van de NAVO-bombardementen vluchtte u samen met familieleden naar Albanië, waar u ongeveer één maand doorbracht in Durres. Daarna trok u samen met uw broer en uw stiefmoeder naar België. Op 8 mei 1999 kwam u België binnen en op 17 mei vroeg u VII-29.822-2/6 asiel aan. Uw broer en stiefmoeder keerden in 2000 uit eigen beweging terug naar Kosovo. U legde de volgende documenten neer: uw identiteitskaart afgeleverd op 29 januari 1992 te Deçan, een attest van het LDK dat bevestigt dat u lid was en dat u voorzitter geweest bent van het Jeugdforum, een nagezonden attest van het LDK afdeling Benelux (dd. 04.04.2003) dat uw positie binnen het LDK bevestigt, enkele documenten en foto’s uit Kosovo die bevestigen dat uw woning hevig beschadigd werd tijdens het conflict, enkele documenten over uw ziekenhuisopname in juni 2000, een doktersattest (dd. 25.03.2003) dat u een ‘ernstig medisch probleem’ heeft, een Belgisch schoolbewijs en verschillende recente artikelen en een video rond politieke moorden in Kosovo en in uw streek in het bijzonder. B. Motivering Allereerst dient te worden opgemerkt dat de geloofwaardigheid van uw asielaanvraag ernstig ondermijnd wordt door enkele tegenstrijdigheden in uw opeenvolgende verklaringen. Zo verklaarde u op het Commissariaat-generaal dat u in mei 1998 weigerde te reageren op de oproep van het UÇK omdat u geweld geen oplossing vond (verhoorverslag CGVS p. 8). Deze pacifistische ingesteldheid is echter op geen enkele wijze terug te vinden in uw verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Integendeel: u verklaarde er tot twee maal toe de intentie te hebben gehad u aan te sluiten bij het UÇK: de eerste keer in mei 1998, de tweede keer rond maart
- Wat uw poging van maart 1999 betreft, wist u eraan toe te voegen dat u niet slaagde in uw opzet omdat het UÇK een tekort aan wapens had. Daarom besloot u verder te reizen naar Albanië en zette u uiteindelijk koers naar België (verhoorverslag DVZ vraag 42). Overigens repte u bij de Dienst Vreemdelingenzaken met geen woord (verhoorverslag DVZ vraag 42, 45, 46 en 47) over de door u op het Commissariaat-generaal aangehaalde bedreigingen van het AAK omwille van uw vredelievend standpunt (verhoorverslag CGVS p. 7, 9, 10 en 11). Wat er ook van zij, u heeft in uw opeenvolgende verklaringen geen feiten of elementen aangehaald waaruit zou blijken dat u bij een eventuele terugkeer naar uw geboortestreek Strellc in Kosovo anno 2003 een risico zou lopen op een ernstige en persoonlijke vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Sinds uw vertrek uit uw geboortestreek in maart 1999 is de situatie immers gevoelig gewijzigd en is er een einde aan de oorlog gekomen. Overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, zijn het bestuur en de controle van Kosovo momenteel in handen van de internationale gemeenschap, die ernstige inspanningen levert om de orde en de rust te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijkse leven. Bovendien hebben de Servische autoriteiten en ordetroepen zich sinds juni 1999 uit Kosovo teruggetrokken. Wat uw beweerde vrees voor represailles van leden van het AAK betreft, dient erop gewezen te worden dat volgens de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, het LDK bij de parlementsverkiezingen in november 2001 met bijna 46% van de stemmen als absolute overwinnaar uit de bus kwam – het AAK behaalde met nauwelijks 8% van de stemmen de vierde plaats. Bij de gemeenteverkiezingen van oktober 2002 kwam het in uw streek weliswaar tot een ex aequo tussen het LDK en het AAK, maar elders was de overwinning voor het LDK. Het is dan ook niet ondenkbaar bij een eventuele terugkeer naar Kosovo mogelijke problemen te vermijden door u elders dan in Deçan te vestigen. U vreest voor uw leven in geval van terugkeer en verwijst hierbij naar de verschillende politieke moorden die er in Kosovo en in uw streek in het bijzonder hebben plaatsgevonden (verhoorverslag CGVS p. 9, 10 en 11, video en neergelegde krantenartikels). Hierbij kan opgemerkt worden dat het politieke profiel van een toppoliticus moeilijk vergeleken kan worden met dat van een lokale voorzitter van een Jeugdforum. Daarenboven wijst niets in uw verklaringen erop dat u in geval van problemen geen beroep zou kunnen doen op de in Kosovo aanwezige lokale en internationale autoriteiten. Het feit dat uw woning in Kosovo ernstig beschadigd is (neergelegde attest en foto's), is een probleem van socio-economische aard dat als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie ressorteert. Wat tenslotte uw in uw verzoekschrift naar aanleiding van uw dringend beroep (dd. 08/08/2000) ingeroepen VII-29.822-3/6 vrees voor vervolging door de Servische autoriteiten omwille van desertie betreft - een vrees die u overigens niet vermeldde in uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken noch tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal - moet gesteld worden dat deze niet langer actueel is. Immers, op 3 maart 2001 werd in Joegoslavië een wet van kracht die voorziet in amnestie voor dienstweigeraars en deserteurs en die betrekking heeft op bovengenoemde feiten begaan tot 7 oktober
- Bovendien blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage, dat de amnestie correct wordt toegepast. De door u neergelegde documenten van de LDK zijn niet van die aard om alsnog bovenstaande vaststellingen te wijzigen, daar uw lidmaatschap van deze partij nooit ter discussie stond. De door u neergelegde krantenartikels en video hebben, gezien bovenstaande tegenstrijdigheden en uw gering politiek profiel, geen betrekking op uw persoonlijke vluchtmotieven. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat in een enig middel het volgende wordt ingeroepen: "De motivering van de aangevochten beslissing overtuigt dan ook geenszins. Niet enkel is zij door een onverantwoord tijdsverloop geïnspireerd en met miskenning van de elementen van de zaak zoals zij zich aandienden op het ogenblik dat verzoeker zijn aanvraag tot erkenning als vluchteling om politieke redenen formuleerde doch bovendien intrinsiek strijdig met meerdere beoordelingen en motiveringen van de Kamer van de Commissie voor Regularisatie in volkomen analoge situaties van personen die zelfs familieleden zijn van verzoeker! Als én per 18 augustus 2000 én per 17 januari 2001 de situatie in Kosovo nog als zeer precair en niet-veilig wordt omschreven is het manifest onjuist om te stellen dat ingevolge Uno-resolutie dd. 10 juni 1999 de situatie ter plaatse aanzienlijk gewijzigd is. De gebezigde terminologie (" die ernstige inspanningen levert om de orde en rust te herstellen") wijst trouwens niet op een effectief bereikt resultaat! De bestreden beslissing is derhalve met machtsoverschrijding genomen. Aan de motiveringsplicht zoals voorzien in de vreemdelingenwet van 15 december 1980 en in de wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is in casu niet voldaan, de ingeroepen motivering niet adekwaat zijnde en voor ernstige betwisting vatbaar. Daarenboven is er schending van de motiveringsplicht in de mate dat voor de besluitvorming verwezen wordt naar informatie welke beweerdelijk in bijlage zou gevoegd zijn doch die geenszins gevoegd was bij de betekende beslissing (toepassing amnestie). Dat bovendien niet specifiek gemotiveerd doch enkel geponeerd wordt dat de asielaanvraag bedrieglijk zou zijn VII-29.822-4/6 Dat de ingeroepen motieven evenwel enkel de ongegrondheid kunnen raken, quod non, doch geenszins de bedrieglijkheid Dat verder evenmin gemotiveerd wordt inzake de ingeroepen humanitaire redenen en de familiehereniging, eveneens ingeroepen in het verzoek tot dringend beroep. Dat er derhalve op meerdere punten in het geheel geen alleszins geen adekwate motivering is Dat tenslotte verzoeker dient te wijzen op een flagrante miskenning van het gelijkheidwaardigheidsbeginsel nu enerzijds kennelijke de politieke activiteit van verzoeker voor het LDK niet betwist wordt doch anderzijds zijn politiek gewicht niet zwaar genoeg geacht wordt (" geen toppoliticus") om risico voor lijf en leden mee te brengen. M.a.w. enkel "top politici" zouden risico lopen en bescherming verdienen. Een en ander is overigens een manifeste miskenning van de etnische gevoeligheden en spanningen in Kosovo."; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de bestreden beslissing wel degelijk de redenen aangeeft waarom de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van oordeel was dat de asielaanvraag bedrieglijk was, namelijk omwille van de vastgestelde tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen; dat deze tegenstrijdigheden niet worden betwist; dat de asielaanvraag niet alleen kennelijk ongegrond werd bevonden omdat zij geen verband hield met de criteria van de Conventie van Genève, maar werd afgewezen omdat zij bedrieglijk was; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de bestreden beslissing op dat vlak onwettig is; dat de vaststelling dat de asielaanvraag bedrieglijk was, op grond van artikel 52, § 2, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) volstond om die aanvraag te verwerpen; dat het middel, in de mate waarin het opkomt tegen de materiële motivering met betrekking tot het kennelijk ongegrond karakter van de aanvraag, zelfs zo het gegrond zou worden bevonden, niet tot nietigverklaring kan leiden; Overwegende dat het grondwettelijk vastgestelde gelijkheidsbeginsel een verschillende behandeling niet verhindert, mits dit verschil berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is; dat het redelijk verantwoord is dat de overheid, bevoegd om een vluchtelingenverklaring te beoordelen, een onderscheid maakt tussen “top politici” en plaatselijke politici, omdat eerstgenoemden uiteraard meer risico’s lopen om in hun land door aan de macht zijnde politieke tegenstrevers te worden vervolgd; dat het middel niet gegrond is; VII-29.822-5/6
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-29.822-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.482 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div