id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.504 Rolnummer: A. 136745/VII-29858 Zaak: Arrest 149504 - - 28/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-03 00:56 Fiche Arrest nr 149.504 van 28 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 149.504 van 28 september 2005 in de zaak A. 136.745/VII-29.858 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 15 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 15 april 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-29.858-1/6 Gelet op de beschikking van 11 juli 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 14 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat B. VRIJENS, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 2 december 1999 en verklaarde zich op 3 december 1999 vluchteling. 1.
- Op 16 november 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. 1.
- Op 9 april 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U, een Indisch staatsburger verklaarde van de deelstaat Gujarat, district Baroda, subdistrict Karjan afkomstig te zijn en uw land te hebben verlaten omwille van politieke problemen. Op 24/11/1999 verliet u het land. Op 25/11/1999 bent u in België aangekomen waar u op 3/12/1999 asiel hebt gevraagd. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Vanaf 1997 ontwikkelde u activiteiten voor de Congress Party. Uw taak bestond erin tijdens de verkiezingsperiode slogans te helpen schrijven en drukken. Daarbuiten hielp u bij meetings bij de concrete organisatie om de mensen te ontvangen, zitplaatsen en voedsel te voorzien e.d.. U probeerde ook mensen van de ideeën van de partij te overtuigen. In 1998 hield de verantwoordelijke van het subdistrict Karjan, Chandubhai Dabhi een speech. Tijdens zijn voordracht ontstond een gevecht. Er bleken eveneens BJP (Bharatiya Janata Party) voorstanders in de zaal VII-29.858-2/6 aanwezig te zijn. U raakt bij het gevecht vrij ernstig gewond. U werd samen met een vijftal anderen naar het ziekenhuis gebracht. U verbleef daar drie dagen. Vijf dagen nadat u het ziekenhuis had verlaten, werd u lastiggevallen door BJP getrouwen. Ze vroegen u waarom u zo betrokken was bij de Congress Partij. Ze vroegen u de partij te verlaten. Indien u de partij zou blijven helpen en in Gujarat zou blijven, zouden u en uw gezin gedood worden. U weigerde dat en lichtte de plaatselijke voorzitter in. Deze achtte dat u en uw familie in gevaar waren en dat u onmiddellijk uw woonplaats diende te verlaten. De partij zorgde voor onderdak bij partijleden in Surat. Tijdens uw verblijf in Surat kwamen de BJP getrouwen uw echtgenote en ouders nog eens bedreigen. Ze wilden weten waar u zich bevond. Uw familie lichtte hen echter niet in over waar u zich op dat moment bevond. De partij vond de situatie dermate ernstig dat zij u voorstelde het land te verlaten. U regelde zelf het paspoort en de agent die de partij inhuurde zorgde voor het nodige visum. U verbleef 9 tot 10 maanden in Surat alvorens u het land kon verlaten. B. Motivering Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat uw leven of vrijheid op het spel staan overeenkomstig de criteria van de Conventie van Genève. De door u aangehaalde vervolgingsdaden zijn immers onvoldoende zwaarwichtig om een vervolgingszin in de zin van de Conventie teweeg te brengen. Vooreerst blijkt dat u een low-profile activist was van de Congress Partij. Uw eigenlijke politieke activiteiten waren eerder beperkt. Het lijkt dan ook weinig waarschijnlijk dat u door aanhangers van de BJP dermate hard zou worden aangepakt. Bovendien blijkt uit uw verklaringen dat u op geen enkel moment rechtsbescherming zocht tegen eventuele bedreigingen. U was niet het slachtoffer van vervolging door de Indische overheid, maar ondervond problemen met privé-personen. U deed geen beroep op de Indische autoriteiten omdat u vreesde dat de problemen alleen maar erger zouden worden (zie gehoorverslag CGVS p11). Indien u om één of andere reden geen vertrouwen stelde in de plaatselijke politie, diende u bij een ander politiekantoor of bij een hogere instantie bescherming te vragen. Bovendien overstijgt uw vrees het lokale niveau niet. U ondervond geen enkel probleem gedurende de periode dat u in Surat, in de deelstaat Gujarat ,verbleef (zie gehoorverslag CGVS p10). Uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat de Congress Partij in bepaalde deelstaten aan de macht is en u dus daar een veilig onderkomen kon bieden. Indien u niet in Surat (Gujarat) wenste te leven, kon u dus nog voor een andere woonplaats in een andere deelstaat waar uw partij aan de macht is, kiezen. Gelet op deze informatie heeft u onvoldoende elementen aangebracht waarom u zich niet elders in het land zou kunnen vestigen. De door u voorgelegde documenten kunnen aan bovenstaande vaststellingen niets wijzigen. De twee attesten van de Congress Party laten vermoeden dat u contacten had met de partij. De kopie van het medisch attest dat werd opgesteld in India geeft een aanwijzing aangaande uw opname in het hospitaal. U legde echter geen enkel document voor waaruit uw identiteit blijkt, waardoor niet met zekerheid kan gesteld worden dat de documenten u betreffen. Gelet op het voorgaande kan voor u geen vermoeden van een gegronde vrees tot vervolging, zoals voorzien in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". VII-29.858-3/6 Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het recht van verdediging doordat de asielaanvraag van de verzoekende partij niet binnen de redelijke termijn werd behandeld door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Overwegende dat artikel 63/3, §1, derde lid van de Vreemdelingenwet een termijn bepaalt van 30 dagen waarbinnen de beslissingen van de commissaris-generaal in dringend beroep moeten worden genomen; dat bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is voorzien, zodat het een termijn van orde betreft; dat de overschrijding van de redelijke termijn tot gevolg zou hebben dat de in eerste aanleg genomen beslissing definitief wordt; dat deze beslissing van de minister van Binnenlandse zaken een weigering van verblijf inhoudt, zodat de verzoekende partij uit het middel geen voordeel kan halen bij vernietiging van de thans bestreden beslissing; dat het middel niet ontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de verzoekende partij zich beroept op de schending van artikel 1, (A), 2 van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsplicht; dat de verzoekende partij aanvoert dat de commissaris-generaal heeft nagelaten haar vrees voor vervolging grondig te toetsen aan de Conventie van Genève, dat uit rapporten blijkt dat de mensenrechten worden geschonden in haar streek van herkomst en dat het niet eenvoudig is om zich probleemloos elders te vestigen; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met enige bepaling van voornoemd verdrag; Overwegende dat, inzake de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de VII-29.858-4/6 Vreemdelingenwet, tegelijk de schending van de formele én de materiële motiveringsplicht aanvoeren niet mogelijk is; dat een gebrek aan deugdelijke formele motivering het de betrokkene onmogelijk maakt uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is; dat omgekeerd dan ook, wanneer men in staat is een schending van de materiële motiveringsplicht aan te voeren, dit betekent dat de verzoekende partij van een schending van de formele motiveringsplicht geen schade heeft ondervonden; dat, nu uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de beslissing kent, het middel, voorzover het gesteund is op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat de verzoekende partij eveneens opwerpt dat de bestreden beslissing artikel 52 van de Vreemdelingenwet schendt; dat echter niet wordt ingezien, en de verzoekende partij verduidelijkt dit ook niet, op welke manier de bestreden beslissing welk onderdeel van artikel 52 zou hebben geschonden; dat het middel niet de voldoende duidelijke omschrijving van de vermeende overtreden rechtsregel bevat noch voldoende duidelijk de wijze omschrijft waarop de bestreden handeling die regel zou hebben geschonden; dat dit onderdeel van het middel niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden en niet-ontvankelijk is; Overwegende dat rapporten en documenten met betrekking tot de algemene toestand in het land van herkomst geen aanduiding vormen van een vervolging in de zin van de Conventie van Genève voor zover de verzoekende partij niet met concrete elementen aantoont dat zij persoonlijk wordt geviseerd; dat de verzoekende partij geen concrete gegevens aanbrengt met betrekking tot haar persoonlijke situatie; dat de stelling van de verzoekende partij, dat de commissaris-generaal in casu onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan, niet kan worden bijgevallen; dat het oordeel van de commissaris-generaal om de asielaanvraag van verzoeker als kennelijk ongegrond te bestempelen niet kennelijk onredelijk is, gelet op de feitelijke gegevens van het dossier; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: VII-29.858-5/6 Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-29.858-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.504 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div