← België

Arrest 149577 - - 28/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.577 Rolnummer: A. 109513/XIV-6268 Zaak: Arrest 149577 - - 28/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 01:05 Fiche Arrest nr 149.577 van 28 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.577 van 28 september 2005 in de zaak A. 109.513/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. SAROLEA, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, Rue Saint-André 5 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 16 augustus 1953 en van Azerbeidzjaanse nationaliteit, op 24 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 juli 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 26 juli 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-6268-1/5 Gelet op de beschikking van 14 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 1 juni 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM, die, loco Advocaat S. SAROLEA, verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché V. HOEFNA- GELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 17 juni 1999 en verklaart zich vluchteling op 22 juni
  6. 1.
  7. Op 14 juli 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 26 juli 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 13 november 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is. Betrokkene, van Armeense origine verklaarde verscheidene problemen te hebben gehad in Azerbeidjan omwille van zijn origine. Hij zou in april 1980 in Azerbeidjan gehuwd zijn met Bagirova Suzanne, van Azerische origine. Betrokkene zou gewoond hebben in het dorp Michailovka, in het district Hanlar, waar hij in 1989 tweemaal zou lastig gevallen zijn door Azerische mannen. Tengevolge van deze incidenten zou betrokkene in maart 1990, samen met zijn echtgenote en zoon Vahan, het dorp verlaten hebben. Hij zou via Georgië gevlucht zijn naar Moskou, waar hij op drie verschillende plaatsen zou verbleven hebben. In de herfst van 1997 zou hij op de markt zijn lastig gevallen door zes Azerische mannen. Begin januari 1999 zou betrokkene twee Azerische mannen bij zijn echtgenote in zijn woning hebben aangetroffen. Die zouden betrokkene geslagen en gedreigd hebben hem te vermoorden indien hij niet zou vertrekken. Vervolgens ongeveer 15 à 20 dagen later, zou betrokkene op straat zijn opgewacht waarbij hij opnieuw fysiek zou mishandeld zijn. Tenslotte zou hij vijf dagen na dit laatste incident, bij thuiskomst, hebben ontdekt dat zijn echtgenote samen met zijn zoon was vertrokken. Ongeveer twee dagen later zou de eigenares van de woning betrokkene hebben meegedeeld dat zijn echtgenote met dezelfde bovenvernoemde Azerische mannen was meegegaan. Hierna zou betrokkene op 13 juni 1999 Moskou hebben verlaten en door middel van een vrachtvliegtuig naar Lvov (Oekraïne) zijn gevlucht om vervolgens met een toeristenbus via Hongarije verder te vluchten naar België. Op 16 juni 1999 zou hij in België zijn aangekomen waar hij op 22 juni 1999 asiel heeft aangevraagd. Betrokkene is in het bezit van een geboorteakte. XIV-6268-2/5 De geloofwaardigheid van betrokkenes relaas wordt ondermijnd nadat werd vastgesteld dat zijn verklaringen afgelegd op het Commissariaat-generaal tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen eerder afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Inzake de twee incidenten die zouden gebeurd zijn in Azerbeidjan verklaarde betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken (p. 1) dat deze beide zouden plaatsgevonden hebben in februari 1988, terwijl hij tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal (p. 10) meedeelde dat het eerste incident zich zou hebben afgespeeld in mei 1989 en het tweede in november
  9. Ook kan geen geloof gehecht worden aan betrokkenes verklaringen omtrent zijn verblijf en zijn problemen in Moskou. Zo verklaarde betrokkene op het CG (p. 6 en 7) sinds 1990 in Moskou te hebben verbleven op drie verschillende adressen, maar kan hij geen van deze adressen opgeven, noch kan hij meedelen (of aanduiden op een kaart) in welk deel van Moskou hij zou verbleven hebben. Tevens zou betrokkene éénmaal door de politie zijn aangehouden (CG p. 17) wegens zijn illegaal verblijf. Registratie in Moskou zou hem zijn geweigerd en vluchtelingenstatus of staatsburgerschap zou hij niet hebben gevraagd omdat hij onder Armeniërs zou vernomen hebben dat dit zinloos was. Uit informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal blijkt echter dat voor vluchtelingen uit Armenië en Azerbeidjan in de periode van betrokkenes binnenkomst in Rusland (rond 1990) dergelijke bescherming wel bestond (Bron:International journal of Refugee Law, 1994). Met betrekking tot de Azerbeidzjaanse mannen waarmee hij in Moskou problemen zou hebben gekend, verklaarde betrokkene voor de DVZ (pt. 42) dat hij, op het moment dat hij ze in zijn appartement bij zijn vrouw aantrof, reeds op de hoogte was dat zij in hun appartementsblok woonden en dat ze hem reeds eerder hadden lastiggevallen. Op het CG verklaarde betrokkene echter dat hij die mannen toen nog niet kende, ze enkel eens van ver op straat had gezien en niet wist dat het Azebeidzjanen waren (verslag CG, p. 13). Ook verklaarde betrokkene op het CG (p. 13) dat hij toen door hen werd afgeranseld, terwijl hij voor de DVZ (pt. 42). verklaarde dat hij toen niet, maar pas bij een volgende ontmoeting door hen fysiek mishandeld werd. Ook verklaarde betrokkene omtrent zijn vrouw op het Commissariaat-generaal (p. 1) dat zijn echtgenote geboren is in Massis (Armenië), terwijl hij eerder op de DVZ (pt. 13) had verklaard dat zij in Kirovabad (Azerbeidzjan) geboren was. Het door betrokkene neergelegde document, namelijk zijn geboorteakte wijzigt niets aan hetgeen hierboven werd uiteengezet. Bovenstaande vaststellingen zijn van die aard dat geen enkel geloof aan betrokkenes asielrelaas kan worden gehecht. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 14 juli
  10. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren." (...).”.
  11. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat uit de brief van 12 mei 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat er op 25 januari 2005 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat dit tot bewijs van het tegendeel betekent, dat de verzoekende partij ofwel vertrokken is en het land heeft verlaten, ofwel verblijft op een onbekend adres; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocaat van de verzoekende partij ter zitting bevestigt dat de dominus litis nog instructies heeft van de cliënt; dat het toekomt aan de Advocaat van een verzoekende partij zijn mandaat ter terechtzitting te bewijzen met concrete, geactualiseerde en controleerbare gegevens, rekening houdend met de eigenheid van het Vreemdelingencontentieux; dat in casu blijkt dat de verzoekende partij sedert 25 januari 2005 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het XIV-6268-3/5 tegendeel aantoont, en zijn mandaat niet kan bewijzen, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang;
  12. Over de gegrondheid van de zaak. 3.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van het artikel 1, (A) 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconven- tie); dat de verzoekende partij het middel onderverdeelt in vijf onderdelen, die hierna worden geanalyseerd; 3.
  14. Overwegende dat, wat het eerste onderdeel betreft, de in de bestreden beslissing vernoemde tegenstrijdigheid blijkt uit de schriftelijke weergave van de respectievelijke verklaringen van de verzoekende partij voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal; dat de verzoekende partij na voorlezing verklaarde dat de gegevens overeenstemden met de inlichtingen die zij gaf; dat het niet onredelijk is om deze tegenstrijdigheid als element in de beoordeling van de asielaanvraag op te nemen; dat, wat het tweede onderdeel betreft, uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal terdege blijkt dat de verzoekende partij geen van haar drie adressen te Moskou kent, noch op een kaart kan aanduiden in welk deel van Moskou zij verbleef; dat deze vaststelling in aanmerking kon worden genomen bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas; dat de bestreden beslissing in dit verband kon overwegen dat enkel het opgeven van de wijk niet volstaat; dat, wat het derde onderdeel betreft, uit de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij het vluchtelingenstatuut niet heeft aangevraagd louter en alleen, omdat het haar afgeraden werd door andere vluchtelingen; dat deze vaststelling niet te rijmen valt met de ernst van een vluchtsituatie; dat de verwijzing naar de verslechterde toestand voor "Kaukasische vluchtelingen" vanaf 1993 in Moskou niet relevant is, aangezien de vraag over het vluchtelingenstatuut rijst in 1990; dat, wat het vierde onderdeel betreft, uit het verhoorverslag van Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de verzoekende partij verklaarde door de twee Azerbeidzjaanse mannen voortdurend te zijn lastiggevallen, alvorens door hen te zijn afgeranseld, terwijl zij op het Commissariaat-generaal verklaarde dat zij hen op het ogenblik van de mishandeling niet kende; dat de tegenstrijdigheid derhalve terdege kon worden vastgesteld; dat bovendien niet duidelijk is waarom de verzoekende partij plots werd lastiggevallen en bovendien wordt het verband met één van de criteria van de Vluchtelingenconventie niet aangetoond; dat, wat het vijfde onderdeel betreft, de tegenstrijdigheid blijkt uit het administratief dossier; dat de beweringen van de verzoekende partij op dit punt niet van aard zijn de vaststellingen van de bestreden beslissing te weerleggen; dat het middel in al zijn onderdelen, ongegrond is; XIV-6268-4/5
  15. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6268-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.577 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.