← België

Arrest 149587 - - 29/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.587 Rolnummer: A. 122748/XII-3578 Zaak: Arrest 149587 - - 29/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-06 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 01:05 Fiche Arrest nr 149.587 van 29 september 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.587 van 29 september 2005 in de zaak A. 122.748/XII-

  1. In zake : Anne-Marie CRAPS, die woonplaats kiest bij advocaat N. Vandebroeck, kantoor houdende te Leuven, C. Meunierstraat 111 tegen : de STAD AARSCHOT, die woonplaats kiest bij advocaat B. Van Tongelen, kantoor houdende te Aarschot, Statiestraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Anne-Marie Craps op 20 juni 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 november 2001 van het college van burgemeester en schepenen van Aarschot waarbij zij vanaf 6 augustus 1999 van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte wordt gesteld; Gelet op het arrest nr. 113.094 van 29 november 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 2 januari 2003 ingediend door verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 15 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-3578-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. Goris, die loco advocaat N. Vandebroeck verschijnt voor verzoekster, en van advocaat T. Van Aerschot, die loco advocaat B. Van Tongelen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster, departementshoofd openbaar ambt bij de stad Aarschot, op 27 augustus 1997 het slachtoffer is van een ongeval op de weg van het werk naar huis; dat in een “consolidatieverslag” van 7 april 1999 de adviserende geneesheer van OMOB, verzekeraarster van de wettelijke verplichtingen van verwerende partij inzake arbeidsongevallen, de consolidatiedatum op 1 mei 1999 bepaalt; dat hierop OMOB met brieven van 30 april 1999 aan verzoekster, respectievelijk de verwerende partij laat weten dat verzoeksters afwezigheid op het werk slechts tot en met 30 april 1999 aan het ongeval kan worden toegeschreven en van dan af in het kader van de ziekteverzekering geregeld moet worden; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen op 17 februari 2000 besluit verzoekster vanaf 6 augustus 1999 van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte te stellen, vermits zij op dat ogenblik de maximumduur bereikt heeft van het verlof wegens ziekte dat haar op grond van de vastgestelde verlofregeling om die reden kan verleend worden; dat op 18 juli 2000 de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant de uitvoering van de beslissing schorst omdat het besluit gebaseerd is op een door OMOB vastgestelde consolidatiedatum, wijl deze datum door de administratieve gezondheidsdienst bepaald moet worden; XII-3578-2/7 Overwegende dat op 29 november 2001 het college van burgemeester en schepenen beslist dat verzoeksters “tijdelijke” ongeschiktheid na 30 april 1999 niet meer op medische gronden door de aard van het ongeval verantwoord is, dat van dan af de afwezigheden op het werk in het kader van de ziekteverzekering geregeld zullen worden, dat verzoekster vanaf 6 augustus 1999 van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte wordt gesteld vermits zij op dat ogenblik de maximumduur bereikt heeft van het verlof wegens ziekte dat haar op grond van de vastgestelde verlofregeling om die reden kan verleend worden, dat deze administratieve stand van kracht zal blijven tot het einde van haar ziekteverlof en dat zij voor de periode waarin zij zich in die stand bevindt een wachtgeld ontvangt gelijk aan 60 % van haar laatste activiteitswedde; dat de gouverneur zich niet tegen de uitvoering van de beslissing verzet; dat hij in een brief van 24 april 2002 aan verzoekster onder andere schrijft : “Het personeelsstatuut vermeldt in artikel 261 wel dat een verlof zonder tijdsbeperking wordt toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, maar nergens geeft dit artikel elk personeelslid het recht om bij het even welk soort arbeidsongeval en om het even welke tijdelijke werkongeschiktheid onbeperkt ziekteverlof op te eisen. Bij een volledige tijdelijke werkongeschiktheid is het ziekteverlof aan geen tijdsduur gebonden. Welnu, precies deze tijdelijke werkongeschiktheid ingevolge het ongeval wordt ter zake betwist, en op dit punt behoudt het bestaande deskundig verslag al zijn waarde. De aangestelde deskundige oordeelde dat er ten gevolge van het voormelde arbeidsongeval een volledige tijdelijke werkongeschiktheid was van de datum van het ongeval tot en met 30 april 1999”; Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 261 van het personeelsstatuut van de stad Aarschot; dat zij uiteenzet dat het artikel een ziekte- of gebrekkigheidsverlof toestaat zonder tijdsbeperking naar aanleiding van een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk, dat zij dus niet op 6 augustus 1999 de maximumduur van haar verlof wegens ziekte heeft bereikt, dat het ziekte- of gebrekkigheidsverlof na een arbeidsongeval niet eindigt bij consolidatie van de letsels of op het ogenblik dat de herverzekeraar beslist dat de tijdelijke ongeschiktheid op medische gronden niet meer verantwoord is door de aard van het ongeval, dat het artikel 261 bovendien uitdrukkelijk bevestigt dat de naar aanleiding van een arbeidsongeval toegestane verlofdagen niet in aanmerking komen voor het bepalen van de ziektedagen waarop het personeelslid recht heeft “en dit zelfs tot na de datum van consolidering”, dat de verwerende partij nog geen beslissing over de datum van consolidatie heeft genomen XII-3578-3/7 en daarvoor overigens zou moeten beschikken over het oordeel van de administratieve gezondheidsdienst, wat niet het geval is; Overwegende dat volgens de verwerende partij, in de memorie van antwoord, de afwezigheid van verzoekster ná 30 april 1999 geen afwezigheid meer is naar aanleiding van het ongeval op de weg van en naar het werk dat haar overkomen is; dat zij toelicht dat de beslissing geen uitspraak doet over de consolidatie of over de blijvende ongeschiktheid, maar alleen stelt dat op medisch vlak een totale tijdelijke ongeschiktheid niet kan worden verantwoord door het ongeval, dat de bestreden beslissing genomen is op basis van de bevindingen van de raadsgeneesheer van de herverzekeraar OMOB, dat te dezen het causaal verband tussen de afwezigheid en het ongeval doorbroken is, dat hieraan geen afbreuk doet het feit dat met betrekking tot de consolidatie nog geen beslissing werd genomen door de administratieve gezondheidsdienst, dat het oordeel over het causaal verband tussen een afwezigheid en een ongeval aan de herverzekeraar OMOB toekomt, dat artikel 261 van het statuut geen onbeperkt recht op afwezigheid garandeert na een arbeidsongeval, maar “duidelijk en letterlijk spreekt van een afwezigheid naar aanleiding van een arbeidsongeval, hetgeen precies het vereiste van een causaal verband impliceert”, dat ten slotte verzoekster geen enkel stuk bijbrengt “dat het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de volledige tijdelijke werkongeschiktheid en het arbeidsongeval na datum van 30/4/1999 aantoont”; Overwegende dat ook in de laatste memorie de verwerende partij er bij blijft dat “het causaal verband tussen het arbeidsongeval en de afwezigheid van Mevrouw Craps op het werk verbroken [is], zodanig dat het niet meer art. 261 van het personeelsstatuut [is] dat van toepassing is”; Overwegende dat de bestreden beslissing verzoekster, met toepassing van artikel 228 van het administratief statuut, vanaf 6 augustus 1999 van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte stelt; dat daartoe in aanmerking wordt genomen dat de “tijdelijke” ongeschiktheid van verzoekster, die vanaf 27 augustus afwezig is wegens een arbeidsongeval, na 30 april 1999 op medische gronden niet meer verantwoord is door de aard van het ongeval, dat haar afwezigheid op het werk vanaf 1 mei 1999 dan ook in het kader van de ziekteverzekering geregeld moet worden en dat zij op 6 augustus 1999 de maximumduur bereikt heeft van het verlof wegens ziekte dat haar op grond van de vastgestelde verlofregeling om die reden kan verleend worden; XII-3578-4/7 Overwegende dat overeenkomstig genoemd artikel 228 van het toepasselijke administratief statuut, het personeelslid van rechtswege in disponibiliteit is wanneer het wegens ziekte afwezig is nadat het de maximumduur heeft bereikt van het verlof dat het op grond van de vastgestelde verlofregeling om die reden kan worden verleend, zulks evenwel “[o]nder voorbehoud van artikel 261 van dit statuut”; dat artikel 259, § 1, het ziekteverlof dat een personeelslid kan krijgen, bepaalt op “maximum 21 werkdagen per 12 maanden dienstanciënniteit”; Overwegende dat ten tijde van de bestreden beslissing artikel 261 luidt (versie “13/06/2001”- stuk 40 van verzoekster, laatste blad) : “In afwijking van artikel 259 wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van:
  3. een arbeidsongeval;
  4. een ongeval op de weg van en naar het werk;
  5. een beroepsziekte. Bovendien komen de in die gevallen toegestane verlofdagen zelfs na de datum van consolidering, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen welke het personeelslid nog kan krijgen bij toepassing van artikel 259”; Overwegende dat de verwerende partij verzoeksters afwezigheden vanaf 1 mei 1999 niet meer aanziet als verantwoord door het arbeidsongeval van 27 augustus 1997 op grond van “de medische verslagen die ter beschikking staan”; dat het, gelet op het verweer van de verwerende partij en haar administratief dossier, in wezen om slechts één verslag gaat, een zogenaamd “consolidatieverslag” van 7 april 1999 vanwege OMOB, met wie een verzekeringsovereenkomst is gesloten ter dekking van de gemeentelijke verplichtingen inzake arbeidsongevallen; Overwegende dat in dit verslag de adviserende geneesheer L. Jonckheer concludeert dat de letsels die verzoekster bij het ongeval van 27 augustus 1997 opliep geconsolideerd zijn, dat een verdere evolutie niet meer te verwachten is, dat zij belangrijke restletsels overhoudt en dat de globale economische arbeidscapaciteitsvermindering 20 % bedraagt; dat de consolidatie-datum op 1 mei 1999 wordt vastgesteld, en voor de beschrijving van de restletsels onder meer verwezen wordt naar verzoeksters “huidige klachten” (op 7 april 1999) : om de tien dagen hoofdpijnaanvallen, waarbij dan geen licht of lawaai kan worden verdragen en misselijkheid ontstaat, geheugen- en concentratieproblemen; XII-3578-5/7 Overwegende dat de Raad van State zich tevergeefs afvraagt wat OMOB -in haar brieven van 30 april 1999 aan verzoekster, respectievelijk verwerende partij- en de verwerende partij er toe brengt uit dat verslag op te maken dat een afwezigheid van verzoekster op het werk slechts tot en met 30 april 1999 aan het ongeval kan worden toegeschreven en dat, bijgevolg, een afwezigheid vanaf 1 mei 1999 noodzakelijk in het kader van de ziekteverzekering geregeld moet worden; dat, in zoverre de bepaling van de consolidatiedatum op 1 mei 1999 daar voor iets tussen zou zitten, vastgesteld moet worden, ten eerste, dat ter zake niet OMOB, maar de administratieve gezondheidsdienst bevoegd is en, ten tweede, dat het administratief statuut zelf uitdrukkelijk doet kennen dat de consolidatie van de verwondingen er geen beletsel voor is dat nog verlof wegens ziekte “naar aanleiding van” het betrokken ongeval op de weg van en naar het werk wordt genoten; dat daarvoor verwezen mag worden naar artikel 8 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten, (...) voor arbeidsongevallen en voor ongevallen overkomen op de weg naar en van het werk, respectievelijk het hiervoor aangehaalde artikel 261, tweede lid, van het administratief statuut van verwerende partij; Overwegende dat de verwerende partij in de gegeven omstandig- heden niet aannemelijk maakt verzoekster, voor haar afwezigheid wegens ziekte ná 1 mei 1999, op goede grond het voordeel van artikel 261 van het administratief statuut te hebben ontzegd; dat derhalve evenmin blijkt dat de bestreden beslissing verzoekster terecht vanaf 6 augustus 1999 van rechtswege in disponibiliteit stelt, omdat zij op dat ogenblik de maximumduur zou hebben bereikt van het verlof wegens ziekte dat haar op grond van de vastgestelde verlofregeling om die reden kan worden verleend; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  6. Vernietigd wordt het besluit van 29 november 2001 van het college van burgemeester en schepenen van Aarschot dat Anne-Marie Craps vanaf 6 augustus 1999 van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte stelt. XII-3578-6/7 Artikel
  7. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3578-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.587 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.113.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.