← België

Arrest 149589 - - 29/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.589 Rolnummer: A. 69991/XII-2283 Zaak: Arrest 149589 - - 29/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-06 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 01:06 Fiche Arrest nr 149.589 van 29 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.589 van 29 september 2005 in de zaak A. 69.991/XII-2283. In zake : An TIREZ, wonende te Lebbeke, Kerkstraat 12 tegen : de VZW OOSTVLAAMSE POLITIEACADEMIE, met zetel te Mendonk, Spendonkstraat 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat An Tirez op 23 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 20 mei 1996 waarbij zij voor haar inzet bij het volgen van de opleidingscursus voor politieagent aan de Oostvlaamse Politieacademie de quotering “slechte inzet : 12/40” heeft gekregen; Gelet op het arrest nr. 63.028 van 13 november 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op de beschikking van 29 oktober 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2005; XII-2283-1\8 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Mercken, die loco advocaat J. Vermassen, verschijnt voor de verzoekende partij, en van administrateur W. Dejaegher, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoekster op 25 augustus 1994 door de gemeenteraad van Lebbeke is aangesteld als aspirant-politieagent; dat zij een eerste keer op 17 mei 1995 en een tweede keer op 18 september 1995 door de examencommissie van de Oostvlaamse Politieacademie niet geslaagd is verklaard voor de opleiding voorgeschreven door artikel 9 van het koninklijk besluit van 27 oktober 1986 houdende de algemene bepalingen aangaande de aanwerving en benoeming in de graad van politieagent en van veldwachter; dat zij in januari 1996 opnieuw aan de opleiding heeft deelgenomen, met vrijstelling van alle examens en met de enige bedoeling haar punten voor “dagelijkse inzet” waarvoor zij een quotering van 15/40 had gekregen, te verbeteren; dat bij het einde van die sessie, op 20 mei 1996, op een vergadering “punten inzet”, waarvan het relaas is opgenomen in de “persoonlijkheidsnota” die over verzoekster met betrekking tot de beoordeling van haar dagelijkse inzet is opgemaakt, besloten is haar de quotering “slechte inzet 12/40” toe te kennen; dat het proces-verbaal van de examencommissie, gedagtekend 23 mei 1996, vermeldt : “De examencommissie legt na deliberatie de uitslag vast : [...]

  1. c)is niet geslaagd voor de herexamens (3e aanmelding - 73e cyclus) : An TIREZ (Lebbeke) 70,79%. Niet gedelibereerd op basis van de onvoldoende dagelijkse inzet na kennisname van de persoonlijkheidsnota tot stand gekomen bij de toekenning punten dagelijkse inzet, waarvan eensluidende kopie aan onderhavig PV van deliberatie wordt gehecht om er een integrerend deel van uit te maken”; dat de directeur van de Oostvlaamse Politieacademie op 28 mei 1996 aan verzoekster heeft medegedeeld dat zij niet geslaagd is voor de “herexamens 3e aanmelding” en XII-2283-2\8 dat zij, omdat zij de “drie wettelijke kansen benut” heeft, uitgesloten is van verdere deelneming; dat op 13 juni 1996 aan verzoekster een afschrift van het proces-verbaal van deliberatie en van haar “persoonlijkheidsnota” met inbegrip van het “verslag van de vergadering van 20 mei 1996” is bezorgd; dat zij vervolgens door de gemeenteraad van Lebbeke is ontslagen uit het ambt van aspirant-politieagent met een opzegtermijn tot september 1996; 2. Het voorwerp van het beroep. Overwegende dat het voorwerp van het beroep heromschreven werd in het voormelde arrest nr. 63.028 betreffende de vordering tot schorsing, als gericht tegen de beslissing van 20 mei 1996 genomen door het omkaderingspersoneel van de school en de daarop gesteunde beslissing van 23 mei 1996 van de examencommissie van de Oostvlaamse Politieschool om verzoekster niet te delibereren en haar bijgevolg niet geslaagd te verklaren; dat verzoekster in haar memories tegen die nadere omschrijving geen bezwaren uit; dat die heromschrijving ook in de procedure ten gronde geldt; 3. De ontvankelijkheid en gegrondheid van het beroep. 3.1. Overwegende dat verzoekster zich in een feitenrelaas in haar inleidend verzoekschrift verzet tegen de haar ter kennis gebrachte redenen die in de persoonlijkheidsnota zijn vermeld en die het omkaderingspersoneel ertoe hebben gebracht haar “dagelijkse inzet” als slecht te beoordelen en haar een cijfer van 12/40 toe te kennen; dat zij meer bepaald een verweer aanbrengt ten aanzien van elk der vaststellingen die onder de noemer “globale beoordeling” in de persoonlijkheidsnota als door verzoekster begane tekortkomingen zijn vermeld om dan, specifiek ten aanzien van de “vergadering punten inzet” van 20 mei 1996, te wijzen op de subjectiviteit van de aangewende criteria doordat slechts vier van de 25 docenten op de vergadering aanwezig waren en doordat slechts drie van hen een opmerking lieten noteren, zodat “de andere leden van de vergadering behorend tot het omkaderingspersoneel in deze een doorslaggevende stem (hebben) gehad”; dat zij er vervolgens ook nog op wijst dat de beoordeling van haar persoonlijkheid waarmee de persoonlijkheidsnota begint “zeer arbitrair en zonder enige aanduiding van de gebruikte criteria” is opgesteld; dat zij voorts in haar inleidend verzoekschrift die middelen als volgt verwoordt : “5. Middelen tot nietigverklaring : XII-2283-3\8 Dat verzoekster, onverminderd alle andere middelen, aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, volgende middelen tot schorsing [sic] voorstelt : Eerste middel, afgeleid uit artikel 10 en artikel 11 van de Grondwet en van het algemene rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur doordat door een onproportionele en onredelijke beslissing verzoekster werd uitgesloten van verdere deelname, ondanks het feit dat [de] beslissing de toegelaten marge van subjectiviteit bij de beoordeling van de waarde of de betekenis van de in aanmerking genomen concrete gegevens van de zaak ruimschoots heeft geschonden. Tweede middel, afgeleid uit artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, en van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijke motivering, schending van de wet op de uitdrukkelijke motivering van 29 juli 1991 doordat de motivatie van de beslissing van de deliberatieraad tegen elke redelijkheid en zorgvuldigheid ingaat en niet op aanvaardbare motieven steunt om in rechte en in feite een beoordeling te geven. De cijfers die de beoordeling weergeven roepen vragen op omtrent de ernst van de beoordeling.” Overwegende dat verzoekster krachtens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging vóór de afdeling administratie van de Raad van State gehouden is in haar inleidend verzoekschrift een uiteenzetting van feiten en rechtsmiddelen te verstrekken; dat daarbij onder rechtsmiddel wordt verstaan de aanwijzing van een geschonden geachte rechtsregel, waarbij tevens de wijze wordt aangegeven waarop deze wordt geschonden; dat te dezen verzoekster haar uitvoerig feitenrelaas afzondert van haar middelen, op een dergelijke wijze dat, hoewel de middelen talrijke geschonden geachte rechtsnormen bevatten, deze niet meer, elke norm afzonderlijk, in verband worden gebracht met haar feitelijke grieven; dat zij het aldus in wezen aan de verwerende partij en de Raad van State overlaat elk van de feitelijke grieven af te wegen aan elk van de geschonden geachte rechtsnormen; dat de middelen slechts worden onderzocht in zoverre de geuite grieven meteen in verband kunnen worden gebracht met bepaalde geschonden geachte rechtsnormen; Overwegende, wat betreft de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dat verzoekster in haar verzoekschrift niet uiteenzet ten opzichte van wie de verwerende partij haar ongelijk zou hebben behandeld; dat haar argumentatie daaromtrent, pas in de memorie van wederantwoord en laatste memorie aangebracht, niet meer vermag de initiële niet-ontvankelijkheid van dit middelonderdeel te verhelpen; Overwegende dat, voorts, in de twee middelen in essentie wordt betoogd dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de XII-2283-4\8 bestuurshandelingen is geschonden evenals de materiële motiveringsverplichting en het redelijkheidsbeginsel; Overwegende dat verzoekster, blijkens de door de verwerende partij in het administratief dossier neergelegde stukken, in mei 1995 niet geslaagd is verklaard om reden dat zij een onvoldoende had behaald op vier vakken, waarvan blijkens het huishoudelijk reglement en het erbij gevoegde programma van onderricht, drie vakken niet op basis van een mondelinge of schriftelijke proef, maar uitsluitend op basis van de inzet van de betrokkene worden beoordeeld, met name de vakken “assertiviteit, samenwerkingsproblemen, contacten met het publiek” en “zelfverdediging”, te beoordelen door de bevoegde docent, en de “dagelijkse inzet”, te beoordelen door het omkaderingspersoneel; dat de “persoonlijkheidsnota” die toentertijd op 18 mei 1995 met betrekking tot de beoordeling van haar “dagelijkse inzet” is opgemaakt een gemotiveerde negatieve conclusie bevat en daaraan het cijfer 15/40 heeft gekoppeld; dat verzoekster dit cijfer nooit in vraag heeft gesteld, ook niet nadat de provinciegouverneur op 29 november 1995 had medegedeeld dat “de lesgevers unaniem van oordeel waren dat de inzet van betrokkene tijdens hun lessen ondermaats was”; dat verzoekster, blijkens de haar op 28 mei 1996 medegedeelde puntenstaat, in de sessie die aanleiding was tot de bestreden beslissing, nu voor de vakken assertiviteit en zelfverdediging wel de helft van de punten heeft behaald, met name 11/20 en 25/40, maar dat het omkaderingspersoneel, vergaderd op 20 mei 1996, toch opnieuw besloten heeft haar inzet als “slecht” te beoordelen en haar nu 12 punten op 40 toe te kennen; Overwegende dat de persoonlijkheidsnota die dienaangaande door de directeur van de academie is opgemaakt, onder meer een opsomming geeft van een aantal concrete tekortkomingen die lastens verzoekster in de loop van de opleiding zijn vastgesteld; dat zij vervolgens de opmerkingen vermeldt die door verschillende aanwezigen op de vergadering van het omkaderingspersoneel zijn gemaakt hetgeen, in elk geval formeel, de uiteindelijk genomen beslissing motiveert; Overwegende dat de Raad van State er op grond van de voorliggende stukken ook niet van wordt overtuigd dat de vergadering van het omkaderingspersoneel geen reden had om verzoekster 12 punten op 40 toe te kennen voor haar dagelijkse inzet, met andere woorden dat de beslissing niet of gebrekkig materieel gemotiveerd zou zijn, of dat zij “tegen elke redelijkheid” zou ingaan; dat hij daarbij in aanmerking neemt dat de beoordeling van de “dagelijkse inzet” van een XII-2283-5\8 cursist aan de bevoegde overheid een ruime discretionaire bevoegdheid verleent en dat de beoordeling van iemands inzet zelfs een subjectief aspect bevat, waardoor het toezicht van de Raad van State niet mag inhouden dat de beoordeling door de Raad gewoon wordt overgedaan; dat het middel derhalve slechts gegrond kan worden bevonden indien de door verzoekster aangebrachte argumenten aantonen dat de vergadering van het omkaderingspersoneel, mede in acht genomen de antecedenten waarover zij met betrekking tot verzoekster beschikte, geen reden had om haar inzet nogmaals negatief te beoordelen; dat zoals hierna blijken zal, zulks niet het geval is; Overwegende dat verzoekster vooreerst het verwijt formuleert dat op de vergadering van het omkaderingspersoneel waarop over haar geval is beslist, slechts een beperkt aantal docenten aanwezig was zodat bij de besluitvorming het oordeel van de niet-docenten doorslaggevend is geweest; dat zij evenwel niet aantoont dat het nemen van een beslissing op een dergelijke vergadering afhankelijk is van de aanwezigheid van een minimaal aantal docenten of dat aan bepaalde docenten, die over haar inzet positief konden getuigen, werd belet de vergadering bij te wonen; dat de op de vergadering van 20 mei 1996 aanwezige docenten een negatief oordeel over verzoekster hebben gegeven; dat het in dat verband bijzonder significant voorkomt dat de docent De Geyter, verantwoordelijk voor de vakken “zelfverdediging” en “sport” de mening heeft geuit dat verzoekster voor de lessen “zelfverdediging”, waarvoor zij in de eerdere sessies niet geslaagd was, “min of meer haar best” heeft gedaan en haar voor dat vak 25/40 heeft toegekend, maar dat zij voor de lessen “sport” “terug geen inzet” heeft betoond met de relevante opmerking : “zij had voor dit vak geen punten nodig”; Overwegende dat verzoekster ook het verwijt ontwikkelt dat de persoonlijkheidsnota geen objectieve criteria vermeldt op grond waarvan het omkaderingspersoneel haar persoonlijkheid kon beoordelen en haar op de verschillende beoordelingspunten van matig tot slecht katalogeren; dat evenwel het ontbreken van formeel neergeschreven criteria op grond waarvan de vergadering van het omkaderingspersoneel, als een collegiaal orgaan, haar mening vormt over bepaalde aspecten van de persoonlijkheid op zichzelf niet noodzakelijk de genomen beslissing vitieert; dat te dezen verzoekster met betrekking tot de aspecten die specifiek betrokken kunnen worden op de inzet, met name de “deelnamebereidheid” en de “samenwerking”, de quotering “slecht” heeft gekregen en dat dit correspondeert met de unanieme eindbeslissing “slechte inzet : 12/40”; dat het niet aan de Raad van State toekomt die beoordeling over te doen; XII-2283-6\8 Overwegende dat verzoekster tenslotte de feitelijke vaststellingen, die als “globale beoordeling” in de persoonlijkheidsnota zijn vermeld niet echt betwist, maar voor elk daarvan een persoonlijke visie voorlegt, die door de verwerende partij op aannemelijke wijze wordt tegengesproken; dat de vergadering van het omkaderingspersoneel niet mag worden verweten dat zij “tegen elke redelijkheid” is ingegaan wanneer zij die feiten in haar uiteindelijke beoordeling van verzoeksters inzet een rol heeft laten spelen; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat de in het verzoekschrift aangevoerde middelen deels niet ontvankelijk, deels niet gegrond zijn; 3.2. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord nog stelt dat “in geen enkel KB waarin de wettelijke aanwervings- en bevorderings- voorwaarden voor politieagenten worden vastgesteld, [er] sprake [is] van “inzet” als zijnde een verplicht vak”, voorts dat “doordat zij nooit de kans kreeg zich te verdedigen, er nog een beginsel van behoorlijk bestuur [werd] geschonden, namelijk het recht op verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen” en dat “gezien zij op voorhand niet in kennis werd gesteld van de haar ten laste gelegde elementen en zij, ondanks haar schriftelijk verzoek aan de heer Gouverneur, geen inzage kreeg in haar dossier eveneens het principe van openbaarheid van bestuur niet [werd] gerespecteerd”; Overwegende dat op deze vaststellingen niet moet worden geantwoord, aangezien zij als nieuwe middelen moeten worden aangemerkt, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster beweert in haar laatste memorie, namelijk dat het slechts argumenten zijn ter ondersteuning van de twee middelen die in het inleidend verzoekschrift zijn aangebracht; dat de argumentaties immers gewag maken van geschonden beginselen die niet als dusdanig ter sprake zijn gebracht in de voornoemde middelen; dat ten slotte nergens blijkt dat die nieuwe middelen niet reeds in het inleidend verzoekschrift konden worden aangevoerd of dat zij van openbare orde zouden zijn, XII-2283-7\8 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2283-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.589 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.63.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.