← België

Arrest 149622 - - 30/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.622 Rolnummer: A. 124979/XIV-11159 Zaak: Arrest 149622 - - 30/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 01:15 Fiche Arrest nr 149.622 van 30 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.622 van 30 september 2005 in de zaak A. 124.979/XIV-11.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. PEERENS, kantoor houdende te 1200 BRUSSEL, Kerselarenlaan 116-118 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Iraanse nationaliteit, op 5 augustus 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 juli 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en van de beslissing van 22 juli 2002 waarbij geweigerd wordt hun dossier te heropenen; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.159-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. PEERENS, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  5. XXX en XXX, beide van Iraanse nationaliteit, komen België binnen op 28 september 2000 en verklaren zich vluchteling op 29 september
  6. 1.
  7. Op 2 juli 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 9 juli 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voornoemde beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, genomen ten aanzien van XXX, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, luidt als volgt: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 02.05.2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving XIV-11.159-2/7 van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, genomen ten aanzien van D., die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, luidt als volgt: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 02.05.2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. De beslissing van 22 juli 2002 waarbij geweigerd wordt het dossier van verzoekers te heropenen, die de derde bestreden beslissing uitmaakt, luidt als volgt: “Naar aanleiding van uw brief van 16 juli 2002, laat ik u weten dat ik niet kan overgaan tot de heropening van het dossier van uw cliënt. Alvorens ik deze beslissing heb genomen werd uw vraag tot heropening in combinatie met alle in het dossier aanwezige documenten ernstig onderzocht. De procedure is, wat de bevoegdheid van het Commissariaat-generaal betreft, afgesloten. Ik herinner U eraan dat tegen mijn oorspronkelijke beslissing een beroep mogelijk is bij de Raad van State. De uitleg hierover vindt u duidelijk vermeld in mijn beslissing.”. 1.
  9. Uit de brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 21 april 2005 blijkt dat XXX op 1 december 2003 een tweede asielaanvraag indiende die nog steeds in behandeling is. Hij is in het bezit van een immatriculatieattest sinds 30 december 2003 (verlengbaar per drie maanden) dat inmiddels verlengd werd tot 29 april
  10. XIV-11.159-3/7
  11. Over de ontvankelijkheid. 2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt: “Verzoekers vechten in voorliggend verzoekschrift, naast de bevestigende beslissingen van weigering van verblijf van 9 juli 2002, eveneens de beslissing van 22 juli 2002 houdende de weigering tot heropening van het dossier van verzoekers aan. Verweerder antwoordt dat de vordering tot schorsing van de beslissing van 22 juli 2002 onontvankelijk is wegens gebrek aan belang. Immers, een weigering tot heropening is geen voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling, zoals bepaald in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gezien dit op geen enkele wijze de rechten van betrokkenen wijzigt. (R.v.St. nr. 103.268 van 06 februari 2002). Bovendien is een vraag tot heropening van een dossier een zogenaamd (niet normatief geregeld) 'willig beroep'. In dit geval is het 'beroepsorgaan niet verplicht zich over het beroep uit te spreken, laat staan om dit binnen een bepaalde termijn te doen. (MAST A., DUJARDIN J., VAN DAMME M., EN VANDE LANOTTE J., Overzicht van het Belgisch administratief recht, Antwerpen, Kluwer, 1996, p655, nr. 711). De vordering waarbij verzoekers de schorsing van de weigering tot heropening van hun dossier beogen is onontvankelijk.”; 2.
  13. Overwegende dat met de verwerende partij dient aangenomen dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen houdende dat er niet kan overgegaan worden tot heropening van het dossier, een niet voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling is zoals bedoeld bij artikel 14 van de wetten op de Raad van State; dat het beroep niet ontvankelijk is ten aanzien van de derde bestreden beslissing;
  14. Over de gegrondheid van het beroep. 3.
  15. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “
  16. Middel: machtsoverschrijding 2.
  17. De “bevestigende beslissingen van weigering van verblijf d.d. 9 juli 2002 De Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen baseert de bestreden beslissingen d.d. 9 juli 2002 op de volgende overweging: “Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heft (heeft) immers, zonder geldige redden (reden), geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 02.05.2002 op uw gekozen woonplaats”. Verzoekers hebben nochtans wel degelijk tijdig gevolg gegeven aan de vraag om inlichtingen, door op 13 mei 2002 de vragenlijst, behoorlijk ingevuld, terug te sturen naar verweerder. Verzoekers bewijzen dit middels: a. Een afgiftebewijs van de post; b. Een attest van de sociaal assistente en de sociaal bediende van de V.Z.W. Archipel, die verzoekers hebben geassisteerd bij het invullen en versturen van de vragenlijst. Bijgevolg schenden de bestreden beslissingen d.d. 9 juli 2002 de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, en in het bijzonder artikel 52§2, 4/ van deze wet, door ten onrechte de asielaanvragen van verzoekers op grond van deze bepaling onontvankelijk te verklaren. 2.
  18. De beslissing van 22 juli 2002 houdende de weigering tot heropening van het dossier van verzoekers. XIV-11.159-4/7 De Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen baseert de bestreden beslissing d.d. 22 juli 2002 op de volgende overweging: “Alvorens ik deze beslissing heb genomen werd uw vraag tot heropening in combinatie met alle in het dossier aanwezige documenten ernstig onderzocht. De procedure is, wat de bevoegdheid van het Commissariaat-generaal betreft, afgesloten”. Nochtans is verweerder wel degelijk bevoegd om het dossier van verzoekers te heropenen, op grond van de bewijsstukken die zij voorleggen waaruit blijkt dat zij wel degelijk de vragenlijst tijdig hebben teruggestuurd. De bestreden beslissing d.d. 20 juli 2002 wordt dan ook aangetast door machtsoverschrijding, doordat verweerder met deze beslissing weigert het dossier van verzoekers te heropenen op grond van de overweging geen bevoegdheid te hebben, terwijl verweerder wel degelijk bevoegd is. Hoedanook wordt in de bestreden beslissing niet vermeld waarom verweerder denkt geen bevoegdheid te hebben, zodat de beslissing in elk geval niet uitdrukkelijk en afdoende gemotiveerd is, met miskenning van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.”; 3.2.
  19. Overwegende dat verzoekers machtsoverschrijding aanvoeren, alsook de schending van artikel 52, § 2, lid 4, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij betogen dat zij wel degelijk gevolg hebben gegeven aan de vraag om inlichtingen door op 13 mei 2002 de vragenlijst terug te sturen naar verweerder; dat, om dit te bewijzen, zij een afgiftebewijs van de post voorleggen en een attest van de personen die hen hebben geholpen met het invullen van de vragenlijst; 3.2.
  20. Overwegende dat uit het administratief dossier het volgende blijkt: - de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zendt een verzoek om inlichtingen van 11 april 2002 naar beide verzoekers op de hun gekozen woonplaats (adreswijziging 12 december 2001): Kurthstraat 31 bus 1 te 1730 ASSE. Hij vestigt de aandacht op de bepalingen van artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet; - de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zendt een nieuwe vraag om inlichtingen van 02 mei 2002 naar verzoekers op voornoemd adres met de vraag de bijgevoegde vragenlijst zo snel mogelijk in te vullen en aangetekend terug te zenden. Hij wijst er hen op dat hij hen de hoedanigheid van vluchteling kan weigeren indien ze geen gevolg geven aan deze vraag om inlichtingen binnen een maand na de verzending ervan; - op 9 juli 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bevestigende beslissingen van weigering van verblijf. De bestreden beslissingen vermelden dat de asielaanvragen van verzoekers onontvankelijk zijn, omdat ze, zonder geldige reden, geen gevolg hebben gegeven binnen een maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de aangetekende brief van 2 mei 2002; - Op 16 juli 2002 richt de advocaat van verzoekers een brief naar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met het verzoek de negatieve beslissingen te herzien. In bijlage voegt hij stavingsstukken (afgiftebewijs post en attest van personen die verzoekers hielpen bij het invullen van de vragenlijst); - Op 22 juli 2002 laat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen weten dat hij niet kan overgaan tot de heropening van de dossiers; XIV-11.159-5/7 3.2.
  21. Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat om de asielaanvraag onontvankelijk te verklaren wanneer “de vreemdeling, binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven”; dat verzoekers niet betwisten dat zij het verzoek van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ontvangen hebben met de vraag om de vragenlijsten zo snel mogelijk in te vullen en aangetekend op te sturen; 3.2.
  22. Overwegende dat de vraag rijst welke de bewijswaarde is van de twee stukken die verzoekers voorleggen om te staven dat zij de zendingen wel degelijk tijdig hebben teruggestuurd naar het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat het afgiftebewijs van de Post van 13 mei 2002 niet de vereiste aanduidingen bevat die kunnen staven dat zij de zendingen wel degelijk tijdig en aangetekend hebben teruggestuurd naar het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat het geen vermelding van een aangetekende zending bevat, de geadresseerde (Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen) wordt niet vermeld, noch het voorwerp van de zending; dat het bijgevolg bewijskracht ontbeert; dat het attest van de sociaal assistente en de sociale bediende van de v.z.w. Archipel van 15 juli 2002 vermeldt dat verzoeker zich bij de sociale dienst heeft aangemeld om de vragenlijst van zijn dringend beroep in te vullen en zelfs een tweede exemplaar vroeg; dat het verder vermeldt dat verzoeker zijn problematiek zelf wilde invullen; dat deze brief evenwel geen bewijs vormt voor de stelling van verzoekers dat zij de vragenlijsten op 13 mei 2002 effectief aangetekend hebben verzonden naar het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de loutere vermelding dat verzoeker dit exemplaar heeft opgestuurd op 13 mei 2002, hieraan geen afbreuk doet; 3.2.
  23. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen correct toepassing kon maken van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, omdat de “vreemdeling, binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven”; 3.2.
  24. Overwegende dat het onderdeel van het enig middel dat betrekking heeft op de weigering tot heropening van het dossier van 22 juli 2002 niet dient onderzocht, wegens de onontvankelijkheid van het beroep tegen voornoemde beslissing; dat het enig middel niet gegrond is;
  25. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-11.159-6/7 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  26. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  27. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.159-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.622 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.