← België

Arrest 149624 - - 30/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.624 Rolnummer: A. 111729/XIV-6993 Zaak: Arrest 149624 - - 30/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 01:15 Fiche Arrest nr 149.624 van 30 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.624 van 30 september 2005 in de zaak A. 111.729/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ghanese nationaliteit, op 8 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van het bevel van 10 september 2001 om het grondgebied van het Rijk te verlaten uiterlijk op 15 september 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 november 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-6993-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Ghanese nationaliteit, komt in België toe op 18 augustus 1989 en vraagt diezelfde dag asiel aan. Op 17 april 1990 neemt de Dienst Vreemdelingenzaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 23 mei 1990 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf. 1.
  4. Op 5 juni 1990 vraagt XXX asiel aan te Frankrijk. Op 28 juni 1991 treedt verzoekster te Frankrijk in het huwelijk met E., erkend vluchteling in België. Verzoekster komt terug naar België en krijgt een bijlage 15bis geldig van 17 oktober 1991 tot en met 17 januari
  5. Op 16 september 1992 krijgt verzoekster een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten wegens het niet in het bezit zijn van een geldig inreisvisum. 1.
  6. Op 16 september 1990 vraagt verzoekster opnieuw asiel aan in België maar onder een andere identiteit, met name XXX. De procedure eindigt met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen genomen op 11 juli
  7. 1.
  8. In november 1994 keert verzoekster terug naar Ghana en vraagt bij de Belgische Ambassade te Ivoorkust een visum aan. 1.
  9. Verzoekster komt in België aan op 14 januari 1997 met een visum voor gezinshereniging. Zij ontvangt van de stad Antwerpen een aankomstverklaring geldig tot 14 april
  10. Zij wordt op 30 maart 1998 in het bezit gesteld van een bijlage 15bis, gevolgd door een attest van immatriculatie geldig tot 29 maart
  11. Op 31 maart 2000 wordt zij in het bezit gesteld van een Bewijs van Inschrijving in het Vreemdelingenregister. XIV-6993-2/6 1.
  12. Bij vonnis van 2 maart 1999 vernietigt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen haar huwelijk als zijnde een schijnhuwelijk. Tegen deze beslissing dient verzoekster op 30 april 1999 hoger beroep in. Op 6 december 2000 wordt dit vonnis door het Hof van Beroep te Antwerpen bevestigd. Op 16 juni 2001 wordt het vernietigingsarrest overgeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de stad Antwerpen. 1.
  13. Op 5 september 2000 is verzoekster in het bezit gesteld van een identiteitskaart voor vreemdelingen, geldig tot 5 september
  14. 1.
  15. Op 26 oktober 2001 heeft verzoekster een verzoek om naturalisatie gericht aan de ambtenaar van de Burgerlijke stand te Antwerpen. 1.
  16. Op 10 september 2001 wordt verzoeksters identiteitskaart voor vreemdelingen afgenomen en wordt haar een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. Dit is de bestreden beslissing. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “REDEN VAN DE BESLISSING - art. 7, al. 1-3/ van de wet van 15 december 1980: door haar gedrag wordt zij geacht de openbare of de nationale veiligheid te kunnen schaden; bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen de dato 06/12/2000 werd haar huwelijk met E. nietig verklaard als schijnhuwelijk.”.
  17. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  18. Overwegende dat verzoekster als middelen aanvoert: “Middelen tot nietigverklaring Schending van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen: 1.
  19. Schending van artikel 15 in fine van de wet van 15 december 1980: Artikel 15 van de Vreemdelingenwet voorziet in fine dat de vreemdeling die het bewijs levert dat hij vijf jaar ononderbroken en regelmatig in het Rijk verblijft, gemachtigd is tot vestiging. In casu verblijft verzoekster ononderbroken en regelmatig in België sedert meer dan vijf jaar. Verzoekster is dus gemachtigd tot vestiging in het Rijk en kan niet bevolen worden het land te verlaten omdat zij niet zou voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, 1-1/ van de Vreemdelingenwet. De bestreden beslissing schendt bijgevolg artikel 15 van de Vreemdelingenwet en dient om die reden vernietigd te worden. 1.2 Schending van artikel 20 van de wet van 15 december 1980: Dit artikel voorziet dat de in het Rijk gevestigde vreemdeling slechts kan uitgezet worden door de Koning, dit na advies van de Commissie van advies voor de vreemdelingen, wanneer hij de openbare orde of de veiligheid van het land ernstig heeft geschaad. In casu is verzoekster gevestigd in het Rijk, zodat alleen de Koning, na het advies te hebben ingewonnen van de Commissie van advies voor de vreemdelingen, verzoekster zou kunnen uitzetten indien verzoekster de openbare orde of de veiligheid van het land ernstig zou hebben geschaad. XIV-6993-3/6 De bestreden beslissing voldoet aan geen enkele van deze voorwaarden, zodat de bestreden beslissing artikel 20 van de Vreemdelingenwet schendt en om die redenen dient vernietigd te worden. 1.
  20. Schending van artikel 21 van de wet van 15 december 1980: Artikel 21 van de Vreemdelingenwet voorziet dat niet mogen worden teruggewezen, noch uitgezet uit het Rijk mogen worden, behalve in geval van ernstige aanslagen op de openbare orde of de veiligheid van het land: de vreemdelingen die er op regelmatige en ononderbroken wijze verblijven sedert minstens tien jaar. Hoger werd aangetoond dat verzoekster reeds regelmatig en onafgebroken in België verblijft sedert oktober 1991, zijnde dus 10 jaar. Het bestreden bevel om het land te verlaten binnen de vijf dagen schendt dan ook artikel 21 van de Vreemdelingenwet en dient om die redenen vernietigd te worden.
  21. Schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens: In dit artikel voorziet het EVRM dat de overheid zich enkel kan inmengen in het privéleven van vreemdelingen wanneer dit nodig is in een democratische samenleving in het belang van de veiligheid van het land, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de goede gezondheid en de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van de anderen. Volgens de auteur Luc Denys houdt dit in dat de Koning een belangenafweging dient te maken tussen de rechten en de belangen van de samenleving en deze van de vreemdeling en zijn gezin. Zie hierover Denys L., Vreemdelingenrecht Commentaar, Heule, UGA, 1998, p.
  22. In casu wordt in de bestreden beslissing aan geen enkele belangenafweging gedaan, reden waarom artikel 8 van het EVRM geschonden werd en de bestreden beslissing dient vernietigd te worden.”; 2.2.1.
  23. Overwegende dat verzoekster als eerste middel de schending van artikel 15 in fine van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) aanvoert; dat verzoekster stelt dat zij meer dan vijf jaar ononderbroken en regelmatig in België verblijft en bijgevolg gemachtigd is tot vestiging in het Rijk; 2.2.1.
  24. Overwegende dat artikel 15 in fine van de Vreemdelingenwet bepaalt: “Tenzij redenen van openbare orde of van veiligheid van het land er zich tegen verzetten, moet de machtiging tot vestiging eveneens verleend worden aan de vreemdeling die het bewijs levert dat hij vijf jaar regelmatig en ononderbroken in het Rijk verblijft. (...)”; dat het bestreden bevel het gevolg is van de nietigverklaring van verzoeksters huwelijk; dat de nietigverklaring van het huwelijk geldt met terugwerkende kracht; dat derhalve verzoekster zich niet langer kan beroepen op de voordelen die haar op grond van dit huwelijk zijn toegekend; dat verzoeksters verblijfstoestand moet worden vastgesteld als had haar huwelijk nooit plaatsgevonden; dat verzoekster derhalve geen machtiging tot vestiging kan doen gelden in België aangezien zij geen bewijs kan leveren dat zij vijf jaar regelmatig in het Rijk verbleef; dat de nietigverklaring van het huwelijk de openbare orde raakt; dat verzoekster door haar schijnhuwelijk de openbare orde heeft geschaad; dat artikel 15 in fine van de Vreemdelingenwet in casu niet van toepassing is; dat het eerste middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-6993-4/6 2.2.2.
  25. Overwegende dat verzoekster als tweede middel de schending van artikel 20 van de Vreemdelingenwet aanvoert; dat verzoekster stelt dat zij gevestigd is in het Rijk zodat zij alleen door de Koning, na advies te hebben ingewonnen van de Commissie van advies voor de vreemdelingen, zou kunnen worden uitgezet indien zij de openbare orde of de veiligheid van het land ernstig zou hebben geschaad; 2.2.2.
  26. Overwegende dat artikel 20 van de Vreemdelingenwet bepaalt: “(...) De in het Rijk gevestigde vreemdeling kan, wanneer hij de openbare orde of de veiligheid van het land ernstig heeft geschaad, door de Koning uitgezet worden na advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen. Indien de maatregel gegrond is op de politieke activiteit van deze vreemdeling, moet over het uitzettingsbesluit in de Ministerraad beraadslaagd worden. (...)”; dat uit de bespreking onder het eerste middel blijkt dat verzoekster niet gevestigd is in het Rijk; dat artikel 20 van de Vreemdelingenwet in casu niet van toepassing is; dat het tweede middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.3.
  27. Overwegende dat verzoekster als derde middel de schending van artikel 21 van de Vreemdelingenwet aanvoert; dat verzoekster stelt dat zij sedert oktober 1991 regelmatig en ononderbroken verblijft in België, zijnde dus tien jaar; 2.2.3.
  28. Overwegende dat artikel 21 van de Vreemdelingenwet bepaalt: “Behalve in geval van ernstige aanslag op de openbare orde of de veiligheid van het land, mogen niet worden teruggewezen, noch uitgezet uit het Rijk: 1/ de vreemdelingen die er op regelmatige en ononderbroken wijze verblijven sedert minstens tien jaar; (...)”; dat verzoekster geen verblijfsrecht kan doen gelden in België en dat zij zich derhalve bezwaarlijk kan beroepen op artikel 21 van de Vreemdelingenwet; dat artikel 21 van de Vreemdelingenwet in casu niet van toepassing is; dat het derde middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.4.
  29. Overwegende dat verzoekster als vierde middel de schending van artikel 8 van het E.V.R.M. aanvoert; dat verzoekster stelt dat volgens bepaalde rechtsleer, voor de toepassing van bovenvermeld artikel, de Koning een belangenafweging dient te maken tussen de rechten en de belangen van de samenleving en deze van de vreemdeling en zijn gezin; dat, met betrekking tot verzoekster, er geen belangenafweging werd gedaan; XIV-6993-5/6 2.2.4.
  30. Overwegende dat artikel 8 van het E.V.R.M. een inmenging in het privé- leven toelaat, indien dit noodzakelijk is om de openbare orde te beschermen; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster door haar gedrag de openbare orde heeft geschaad omdat haar huwelijk een schijnhuwelijk bleek te zijn; dat het vierde middel niet gegrond is;
  31. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  32. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  33. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-6993-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.624 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.