← België

Arrest 149626 - - 30/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.626 Rolnummer: A. 123772/XIV-10790 Zaak: Arrest 149626 - - 30/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 01:15 Fiche Arrest nr 149.626 van 30 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.626 van 30 september 2005 in de zaak A. 123.772/XIV-10.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. BEVERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149/8 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Russische nationaliteit, op 11 juli 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 juni 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 23 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; XIV-10.790-1/10 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat St. LARDINOIT die, loco Advocaat G. BEVERS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  5. XXX en XXX, beide van Russische nationaliteit, zijn België binnengekomen op 23 mei 2000 en hebben zich op 29 mei 2000 vluchteling verklaard. 1.
  6. Op 11 september 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 12 juni 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot bevestiging van deze beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van deze beslissingen luidt als volgt: Wat XXX betreft: “Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Russischs staatsburger van Russische origine, verliet op 14 mei 2000 samen met uw echtgenote XXX (o.v. 4.964.850) de Russische Federatie richting België. Op 25 mei 2000 kwam u in België aan waar u vier dagen later het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U bent niet in het bezit van een geldig identiteitsdocument. Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal (dd. 26 oktober 2000) verliet u de Russische Federatie omdat u de gevolgen vreesde van het niet ingaan op een militaire oproeping. Op 3 mei 2000 kwam er een wijkagent naar uw woning die u een convocatie gaf om de volgende dag naar het militaire commissariaat te gaan. De volgende dag bood u zich aan en vernam u dat u zich op 15 mei 2000 moest aanbieden om als specialist naar de oorlog in Tsjetsjenië te gaan. U moest ook uw paspoort en uw militair boekje afgeven. Daarna sprak u met de chef van het militaire commissariaat die u zei dat u verplicht was om naar de oorlog in Tsjetsjenië te gaan. U verliet het militaire commissariaat en ging naar een advocatenbureau. Daar vertelde men u dat u,in het geval u zou weigeren, op zijn minst 20 jaar gevangenisstraf zou krijgen en dat u XIV-10.790-2/10 eventueel kon gefusilleerd zou kunnen worden. U besliste dan om de Russische Federatie te verlaten wat u op 14 mei 2000 deed. Er dient opgemerkt te worden dat nergens uit uw asielrelaas blijkt dat u persoonlijk vervolgd werd omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie. U verliet immers de Russische Federatie omdat u de strafrechtelijke gevolgen vreesde van het niet ingaan op een militaire oproeping als reservist. Er dient gesteld te worden dat niets in uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken, in uw beroepsschrift of tijdens uw interview op het Commissariaat-generaal erop wijst dat u bij uw intreden in het Russische leger enige vrees hoeft te koesteren voor vervolging omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie (namelijk uw nationaliteit of origine, uw religieuze of politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep). Verder kan er worden opgemerkt dat u tijdens uw asielprocedure geen gewetensbezwaren aanhaalde ten opzichte van de militaire dienst. U stelde voor het Commissariaat-generaal integendeel dat u in het verleden uw dienstplicht vervulde zonder het inroepen van gewetensnood. Uit het bovenstaande kan besloten worden dat uw problemen, het niet ingaan op een militaire oproeping en de eventuele daaraan verbonden vervolging, geen verband houden met één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie en dat ze aldus buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen. Vervolgens dient nog opgemerkt te worden dat nergens uit uw asielrelaas blijkt dat u omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie een straf opgelegd zou krijgen die onevenredig zwaar is in verhouding tot de gepleegde feiten. Gezien het bovenstaande kan er in hoofde van u geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie vastgesteld worden. Ook in het kader van de asielprocedure van uw echtgenote Loukianova Valentina (o.v. 4.964.850) werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen.”. Wat XXX betreft: “Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Russisch staatsburger van Russische origine, verliet op 14 mei 2000 samen met uw echtgenoot XXX (o.v. 4.964.850) de Russische Federatie richting België. Op 25 mei 2000 kwam u in België aan waar u vier dagen later het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U bent niet in het bezit van een geldig intern of internationaal Russisch paspoort. Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal (dd. 24 oktober 2000) verliet u de Russische Federatie omdat u de gevolgen vreesde van het feit dat uw man niet op een militaire oproeping was ingegaan. Op 3 of 4 mei 2000 kreeg uw man een convocatie van het militaire commissariaat om zich de volgende dag aan te bieden op het militaire commissariaat. Daar vertelden ze uw man dat hij zich op 15 mei 2000 moest aanbieden om naar de oorlog in Tsjetsjenië te gaan. Uw man weigerde dit en sprak toen met de chef van het militaire commissariaat die hem zei dat hij verplicht was te gaan. Uw man ging toen onmiddellijk naar een advocaat die hem zei dat de Russische militairen volgens de wet handelden. Daarna beslisten jullie om de Russische Federatie te verlaten. Er dient opgemerkt te worden dat u uw asielaanvraag volledig steunt op de motieven aangebracht door uw echtgenoot XXX ter staving van zijn asielaanvraag. Wat betreft het door hem ingesteld dringend beroep werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Bijgevolg kan er in uw hoofde evenmin worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien inde Vluchtelingenconventie.”. XIV-10.790-3/10
  8. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  9. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “
  10. Enig Middel genomen van de schending van artikel 1, A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna "Conventie van Genève"), van de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna "de Vreemdelingenwet"), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  1. Aangezien tweede Verzoekster's procedure samenhangt met die van eerste Verzoeker, zijn de ingeroepen middelen mutatis mutandis toepasselijk op tweede Verzoekster. A. EERSTE ONDERDEEL
  2. Doordat artikel 62 Vreemdelingenwet duidelijk stelt dat de administratieve beslissingen ter kennis moeten worden gebracht en doordat bovendien de beginselen van behoorlijk bestuur moeten gerespecteerd worden.
  3. Terwijl het CGVS dit manifest heeft nagelaten te doen. Het CGVS heeft verscheidene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden.
  4. De rechten van verdediging
  5. Het recht van verdediging houdt in dat eenieder de mogelijkheid heeft om zijn verweermiddelen te doen gelden om een voor hem ongunstige beslissing te vermijden. De Raad van State formuleert dit recht als volgt: "Het is een beginsel van behoorlijk bestuur dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen" (vaste rechtspraak, ondermeer : R.v.St., Thys, nr. 24.651, 18 september 1974; R.v.St., L., nr. 36.471, 20 februari 1991, T. Gem., 1991, 360; R.v.St., Reyniers, nr. 39.156, 3 april 1992) De beslissing van 12 juni 2002)
  6. De bevestigende weigeringsbeslissing van het CGVS werd gestuurd naar het oude adres van Verzoekers in Antwerpen, niettegenstaande het feit dat Verzoekers duidelijk bij aangetekend schrijven gemeld hadden dat hun adres gewijzigd werd (Stuk 7). Het was slechts bij toeval, met name doordat Verzoekers geen stempel meer kregen bij maandelijkse aanmelding aan het gemeentebestuur, dat zij te weten gekomen zijn dat er een negatieve beslissing werd genomen.
  7. Het is overduidelijk dat op deze manier de rechten van verdediging van Verzoekers zijn geschonden. Omwille van de foutieve betekening en het laattijdig ter ore komen van de negatieve beslissing, krijgen Verzoekers niet de mogelijkheid om hun verdediging op een efficiënte wijze voor te bereiden.
  8. Vertrouwensbeginsel
  9. Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur dat inhoudt dat gerechtvaardigde verwachtingen welke door het bestuur bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt, zo enigszins mogelijk moeten worden gehonoreerd, op gevaar af anders het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden.
  10. Verzoekers mochten er op vertrouwen dat het CGVS, eens zij een beslissing zou nemen, hen hiervan op de hoogte zou stellen. Verzoekers hebben hiertoe het CGVS steeds per aangetekend schrijven op de hoogte gebracht van hun adreswijziging. Het enkele feit dat het CGVS dit niet respecteert en de beslissing naar het oude adres van Verzoekers stuurt, is een flagrante schending van het vertrouwensbeginsel.
  11. Zorgvuldigheidsplicht
  12. Ook de "zorgvuldigheidsplicht", één van die beginselen van behoorlijk bestuur werd door het CVGS geschonden. Dit beginsel houdt in dat bij het nemen van een besluit, alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen. Deze plicht geldt reeds in de ontvankelijkheidsfase. Bijgevolg moet nauwkeurig worden nagegaan welke de omstandigheden waren waarin Verzoekers zijn gevlucht. Er moet met andere woorden voor gezorgd worden dat het dossier opgebouwd wordt uit volledige informatie. Het CGVS heeft deze zorgvuldigheidsplicht op verscheidene manieren geschonden. XIV-10.790-4/10
  13. Vooreerst heeft het CGVS zich niet verdiept in de juiste redenen van de vlucht van Verzoekers om op basis van de volledige feiten een ontvankelijkheids beslissing te nemen. Dit wordt ondermeer aangetoond door het feit dat het CGVS zelfs niet is nagegaan tijdens het interview of eerste Verzoeker een moreel bezwaar had om naar de oorlog te gaan.
  14. Bovendien hebben Verzoekers anderhalf jaar moeten wachten alvorens er een beslissing werd genomen, welke dan nog aan het verkeerde adres werd betekend. B. TWEEDE ONDERDEEL
  15. Doordat het CGVS van oordeel is dat eerste Verzoeker (en bijgevolg ook tweede Verzoekster) nergens in zijn asielrelaas kan aantonen dat hij persoonlijk vervolgd werd omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie. Het CGVS suggereert dat de aanvraag van eerste Verzoeker wél ontvankelijk zou zijn indien hij ethische bezwaren tegen de militaire dienst naar voren zou hebben gebracht.
  16. Terwijl deze argumentatie ongegrond is. Artikel 48 van de Vreemdelingenwet stelt dat "als vluchteling wordt beschouwd en tot verblijf of vestiging in het Rijk worden toegelaten “1/ de vreemdeling die krachtens de internationale akkoorden van vóór het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchteling, en van de Bijlagen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, in België de hoedanigheid van vluchteling bezat vóór de inwerkingtreding van de wet van 26 juni 1953 houdende goedkeuring van genoemd verdrag” Artikel 1, A
(2)van de Conventie van Genève bepaalt dat “A. Voor de toepassing van dit Verdrag geldt als vluchteling elke persoon: 2) Die, (...) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen (...).”
  1. Indien bijgevolg personen vrezen dat zij omwille van hun politieke overtuiging vervolgd worden, kunnen zij in aanmerking komen voor het Vluchtelingen statuut en is met andere woorden de aanvraag ontvankelijk waarna er een gegrondheidsonderzoek kan komen.
  2. Ontvankelijkheid wegens politieke reden.
  3. Indien de kandidaat vluchteling zijn thuisland verlaat wegens een “politiek geïnspireerde reden, moet de asielvraag ontvankelijk worden verklaard. Daarna moet er ten gronde nagegaan worden of er inderdaad een gegronde vrees is voor vervolging.
  4. In casu is eerste Verzoeker gevlucht omwille van een politieke reden en wel om de volgende:
  5. Het is duidelijk dat eerste Verzoeker geen gehoor wou geven aan de oproeping van het leger, aangezien hij in een oorlog zou moeten dienen die louter en alleen op etnische overwegingen is gebaseerd. Bovendien tonen tal van internationale rapporten aan dat deze oorlog gekenmerkt wordt door ernstige en systematische schendingen van de mensenrechten. Het “geen gehoor geven” aan een oproeping van het leger is onbetwistbaar een politieke keuze, die gemaakt wordt uit politieke overwegingen. Eerste Verzoeker heeft op zich geen ethische bezwaren tegen het leger, maar wél tegen de functie die het leger vervult in de oorlog tegen Tsjetsjenië. Het was dan ook een pure politieke overweging die eerste Verzoeker ertoe aanzette om de dienst te weigeren. Voorts kan het ook niet betwist worden dat, gelet op de aangehaalde redenen (zie ook randnr. 6) voor dienstweigering, het voor een Russisch soldaat onmogelijk is om een dergelijke politieke overtuiging om te zetten in de praktijk, tenzij door te deserteren. Echter, desertie betekent dat men het land moet ontvluchten en nooit meer kan terugkeren. Op desertie staan immers zware straffen, waaronder de doodstraf.
  6. Het lijdt dan ook geen twijfel dat eerste Verzoeker (en bijgevolg ook tweede Verzoekster) niet kan terugkeren naar het land dat hij verlaten heeft. Integendeel, een terugkeer naar Rusland impliceert automatisch een vervolging voor eerste Verzoeker, waarna hem een zeer lange opsluiting en een mogelijke doodstraf te wachten staat. Hieruit blijkt dat eerste Verzoeker wel degelijk een gegronde vrees aanvoert om vervolgd te worden omwille van zijn politieke overtuiging, namelijk zijn weigering om het Russische leger te dienen als instrument van de persoonlijke machtspolitiek van de regering. Deze overtuiging ligt ten grondslag aan de desertie van eerste Verzoeker. De desertie is het enige gevolg dat hij aan die overtuiging kon geven aangezien, zoals XIV-10.790-5/10 hoger reeds aangetoond, het niet ingaan op de oproeping met toestemming van de autoriteiten onmogelijk is. De desertie is dus niets anders dan de veruitwendiging van de politieke overtuiging van eerste Verzoeker.
  7. Bijgevolg werd de weigering gehoor te geven aan de oproeping van het leger door het CGVS foutief geïnterpreteerd als zijnde “geen politieke overtuiging” waardoor eerste Verzoeker niet onder de Conventie van Genève zou vallen. Het is overduidelijk dat eerste Verzoeker's motief wél politiek geïnspireerd was, waardoor het verzoek minstens ontvankelijk had moeten worden verklaard. C. DERDE ONDERDEEL
  8. Doordat artikel 62 van de Vreemdelingenwet alsook de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen stellen dat de administratieve beslissingen met redenen moeten worden omkleed, moeten de beslissingen van het CGVS een adequate, passende, consistente en begrijpelijke motivering bevatten, die de genomen beslissing kan schragen. Bovendien moeten de motivering en de beslissing steunen op een correcte feitenvinding.
  9. Terwijl dit in casu manifest niet het geval is.
  10. Foute interpretatie van “vrees voor vervolging” in samenhang met de feiten
  11. Vooreerst stelt het CGVS dat “Er dient gesteld te worden dat niets in uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken, in uw beroepschrift of tijdens uw interview op het Commissariaat- generaal erop wijst dat u bij uw intreden in het Russische leger enige vrees hoeft te koesteren voor vervolging omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie (namelijk uw nationaliteit of origine, uw religieuze of politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep)”
  12. Het is overduidelijk dat het CGVS hier een foute interpretatie van de feiten maakt. Eerste Verzoeker heeft inderdaad geen vrees te koesteren bij het intreden in het Russische leger. Eerste Verzoekster heeft daarentegen wél vrees te koesteren voor vervolging omwille van een politieke overtuiging (met name, eerste Verzoeker's politieke visie is tegen de oorlog in Tsjetsjenië waardoor hij er zich niet kan toebrengen om in dienst te treden) waardoor hij weigert in dienst te treden. Het is de weigering van eerste Verzoekster die de vrees tot vervolging, met name een gevangenisstraf van 20 jaar of, volgens het militaire recht, een doodstraf met zich brengt.
  13. Bijgevolg heeft het CGVS een foutieve motivering m.b.t. het niet koesteren van een vrees voor vervolging gemaakt. De stelling van het CGVS als zou eerste Verzoeker (en ook tweede Verzoekster) geen gegronde vrees voor vervolging aangeven, is dan ook een manifeste miskenning van de bepalingen van artikel 1 van de Conventie van Genève.
  14. Aanhalen van argumenten die geen steun vinden in de verslagen van het interview
  15. Het CGVS stelt dat eerste Verzoeker geen gewetensbezwaren aanhaalde ten opzichte van de militaire dienst. Het is volstrekt onbegrijpelijk hoe de CVGS tot deze conclusie is gekomen, temeer daar tijdens het interview, deze vraag nergens is gesteld geweest (Stukken 5 en 6). Bovendien heeft eerste Verzoeker wél morele bezwaren tegen deze specifieke oproeping aangezien hij de oorlog in Tsjetsjenië zou moeten dienen, een oorlog die eerste Verzoeker niet kan bijtreden. Het is dan ook zeer merkwaardig dat het CGVS niet de moeite heeft genomen om na te gaan of eerste Verzoeker morele bezwaren tegen deze oorlog heeft.
  16. Besluit: gebrekkige motivatie
  17. Een afdoende motivering houdt in dat er meer vereist is dan een louter abstracte stijlformule. De motivering moet pertinent en draagkrachtig zijn, d.w.z. dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen.
  18. De Raad van State vernietigt de beslissingen waarvan de motivering vaag, nietszeggend of een loutere stijlformule is (MAST, A., DUJARDIN, J., VAN DAMME, M. EN VANDE LANOTTE, J., Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Kluwer, 14/ druk, 557).
  19. In casu is het onbetwistbaar dat de ganse motivering van het CGVS uit loutere stijlformules bestaat en zelfs niet de moeite neemt om na te gaan of de zaak wel ontvankelijk zou zijn. Nergens toont het CGVS aan dat er eventuele gebreken of inconsequenties zitten in de verhalen van Verzoekers. Het CGVS heeft nagelaten te motiveren waarom de reden van vlucht van Verzoekers geen “door nationaliteit, origine, religieuze of politieke overweging” is geïnspireerd. Integendeel, het CVGS heeft deze “ontvankelijkheid” stap overgeslagen en heeft direct XIV-10.790-6/10 een motivering ten gronde gegeven. Het is onbetwistbaar dat het CGVS niet duidelijk motiveert waarom de zaak dan wel “kennelijk ongegrond” zou zijn.”; 2.2.
  20. Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 1, (A), 2 van de Conventie van Genève, de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de rechten van verdediging, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, verzoekers aanvoeren dat de ganse motivering van de bestreden beslissing uit loutere stijlformules bestaat en de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet duidelijk motiveert waarom de zaak “kennelijk ongegrond” zou zijn; 2.2.2.
  21. Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet zich beperkt tot het poneren van een algemeen recht om als vluchteling te worden erkend indien men voldoet aan de voorwaarden; dat personen die zich beroepen op de Vluchtelingenconventie niet automatisch asiel kunnen verkrijgen, aangezien hiervoor een bepaalde procedure dient te worden gevolgd, die onder meer een ontvankelijkheidsfase inhoudt volgens de criteria vernoemd in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat, met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet de asielaanvragen van verzoekers onontvankelijk werden verklaard, zodat artikel 48 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden ingeroepen; 2.2.2.
  22. Overwegende dat uit de bestreden beslissing ten aanzien van de eerste verzoekende partij blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen concludeert dat zijn asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen; dat uit de bestreden beslissing ten aanzien van de tweede verzoekende partij blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen concludeert tot de kennelijke ongegrondheid van haar asielaanvraag. 2.2.2.
  23. Overwegende dat de kritiek van verzoekers zich beperkt tot de bestreden beslissing ten aanzien van de eerste verzoekende partij; 2.2.2.
  24. Overwegende dat in een eerste onderdeel volgens verzoekers de rechten van verdediging en het vertrouwensbeginsel werden geschonden doordat de weigeringsbeslissingen werden verstuurd naar het oude adres van verzoekers te Antwerpen terwijl zij bij aangetekend schrijven gemeld hadden dat hun adres gewijzigd werd; dat verzoekers menen dat zij op deze manier niet de mogelijkheid hadden om hun verdediging op een efficiënte manier voor te bereiden; dat verzoekers tevens menen dat de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden doordat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zelfs niet heeft onderzocht tijdens het interview of verzoeker XIV-10.790-7/10 al dan niet een moreel bezwaar had om naar de oorlog te gaan en omdat zij anderhalf jaar hebben moeten wachten alvorens een beslissing werd genomen; dat dient opgemerkt dat een eventuele foutieve betekening de wettigheid van de bestreden beslissing niet aantast; dat verzoekers een beroep hebben ingediend bij de Raad van State binnen de termijn en bijgevolg niet aantonen dat zij niet de mogelijkheid hadden om zich op een efficiënte manier te verdedigen; dat in verband met de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel dient gesteld dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en te baseren op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers werden geconvoceerd voor een interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoekers tijdens dit interview de gelegenheid kregen om hun asielmotieven uiteen te zetten, hun argumenten kracht bij te zetten; dat zij nieuwe en/of aanvullende stukken konden neerleggen en zich konden laten bijstaan door een advocaat of door een persoon van hun keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Russische taal machtig is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, op basis van alle stukken vervat in het dossier, om de redenen die vermeld staan in de bestreden beslissing, tot de conclusie is gekomen dat de asielaanvragen van verzoekers onontvankelijk zijn; dat in de ontvankelijkheidsfase de bewijslast in de eerste plaats bij de asielaanvrager berust; dat de bestreden beslissingen werden genomen op grond van de verklaringen van de verzoekende partijen; dat van de verzoekende partijen mag verwacht worden dat zij alle informatie die van belang is voor de asielaanvraag vermelden; 2.2.2.
  25. Overwegende dat in een tweede onderdeel de verzoekende partijen stellen dat hun asielmotieven wel onder de criteria van de Conventie van Genève vallen, aangezien zij gevlucht zijn omwille van politieke redenen; dat verzoekers aanvoeren dat de eerste verzoekende partij geen gehoor wilde geven aan de oproeping van het leger aangezien hij in een oorlog zou moeten dienen die louter en alleen op etnische overwegingen is gebaseerd, zodat het wel duidelijk is dat door geen gehoor te geven aan een oproeping, hij een politieke keuze heeft gemaakt waarvoor hij een zeer lange opsluiting of mogelijk de doodstraf riskeert; dat uit het verhoorverslag bij de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker voor het niet ingaan op een militaire oproeping enkel vermeldde “We zijn tegen de oorlog in Tsjetsjenië”; dat in het beroepschrift van de eerste verzoekende partij wordt vermeld “mensen vermoorden, misschien zelf vermoord worden (daar wordt oorlog gevoerd, dagelijks sterven mensen en niemand is ergens tegen verzekerd (...)”; dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat verzoeker enkel stelt dat hij niet naar Tsjetsjenië wilde als reservist; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing met betrekking tot de eerste verzoekende partij vaststelt dat “(er) kan worden opgemerkt dat u tijdens uw asielprocedure geen gewetensbezwaren aanhaalde ten opzichte van de militaire dienst.” en “integendeel dat u in het verleden uw dienstplicht vervulde zonder het inroepen van gewetensnood”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hieruit XIV-10.790-8/10 in de bestreden beslissing van de eerste verzoekende partij besluit dat het niet ingaan op een militaire oproeping en de eventuele daaraan verbonden vervolging, geen verband houdt met één van de motieven vereist in de Vluchtelingenconventie; dat de bestreden beslissing met betrekking tot de eerste verzoekende partij derhalve steun vindt in de verschillende verklaringen die hij aflegde; dat de argumenten die verzoekers thans aanbrengen en die zij niet vermeldden tijdens hun verklaringen niet in aanmerking kunnen worden genomen; 2.2.2.
  26. Overwegende dat in een derde onderdeel verzoekers stellen dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen geschonden worden doordat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een foute interpretatie maakt van de feiten aangezien de eerste verzoekende partij geen vrees koestert om in het Russische leger dienst te nemen maar wel een vrees voor vervolging omwille van zijn weigering gevolg te geven aan de militaire oproep om naar Tsjetsjenië te gaan; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van oordeel is dat het feit dat verzoeker niet inging op een militaire oproep, zonder gewetensbezwaren aan te halen, en de gevolgen die daaruit voortvloeien geen motieven zijn die bepaald worden in de Conventie van Genève; dat, aangezien verzoeker geen gewetensbezwaren aanhaalde, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op goede gronden kon besluiten dat desertie in de gegeven omstandigheden niet onder de Conventie van Genève ressorteert; dat, gelet op het voorgaande dient te worden aangenomen dat het oordeel van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om de asielaanvraag van verzoekers onontvankelijk te verklaren niet kennelijk onredelijk is; dat verzoekers er niet in slagen valabele argumenten aan te brengen die de wettigheid van de bestreden beslissingen aantast; dat zij evenmin aantonen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een “manifeste appreciatiefout” heeft begaan; dat het middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  27. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  28. XIV-10.790-9/10 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  29. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-10.790-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.