← België

Arrest 149628 - - 30/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.628 Rolnummer: A. 108542/XIV-6023 Zaak: Arrest 149628 - - 30/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 01:16 Fiche Arrest nr 149.628 van 30 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.628 van 30 september 2005 in de zaak A. 108.542/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, op 6 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 juli 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 6 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; XIV-6023-1/10 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  5. XXX, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, is op 4 januari 2000 in België aangekomen en heeft zich vluchteling verklaard op 11 januari
  6. 1.
  7. Op 29 mei 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 6 juli 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “(...) Betrokkene werd verhoord op 21 augustus 2000 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Navasartian. Betrokkene, een Azerbeïdzjaans staatsburger van Armeense origine, verklaart omwille van zijn origine zowel in Azerbedzjan als in Rusland problemen te hebben gekend. Betrokkene zou getrouwd zijn met een Azerbeïdzjaanse vrouw en in Baku (Azerbeïdzjan) hebben gewoond tot
  9. Eind september 1989 zou betrokkene etnische problemen hebben ondervonden op zijn werk: hij zou geslagen en verjaagd zijn geweest door collega’s. Thuis bij zijn ouders zouden Azeris zijn gekomen en hen een verkoopakte hebben laten tekenen waardoor ze het eigendomsrecht verloren over het huis. Door dit voorval zou betrokkenes vader ziek zijn geworden en in het hospitaal zijn opgenomen. Zeven dagen later zou hij, op 8 oktober 1989 zijn overleden. Hierna zouden betrokkene en zijn moeder hebben geprobeerd te bewijzen dat de verkoopsakte niet rechtsgeldig was. Op 28 oktober 1989 zou betrokkenes moeder zijn gestorven aan een hartaanval. Betrokkene zou verder tweemaal tijdens boodschappen geslagen zijn geweest omwille van zijn Armeens accent. In december 1989 zou het huis omsingeld zijn geweest door Azeris. Ze zouden het huis zijn binnengekomen en betrokkene en zijn XIV-6023-2/10 vrouw hebben geslagen. De Russische troepen zouden zijn tussengekomen en betrokkene naar de luchthaven hebben gebracht. Daar zou betrokkenes vrouw, als Azerische, niet zijn meegegaan naar Rusland. In Rusland zou betrokkene illegaal hebben geleefd: hij zou zich niet hebben kunnen inschrijven omwille van zijn Kaukasisch uiterlijk en evenmin zou hij het vluchtelingenstatuut hebben verkregen. Vanaf 1994 zou hij illegaal op de markt hebben gewerkt. Daar zou hij frequent gecontroleerd zijn geweest door de politie. Aangezien hij niet over een werkvergunning beschikte zou hij boetes hebben moeten betalen. Ook zou hij aan afpersers hebben moeten betalen die samenwerkten met de politie. Betrokkene zou ook slagen hebben gekregen van deze afpersers. Vanaf 1996 zouden OMON-troepen de markt sterk hebben gecontroleerd waardoor betrokkene zou besloten hebben elders te gaan werken in
  10. In 1997 zou betrokkene eenmaal door zgn. Blauwe baretten aangevallen zijn geweest aan een bushalte. Vanaf eind 1998 zou betrokkene door Russen op zijn werk geslagen zijn geweest. Eind 1999 zou hij opnieuw aan een bushalte door OMON- troepen zijn aangevallen. Ze zouden ook zijn documenten waaronder zijn paspoort in beslag hebben genomen. Hij zou naar de politie zijn gegaan om klacht neer te leggen en om zijn paspoort terug te krijgen, maar nadat hij gezegd had dat hij de OMON- agenten kon herkennen zouden de politieagenten betrokkene hebben meegenomen naar een bos waar hij bedreigd zou zijn geweest. Betrokkene zou dan besloten hebben het land te verlaten en naar België te vluchten. Op 1 januari 2000 zou hij uit Stavropol zijn vertrokken om op 4 januari 2000 in België aan te komen waar hij op 11 januari 2000 een asielaanvraag indiende. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat betrokkene verklaarde na zijn vlucht in 1989 naar Rusland, noch het vluchtelingenstatuut te hebben verkregen, noch geregistreerd te zijn geweest. Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt echter dat de Russische Immigratiedienst tussen 1989 en 1993 51.000 mensen uit Armenië en Azerbeïdzjan, hoofdzakelijk Armeniërs heeft opgevangen en deze mensen het vluchtelingenstatuut heeft verleend (bron: Council of the European Union, Report on roving attaché mission to Azerbaijan, Armenia and Russia, 1 september 2000, p.37). Betrokkene maakt niet aannemelijk waarom hij hierop een uitzondering zou maken. Er kan bijgevolg geen geloof worden gehecht aan het feit dat de overheid van de toenmalige Russische Sovjetrepubliek de Kaukasiërs in 1989 discrimineerde. Bovendien verklaarde betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken dat de Russische troepen die betrokkene te hulp kwamen in Baku hem de keuze gaven zich naar Armenië of naar Rusland te begeven (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). Het is bijgevolg onwaarschijnlijk dat de Russische overheid, indien deze optie werd gegeven, niet voor de nodige opvang zou gezorgd hebben. Volgens dezelfde informatie blijkt ook dat de vluchtelingen de mogelijkheid kregen het Russisch staatsburgerschap te verwerven. Bijgevolg kunnen er ernstige twijfels geuit worden over betrokkenes illegaal verblijf in Rusland. Verder dienen de volgende ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt tussen betrokkenes opeenvolgende verklaringen (verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, verhoorverslag Commissariaat-generaal). Betrokkene beweerde op de Dienst Vreemdelingenzaken geen Armeens te kennen (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal zei hij wel Armeens te kennen, maar dat hij de taal kon lezen noch schrijven (Commissariaat-generaal, p.13). Verder zei betrokkene dat hij tijdens de boodschappen in Azerbeïdzjan tweemaal geslagen werd, eenmaal in een winkel, de andere maal door buren (Commissariaat-generaal, p.5). Op de Dienst Vreemdelingenzaken sprak hij hier niet over, enkel over de slagen op zijn werk en thuis (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). Op de Dienst Vreemdelingenzaken zei betrokkene dat hij naar aanleiding van de afpersing door maffiosi op de markt naar de politie ging en dat de politie hem omwille van zijn illegale statuut drie dagen opsloot (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal zei betrokkene hier niet alleen niets over, maar hij beweerde ook dat hij na de dreigingen van de afpersers niet naar de politie ging omdat deze samenwerkte met de afpersers (Commissariaat-generaal, p.13). Op de Dienst Vreemdelingenzaken zei betrokkene verder in september 1999 door zeven OMON-agenten bij een bushalte geslagen te zijn geweest (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal sprak betrokkene over twee incidenten aan een bushalte: een eerste maal zou betrokkene door zeven zgn. Blauwe baretten geslagen zijn geweest (Commissariaat-generaal, p.10); een tweede maal zou betrokkene eind 1999 door vijf à zes OMON-agenten geslagen zijn XIV-6023-3/10 geweest met rubberen clubs (Commissariaat-generaal, p.11). Hierna zegt betrokkene zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal naar de politie te zijn gegaan. Maar op de Dienst Vreemdelingenzaken zei betrokkene dat de politie hem in elkaar sloeg in een bos buiten de stad (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42), terwijl hij op het Commissariaat-generaal slechts stelde dat hij alleen bedreigd werd toen hij uit de wagen werd gegooid (Commissariaat-generaal, p.12). Het is bovendien merkwaardig dat betrokkene naar de politie ging, terwijl hij illegaal was. Omwille van deze ernstige tegenstrijdigheden kan verder geen geloof worden gehecht aan betrokkenes beweringen. Betrokkene was in het bezit van een diploma en van een attest van kleermaker. Deze documenten betreffen enkel identiteitsgegevens van betrokkene die hoger niet in vraag gesteld en wijzigen bijgevolg niets aan de bovenstaande beslissing. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 29 mei
  11. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”.
  12. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  13. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Schending van het artikel 1 A van de Conventie van Genève en de motiveringsplicht De bestuursbeslissingen moeten in rechte en in feite gemotiveerd zijn. De verplichting tot motivering houdt o.a. in dat het bestuur moet rekening houden met alle elementen in zijn bezit en met kennis van zaken een beslissing moet nemen. De beslissing moet redelijk zijn. A. Door te stellen dat het ongeloofwaardig is dat de Russische autoriteiten de verzoeker niet als een politiek vluchteling hebben aanvaard en hem geen vluchtelingdocumenten hebben afgeleverd, schendt het CGVS de motiveringsplicht. Het CGVS heeft geen enkel bewijs voor deze beweringen. De verwijzing naar een rapport, waarin werd gesteld dat de Russische overheid tussen 1989 en 1991, 51.000 mensen als politiek vluchteling heeft erkend, levert nog geen bewijs van het feit dat dit voordeel verzoeker te beurt is gevallen. Ter informatie aan het CGVS : er leefden 625.000 Armeniërs in Azerbeidzjan, die hoofdzakelijk naar Rusland zijn gevlucht na de Armeense massamoorden in Baku en Sumgait, en niet alleen de 51.000 die als vluchteling zijn erkend. Ook moet ter informatie aan het CGVS gesteld worden dat de problematiek van interne vluchtelingen in de Sovjet-Unie slechts in orde was in
  14. B. Wat de tegenstrijdigheden betreft
  15. Verzoeker heeft in zijn interview bij de DVZ gesteld dat hij zeer slecht Armeens spreekt en dat hij Armeens noch kan lezen noch kan schrijven (het Armeens heeft een volledig eigen en zeer bijzonder alfabet, niet te vergelijken met de alfabetten van de andere Indo-Europese talen). Dit werd geïnterpreteerd alsof verzoeker geen Armeens spreekt. Bovendien, wat heeft dit met de asielaanvraag te maken? De zogenaamde tegenstrijdigheid is niets anders dan muggenzifterij.
  16. De verwerende partij stelt dat verzoeker in zijn interview bij de DVZ heeft gesteld dat hij in Azerbeidzjan één maal werd geslagen, terwijl hij op het CGVS heeft gezegd dat hij tweemaal werd geslagen. Dit bestempelt de Commissaris generaal als een tegenstrijdigheid. XIV-6023-4/10 Deze argumentatie is typerend voor de juridische onkunde van de Commissaris generaal, althans wat deze zaak betreft. Ten eerste : het wordt de verzoeker kwalijk genomen dat hij een feit dat zich 13 jaar geleden heeft voorgedaan, vergeten heeft te vermelden en bovendien wordt dit als een tegenstrijdigheid gezien. Ten tweede: er wordt voorbijgegaan aan het feit dat verzoeker Azerbeidzjan niet heeft verlaten omdat hij één of twee keer werd geslagen maar dat hij Azerbeidzjan heeft verlaten omwille van de Armeense volkerenmoord, waarbij tienduizenden Armeniërs om het leven kwamen en waarbij 625.000 Armeniërs voorwerp zijn geweest van ethnische zuiveringen.
  17. Verzoekers verklaringen op het CGVS dat hij na zijn tweede agressie niet naar de politie is gegaan en zijn verklaringen bij de DVZ dat hij nadien een klacht heeft willen indienen bij de politie naar aanleiding van zijn eerste agressie, zijn complementair en niet tegenstrijdig. Bovendien kan het niet vermelden van een feit dat vijf jaar oud is

(1996)niet als een tegenstrijdigheid worden beschouwd, zoals in casu door het CGVS ten onrechte werd gedaan.
  1. In zijn interview op het CGVS heeft verzoeker gesteld dat de politie hem buiten de stad heeft gebracht, hem uit de wagen duwde en hem bedreigde. In zijn interview bij de DVZ heeft verzoeker verklaard dat de politie hem geslagen heeft en achtergelaten in een bos. Volgens het CGVS is dit een zeer belangrijke tegenstrijdigheid. Verzoeker ziet niet goed waar de tegenstrijdigheid hier ligt. Buiten de stad, waar hij uit de wagen werd gegooid, lag een bos. Ligt de tegenstrijdigheid misschien hier? Of kwalificeert de Commissaris generaal het uit de wagen duwen van de verzoeker onder bedreiging niet als slagen of een aantasting van de fysische integriteit? C. Het CGVS heeft het asielrelaas van de betrokkene herleid tot een aantal losstaande feiten, zonder rekening te houden met de essentie van de aanvraag. Bovendien werden de algemeen bekende feiten op grove wijze miskend. Er werd ten eerste geen rekening gehouden met de echte redenen van de vlucht van verzoeker uit Azerbeidzjan, nl. de Armeense massamoord en niet het geslagen worden in een winkel, noch werd rekening gehouden met de toestand van de verzoeker als een Kaukasiër in Rusland. Het is algemeen bekend dat de Kaukasiërs het voorwerp zijn van vervolgingen, intimidaties, afpersingen en discriminaties vanwege de overheid en de bevolking. Door een legitieme asielaanvraag, gebaseerd op ethnische problemen, te herleiden tot enkele zinnen en hieruit te beslissen dat de aanvraag bedrieg(e)lijk is, schendt het CGVS de bepalingen van artikel 1 A van de Conventie van Genève van 28 juni 1951 betreffende vluchtelingen.”; 2.
  2. Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt: “In het enig middel stelt verzoeker dat de bestreden beslissing een schending inhoudt van de motiveringsplicht alsook van artikel 1 A van de Conventie van Genève. 2.
  3. In verband met de opgeworpen schending van artikel 1A van de Conventie van Genève heeft de Raad van State in dit verband meermaals gesteld dat de rechtstreekse schending van artikel 1A van de Conventie van Genève niet nuttig kan worden ingeroepen wanneer niet tegelijkertijd de schending van artikel 52 werd ingeroepen en vastgesteld door de Raad (R.v.St., nr. 86.228 van 24 maart 2000). Immers, de Conventie van Genève geeft aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt via artikel 52 van de Vreemdelingenwet. 2.
  4. In verband met de opgeworpen schending van de motiveringsverplichting wenst verweerder het volgende te antwoorden: - Vooreerst is het fout dat verweerder in zijn beslissing geen rekening hield met de essentie van de aanvraag. De feiten die door verzoeker zelf werden opgeworpen als zijnde de redenen waarom hij Azerbeïdzjan verliet werden hierbij in overweging genomen. Bovendien zijn de problemen die verzoeker in zijn asielverzoek opwierp, deze die hij zelf op persoonlijk niveau zou hebben ervaren, ten gevolge van de algemene situatie in Azerbeïdzjan, die verzoeker in zijn verzoekschrift schetst. Ook XIV-6023-5/10 werd rekening gehouden met de toestand van verzoeker als Kaukasiër in Rusland, zoals tevens blijkt uit het administratief dossier. - Met betrekking tot de door verweerder in de bestreden beslissing gebruikte informatie wenst verweerder aan te tonen dat er vanwege de Russische immigratiediensten geen negatieve houding bestond tegenover vluchtelingen uit Azerbeïdzjan tussen 1989 en 1993, en dat verzoeker niet aannemelijk maakt waarom ten opzichte van hem er wel een negatieve houding zou hebben bestaan. Verder neemt verweerder akte van het feit dat verzoeker niet ingaat op het feit dat verzoeker de optie kreeg bij zijn vlucht uit Azerbeidzjan om naar Rusland te vluchten, hetgeen evenmin wijst op Russische vijandigheid. - Met betrekking tot de tegenstrijdigheid rond de kennis van het Armeens, antwoordt verweerder dat verzoeker tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken, dat hij na voorlezing heeft ondertekend, duidelijk heeft gesteld geen Armeens te spreken, hetgeen blijkt uit het administratief dossier. Er wordt geen melding gemaakt van het lezen of schrijven van het Armeens. Verder stelt verzoeker dat de kennis van het Armeens wel degelijk een belangrijk element van de asielaanvraag is: de asielaanvraag van verzoeker stoelt immers op zijn Armeense origine; bijgevolg is het al dan niet kennen van deze taal niet onbelangrijk. - Met betrekking tot de tegenstrijdigheid omtrent de slagen, antwoordt verweerder dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal verschillende versies gaf van de aanslagen op zijn lichamelijke integriteit. Zelfs voor feiten die dertien jaar oud zijn, maar die ernstig zijn, mocht verweerder terecht eensluidendheid verwachten. - De verklaring over de klacht bij de politie is niet complementair, zoals verzoeker beweert, maar blijkt duidelijk uit het administratief dossier. Op de Dienst Vreemdelingenzaken zei verzoeker duidelijk dat hij naar de politie ging om klacht in te dienen en vervolgens drie dagen werd opgesloten (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal zei verzoeker duidelijk dat hij niet naar de politie ging, en dat hij bijgevolg niet werd opgesloten (verhoor Commissariaat-generaal, p.13). Bijgevolg betreft het hier een essentiële tegenstrijdigheid. - De opmerking van verzoeker onder punt B4 is irrelevant. De tegenstrijdigheid betreft immers enkel het feit dat hij in zijn versie op de Dienst Vreemdelingenzaken door de politie werd in elkaar geslagen (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42), terwijl hij in zijn versie op het Commissariaat-generaal enkel stelt uit de wagen te zijn gegooid en bedreigd zijn geweest (verhoor Commissariaat-generaal, p.12). De tegenstrijdigheid is bijgevolg terecht, aangezien hier sprake is van een merkbaar verschil. Volledigheidshalve wijst verweerder erop dat de bestreden beslissing gelezen moet worden als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing gemaakte overwegingen die aanleiding hebben gegeven tot het onontvankelijk verklaren van verzoekers asielrelaas wegens de bedrieglijkheid ervan. De bestreden beslissing is bijgevolg afdoende gemotiveerd.”; 2.3.
  5. Overwegende dat in een enig middel verzoeker de schending van artikel 1, (A) van de Conventie van Genève en de motiveringsplicht aanvoert; dat hij betwist dat de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund, deze beslissing kunnen dragen; 2.3.
  6. Overwegende dat artikel 1 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; 2.3.
  7. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen concludeert tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag en dit omwille van de volgende motieven: “(...) Vooreerst dient te worden opgemerkt dat betrokkene verklaarde na zijn vlucht in 1989 naar Rusland, noch XIV-6023-6/10 het vluchtelingenstatuut te hebben verkregen, noch geregistreerd te zijn geweest. Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt echter dat de Russische immigratiedienst tussen 1989 en 1993 51.000 uit Armenië en Azerbeidzjan, hoofdzakelijk Armeniërs heeft opgevangen en deze mensen het vluchtelingenstatuut heeft verleend (bron: Council of the European Union, Report on roving attaché mission Azerbaïjan, Armenia and Russia, 1 september 2000, p. 37). Betrokkene maakt niet aannemelijk waarom hij hierop een uitzondering zou maken. (...) Verder dienen de volgende ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt tussen betrokkenes verklaringen (verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, verhoorverslag Commissariaat-generaal). (...)”; 2.3.
  8. Overwegende dat in een eerste onderdeel verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de motiveringsplicht schendt wanneer hij het ongeloofwaardig acht dat de Russische autoriteiten verzoeker niet als politiek vluchteling zou hebben aanvaard en hem geen vluchtelingendocumenten zou hebben afgeleverd, dat het rapport waarnaar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijst waaruit blijkt dat 51.000 mensen als politiek vluchteling zijn erkend tussen 1989 en 1991 nog geen bewijs levert van het feit dat het vluchtelingenstatuut verzoeker te beurt zou zijn gevallen; dat, wat de bewijslast betreft, verzoeker -onterecht- stelt dat die niet bij hem ligt, maar bij de bevoegde administratie; dat in de ontvankelijkheidsfase de bewijslast in de eerste plaats berust bij de asielzoeker; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing vaststelde dat verzoeker het niet aannemelijk maakt waarom hij in Rusland niet het vluchtelingenstatuut heeft gekregen gezien de informatie waarover het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt waaruit blijkt dat de Russische immigratiedienst tussen 1989 en 1991 51.000 mensen uit Armenië en Azerbeidzjan, hoofdzakelijk Armeniërs heeft opgevangen en deze mensen het vluchtelingenstatuut heeft verleend (bron: Council of the European Union, Report on roving attaché mission to Azerbaijan, Armenia and Russia, 1 september 2000, p. 37); 2.3.
  9. Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker een poging doet om de tegenstrijdigheden te weerleggen; 2.3.5.1.
  10. Overwegende dat verzoeker stelt dat hij bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij zeer slecht Armeens spreekt, en dat hij de taal noch kan lezen of schrijven, wat geïnterpreteerd werd alsof hij geen Armeens spreekt; dat verzoeker zich de vraag stelt wat deze zogenaamde tegenstrijdigheid te maken heeft met zijn asielaanvraag; 2.3.5.1.
  11. Overwegende dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker verklaarde: “ (...) In de luchthaven konden we kiezen om naar Rusland of naar Armenië te gaan. Wij kozen voor Rusland. Ik kon niet naar XIV-6023-7/10 Armenië vluchten omwille van mijn vrouw die Azeri was. Ik sprak geen Armeens en had daar geen familie. (...)”; dat op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeker verklaarde (pagina 13) dat hij wel Armeens spreekt, maar het niet kan lezen of schrijven; dat het feit deze taal niet te kennen wel van belang is voor verzoekers asielrelaas, aangezien hij daarom besliste om naar Rusland te vluchten en niet naar Armenië; 2.3.5.2.
  12. Overwegende dat in een tweede punt verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van oordeel is dat hij een tegenstrijdige verklaring heeft afgelegd betreffende het aantal keren dat hij werd geslagen in Azerbeidzjan; dat verzoeker argumenteert dat dit een feit was van 13 jaar geleden en dat hij Azerbeidzjan niet heeft verlaten omdat hij één keer of twee keer werd geslagen maar omwille van de Armeense volkerenmoord, waarbij tienduizenden Armeniërs om het leven kwamen en waarbij 625.000 Armeniërs voorwerp zijn geweest van etnische zuiveringen; 2.3.5.2.
  13. Overwegende dat uit de verklaring van verzoeker bij de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker tijdens het interview enkel vermeldde dat hij geslagen werd op het werk en thuis; dat op het interview bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeker verklaarde dat hij werd geslagen in de winkel en door de buren; dat verzoekers argument dat de feiten dateren van 13 jaar geleden en dat hij Azerbeidzjan verliet omwille van de Armeense volkerenmoord kan worden gevolgd, al vindt de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen steun in zijn verklaringen; dat verzoeker uit het oog verliest dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet enkel om deze reden tot het besluit komt dat zijn asielaanvraag bedrieglijk is; dat dient aangestipt dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht, rekening moet worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; 2.3.5.3.
  14. Overwegende dat in een derde punt verzoeker stelt dat zijn verklaringen bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, namelijk dat hij na zijn tweede agressie niet naar de politie is gegaan, en zijn verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken, dat hij nadat hij een klacht heeft willen indienen bij de politie naar aanleiding van de eerste agressie, complementair zijn en niet tegenstrijdig en dat bovendien het niet vermelden van een feit dat vijf jaar oud is niet als een tegenstrijdigheid kan worden beschouwd; XIV-6023-8/10 2.3.5.3.
  15. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing dienaangaande vaststelde dat verzoeker bij de Dienst Vreemdelingenzaken zei dat hij naar aanleiding van de afpersing door maffiosi op de markt naar de politie ging en dat de politie hem omwille van zijn illegale statuut drie dagen opsloot, terwijl verzoeker bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hier niets over verklaarde maar dat hij beweerde dat hij na de dreigingen van de afpersers niet naar de politie ging omdat deze samenwerkte met de afpersers; dat in de bestreden beslissing geen sprake is van een eerste of een tweede agressie en de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen steun vinden in de verklaringen van verzoeker; 2.3.5.4.
  16. Overwegende dat in een vierde punt verzoeker stelt dat zijn verklaringen omtrent het feit dat hij door de politie werd geslagen en uit de wagen werd gegooid in het bos geen tegenstrijdigheid is; 2.3.5.4.
  17. Overwegende dat uit de bestreden beslissing en de nalezing van de verhoorverslagen blijkt dat verzoeker bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij door de politie werd geslagen in een bos buiten de stad, terwijl hij tijdens het interview bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde dat hij alleen werd bedreigd toen hij uit de wagen werd gegooid; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tevens vaststelde dat verzoeker verklaarde dat hij in september 1999 door zeven OMON-agenten bij een bushalte geslagen werd, terwijl hij op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over twee incidenten sprak bij de bushalte; dat deze tegenstrijdigheid door verzoeker niet wordt weerlegd; 2.3.6.
  18. Overwegende dat verzoeker ten slotte stelt dat zijn asielrelaas herleid wordt tot een aantal losstaande feiten, zonder rekening te houden met de essentie van de aanvraag en dat algemeen bekende feiten op grove wijze worden miskend doordat geen rekening wordt gehouden met de echte redenen van zijn vlucht, namelijk de Armeense massamoord en het feit dat Kaukasiërs in Rusland het voorwerp zijn van vervolgingen, intimidaties, afpersingen en discriminaties vanwege de overheid en de bevolking; 2.3.6.
  19. Overwegende dat artikel 52, § 1, 2/, a) en 7/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, om een exact beeld van de situatie te krijgen waarin de XIV-6023-9/10 vreemdeling zich bevindt ten tijde van het onderzoek van het dringend beroep, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te nemen; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker stelt, het bedrieglijk karakter, onder meer, kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene tegenstrijdig zijn of niet overeenstemmen met geloofwaardige gegevens waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat de bestreden beslissing, uitgaande van de vastgestelde en vermelde feiten, precies aangeeft hoe de toepasselijke rechtsregel (artikel 52 van de Vreemdelingenwet) tot de weigeringsbeslissing heeft geleid; dat de verzoekende partij geen concrete elementen aanbrengt die erop wijzen dat de weergegeven motivering buiten alle redelijkheid is; dat de bestreden beslissing, na een uiteenzetting van het vluchtrelaas, gedetailleerde overwegingen bevat die de beslissing afdoende motiveren; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-6023-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.628 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.