← België

Arrest 149630 - - 30/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.630 Rolnummer: A. 127043/XIV-11803 Zaak: Arrest 149630 - - 30/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 01:16 Fiche Arrest nr 149.630 van 30 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.630 van 30 september 2005 in de zaak A. 127.043/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat X. DRION, kantoor houdende te 4000 LUIK, rue Hullos 103-105 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 20 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 januari 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 27 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.803-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. LAMBRECHTS die, loco Advocaat X. DRION verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Joegoslavische nationaliteit, is op 13 december 1998 in België aangekomen en heeft zich vluchteling verklaard op 14 december
  4. 1.
  5. Op 26 januari 2000 dient verzoekster een verzoek tot regularisatie in bij de Burgemeester van Luik. Op 9 april 2002 wordt dit verzoek verworpen door de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
  6. Op 28 januari 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 21 augustus 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 januari 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Deze beslissing luidt als volgt: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. XIV-11.803-2/6 U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw opeenvolgende verklaringen bent u een etnisch Albanese afkomstig uit Kline e Eperm in Kosovo. Eind juli 1998 vluchtte u samen met uw kinderen en andere vrouwelijke familieleden naar Montenegro omdat uw dorp door het Servische leger werd gebombardeerd. De mannen, waaronder uw echtgenoot, bleven achter omdat ze vreesden dat ze door de Serviërs zouden opgepakt worden. U woonde gedurende enkele maanden in een gehuurd huis in Ulcinj, Montenegro, waarna u om economische en veiligheidsredenen in november 1998 naar Albanië trok. Op 11 december 1998 verliet u Albanië. U bereikte België op 13 december 1998 en diende er de volgende dag een asielaanvraag in. Na de NAVO-bombardementen legde u telefonisch contact met uw echtgenoot, die nadien ook naar België is gekomen. Ter staving van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: uw Joegoslavische huwelijksakte, uitgereikt te Klina op 16 januari 1996 en uw Joegoslavische identiteitskaart, uitgereikt te Mitrovica op 22 januari
  8. Er dient te worden opgemerkt dat u in uw opeenvolgende verklaringen onvoldoende concrete feiten of elementen heeft aangebracht die erop wijzen dat u bij een eventuele terugkeer naar Kosovo op dit moment risico loopt op een persoonlijke en systematische vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De aanleiding van uw vlucht uit uw geboortestreek, met name de algemene Servische repressie ten aanzien van de Albanese gemeenschap en de oorlogssituatie in Kosovo, beantwoordt al geruime tijd niet meer aan een objectief gegeven. Overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, hebben de Servische ordetroepen en autoriteiten zich namelijk uit Kosovo teruggetrokken en werd de regio onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst. Zo werden er op 17 november 2001 in Kosovo parlementsverkiezingen gehouden die volgens de aanwezige internationale waarnemers rustig en eerlijk verliepen en een belangrijke fase zijn in de progressieve democratisering en ontwikkeling van Kosovo. Uit niets in uw opeenvolgende verklaringen blijkt dat u zich in geval van moeilijkheden na een eventuele terugkeer naar Kosovo niet steeds zou kunnen wenden tot de (nieuwe) lokale autoriteiten of de terplaatse aanwezige vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap. Gezien uit uw opeenvolgende verklaringen voldoende blijkt dat uw asielmotieven kennelijk ongegrond zijn, acht ik het in de gegeven omstandigheden niet nodig u te horen. Ten slotte dient nog te worden opgemerkt dat met betrekking tot de asielaanvraag van uw schoonbroers B. (O.V. 4.794.449) en T. (O.V. 4.784.944) tot een weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling werd besloten. Bovendien heb ik ook in hoofde van uw echtgenoot, Mecinaj Afrim, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. (...).”.
  9. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  10. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “Premier moyen pris de la violation des principes généraux de droit «nemo judex in causa sua», «Justice should not only be done, but should also be seen done» et «Likelihood of bias», voir les articles 57/2 de la loi du 15 décembre 1980 et 6 CEDH Les principes visés au moyen sont basés sur la crainte que les juges seront censés ne pas avoir décidé objectivement. Ils ont pour but d'écarter l'apparence de partialité du juge et de l'Administration; La violation de ces principes ne suppose pas que la preuve de partialité ait été fournie. Une apparence de partialité est suffisante; Ces principes doivent également être appliqués aux organes de l'Administration active; Le moyen pris d'un manquement à ces principes est d'ordre public (Conseil d'Etat, 4ème chambre, 28 janvier 1986, J.T., 1989, p. 307; Conseil d'Etat, 7ème chambre, 3 avril 1992, Pas., 1994, IV, p. 70); XIV-11.803-3/6 L'article 57/2 de la loi du 15 décembre 1980 précise que «Le commissaire Général et ses adjoints prennent leur décision et émettent leurs avis en toute indépendance»; Cette indépendance est soulignée par la Cour de Cassation pour apprécier l'effectivité des recours offerts par le droit interne aux demandeurs d'asile par rapport aux exigences de l'article 13 CEDH (notamment arrêts des 14 et 21 mars 2001); Votre Haute juridiction est au fait que Monsieur Pascal SMET a été, récemment, nommé en qualité de Commissaire Général aux Réfugiés et Apatrides ; Avant cette nomination, Monsieur SMET exerçait les fonctions de chef de cabinet de Monsieur le Ministre de l'Intérieur; En l'espèce, la décision entreprise renseigne sous la rubrique «correspondant» Monsieur Pascal SMET, tandis qu'elle est signée par Monsieur le Commissaire adjoint VAN DEN BULCK «pour le Commissaire général, empêché»; Dans la mesure où Monsieur SMET a, en sa qualité de chef de cabinet de Monsieur le Ministre de l’Intérieur, pris ou cautionné la décision initiale contre laquelle le recours urgent était dirigé, il n'est pas concevable qu'il traite ce dossier au niveau du Commissariat Général sans ébranler la légitime confiance que la requérante doit placer dans cette instance de recours, Le moyen est fondé. L'acte entrepris doit être annulé.”; 2.1.
  11. Overwegende dat verzoekster de schending van artikel 57/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en artikel 6 van het E.V.R.M. aanvoert omdat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voordien kabinetschef van de Minister van Binnenlandse Zaken was en hierdoor de onpartijdigheid in het gedrang zou komen; dat verzoekster niet bewijst dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te dezen blijk heeft gegeven van partijdigheid; dat de door haar ingeroepen omstandigheid daartoe niet volstaat; dat niet wordt aangevoerd, noch aangetoond dat de vaststellingen kennelijk onredelijk zijn; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  12. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “Deuxième moyen pris de l'appréciation illégale des faits et de l'absence de proportionnalité L'acte attaqué sera annulé dans la mesure où la partie adverse a procédé à une appréciation illégale des faits et/ou a pris une décision sans rapport de proportionnalité avec les faits qui la fondent. A la lecture de l'audition que la requérante, on comprend que celle-ci a fui la guerre du KOSOVO; En Belgique, elle a reçu deux articles de journaux qui faisait état de l'arrestation de son beau-frère et de la situation dramatique au KOSOVO; Il ressort donc de l'audition que la requérante craint des persécutions et des mauvais traitements en raison de son origine kosovare; Or, malgré cet exposé précis des faits, en concordance à celui de son époux, la partie adverse a estimé sa demande manifestement non fondée; Elle n'a même pas estimé devoir entendre la requérante; La requérante estime cette prise de position manifestement déraisonnable; Votre Haute Juridiction a par ailleurs décidé que: «Le principe du raisonnable est violé lorsqu'une décision repose sur des motifs exacts en fait et admissible en droit mais qu'il existe une inadéquation manifeste entre ses motifs et la teneur de la décision» (C.E., 6 octobre 1992, n/ 40.610) Le moyen est fondé. L'acte entrepris doit être annulé.”; XIV-11.803-4/6 2.2.
  13. Overwegende dat, wanneer de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, zij kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van die wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegestaan wordt in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gemaakte beoordeling van de actuele toestand in Kosovo steunt op de toepassing van resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; dat de verzoekende partij deze vaststelling van de actuele toestand niet betwist; dat zij met de algemene stelling "dat het door de Nato bevrijde Kosovo geen veiligheid biedt aan de inwoners" niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of is genomen op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  14. Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert: “Troisième moyen pris de la violation du principe général des droits de la défense et article 6 CEDH L'acte attaqué sera annulé dans la mesure où la partie adverse n'a pas procédé à l'audition de la requérante alors qu'elle prenait une décision touchant à son statut personnel; Il est de jurisprudence constante que lorsque l'administration envisage de prendre une décision ayant des conséquences sur le statut personnel d'un individu, elle doit permettre à ce dernier de se défendre et particulièrement à l'occasion d'une audition; Cela n'a pas été le cas dans le cas d'espèce; La partie adverse s'est rendue coupable d'une violation des droits de la défense Le moyen est fondé. L'acte entrepris doit être annulé.”; 2.3.
  15. Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure is en geen jurisdictionele; dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op beslissingen van administratieve overheden; dat het derde middel niet ontvankelijk is, XIV-11.803-5/6 BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.803-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.630 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.