id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.631 Rolnummer: A. 128104/XIV-12171 Zaak: Arrest 149631 - - 30/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-03 01:16 Fiche Arrest nr 149.631 van 30 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.631 van 30 september 2005 in de zaak A. 128.104/XIV-12.
- In zake :
- XXX
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat S. THIELEMANS, kantoor houdende te 1200 BRUSSEL, Kerselarenlaan 116-118 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Pakistaanse nationaliteit, op 16 oktober 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 september 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 april 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-12.171-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. THIELEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX en XXX, beide van Pakistaanse nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 30 oktober 1999 en hebben zich op 4 november 1999 vluchteling verklaard. 1.
- Op 4 april 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 17 september 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 april 2000 tot weigering van verblijf. De motivering van deze beslissingen luidt als volgt: Wat XXX betreft: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: kennelijk ongegrond Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. XIV-12.171-2/9 U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde de Pakistaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Gujranwala. Sinds 1990 zou u lid zijn geweest van de “Muslim League” (“M.L.”). U zou de functie van secretaris-generaal van Islamabad voor deze partij hebben uitgeoefend. In maart 1997 zou Nazir, een lid van de “Pakistan Peoples Party” (“PPP”), zijn vermoord. Op 30 maart 1997 zouden, in het kader van deze moord, twee leden van “Jamiat-e-Islami” voor de rechter zijn moeten verschijnen. Daar er echter geen getuigen optraden tegen deze twee personen en onder druk van de leden van “Jamiat-e-Islami” zou de weduwe van Nazir haar “woorden hebben ingetrokken”. Begin april zou ze echter Rashid, de schatbewaarder van de “M.L.” en u hebben beschuldigd van de moord op haar echtgenoot. U zou een “First Information Report” (“FIR”) hebben ontvangen in verband met deze zaak maar zou tot een minnelijke schikking zijn gekomen met de echtgenote van Nazir. U en Rashid zouden het huwelijk van haar dochter hebben moeten betalen en zouden beloofd hebben maandelijks 5.000 à 10.000 rupies te betalen aan de weduwe van Nazir. Zij zou haar klacht hebben ingetrokken en de zaak zou zijn afgesloten. De partij “Jamiat-e-Islami” zou de weduwe van Nazir echter onder druk hebben gezet om de zaak te heropenen. Toen u op 19 oktober 1999 naar uw advocaat ging om uw financiële zaken te regelen zou u hebben vernomen dat op 16 oktober 1999 de zaak dan ook daadwerkelijk werd heropend door een voor u onbekende kolonel daar deze vond dat u en Rashid moesten boeten. Uw advocaat zou u de raad hebben gegeven in Islamabad onder te duiken. Nog dezelfde dag zou u met uw echtgenote en kind naar Karachi zijn getrokken. Op 25 oktober 1999 zou de politie naar uw woning zijn gekomen maar daar uzelf niet aanwezig was zou de politie uw zoon hebben gearresteerd. Nog dezelfde dag zou u Pakistan hebben verlaten en via Oekraïne naar België zijn gevlucht. U vroeg hier asiel aan op 4 november
- Ter staving van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: uw paspoort, het paspoort van uw echtgenote, uw identiteitskaart, identiteitskaart echtgenote, een brief van uw zoon, documenten in verband met beroepsuitoefening, document in verband met kandidatuur voor de verkiezingen in 1987, “National Tax Number Certificate”, een brief van uw advocaat dd. 16.02.2000, lidkaart Gujranwala Chamber Commerce & Industry, twee “Warrants of Arrests dd 19.11.1999 en dd.27.10.1999, krantenartikels dd 05.12.1999 en 31.12.1999, In eerste instantie dient te worden opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen enerzijds niet volledig eensluidend zijn en anderzijds enkele omissies bevatten waardoor er geen geloof meer kan worden gehecht aan uw asielrelaas. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat in 1997, Rashid, een lid van de “M.L.” werd beschuldigd voor de moord op Nazir. U voegde er aan toe dat deze zaak werd afgesloten daar beide partijen overeenkwamen dat de familie van Rashid een schadevergoeding zou betalen aan de weduwe van Nazir (Gehoor DVZ vraag 42). U maakte tijdens dit eerste gehoor, in tegenstelling met uw gehoor in Dringend Beroep, dan ook geen enkel gewag van het feit dat ook u aanvankelijk werd beschuldigd van medeplichtigheid aan de moord op Nazir en van het feit dat ook u de familie van Nazir een schadevergoeding diende te betalen (Gehoor CGVS p.3 en 4). . Voorts beweerde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw advocaat via zijn echtgenote, die vertrouwelijke informatie had gekregen van de echtgenote van Nazir, vernam dat de zaak terug heropend was en dat er een arrestatiebevel tegen u werd uitgevaardigd (Gehoor DVZ vraag 42). Op het Commissariaat-generaal verklaarde u dat een medewerker (“reader”) van de rechtbank uw advocaat inlichtte over het feit dat de zaak heropend was (Gehoor CGVS p. 5). Aansluitend beweerde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw advocaat aan uw zoon een brief meegaf waarin hij u de raad gaf Pakistan te ontvluchten (Gehoor DVZ vraag 42), terwijl u op het Commissariaat-generaal verklaarde dat uw advocaat u op 19 oktober 1999 zelf de raad gaf onder te duiken (Gehoor CGVS p. 5). Ook wat betreft de arrestatie van Nadim zijn uw opeenvolgende verklaringen niet eensluidend. Zo beweerde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw oudste zoon werd gearresteerd toen hij even naar huis kwam om geld op te halen om verder te reizen. De buren zouden de politie immers hebben ingelicht over de thuiskomst van uw zoon (Gehoor DVZ vraag 42). Op het Commissariaat-generaal beweerde u dat de politie naar uw woning kwam om u te XIV-12.171-3/9 arresteren en dat uw zoon werd aangehouden daar u niet aanwezig was (Gehoor CGVS p. 6). Indien er nog enigszins geloof zou kunnen worden gehecht aan uw verklaringen, dient bovendien te worden aangestipt dat u niet aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk te worden geviseerd door de Pakistaanse autoriteiten omwille van één van de redenen zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie. U heeft immers niet aannemelijk gemaakt waarom, indien het daadwerkelijk tot een proces zou komen, de behandeling van uw zaak niet zou kunnen afwachten en waarom de behandeling van deze rechtszaak niet eerlijk zou verlopen. Uw bewering dat u geen eerlijke behandeling verwacht daar uw zaak werd heropend is hiervoor geen afdoende verklaring. Tenslotte blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (5 th Country Report of Origin Information Workshop, 13 tot 14 December 1999, Bratisliva) dat leden van politieke partijen zoals de “PPP” en de “M.L.”, als dusdanig niet om politieke redenen worden vervolgd. Hun leden worden noch gearresteerd, noch ondervraagd om redenen van politieke aard. Indien er wel arrestaties plaatsvinden, hebben deze betrekking op misdaden van gemeenrecht, zoals fraude en dergelijke. Er is dan ook geen enkele reden waarom u uw onschuld via een eerlijk en onpartijdig proces niet zou kunnen aantonen. U heeft echter nagelaten om een beroep te doen op de gerechtelijke autoriteiten in uw land, en u kunt voor die nalatigheid geen afdoende verklaring geven. De door u neergelegde identiteitsdocumenten, de documenten in verband met uw beroep en de documenten in verband met uw politieke activiteiten bewijzen enkel uw identiteit, de uitoefening van uw beroep en uw politiek engagement. Bovendien kan er gelet op bovenvermelde tegenstrijdigheden en omissies ernstig getwijfeld worden aan de authenticiteit van de door u neergelegde gerechtelijke documenten. De door u neergelegde documenten zijn dan ook niet van die aard dat ze bovenstaande opmerkingen in een positieve appreciatie kunnen ombuigen. (...).”. Wat XXX betreft: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde de Pakistaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Gujranwala. Op 4 november 1999 vroeg u asiel aan in België. Er dient te worden opgemerkt dat uw asielaanvraag steunt op dezelfde motieven als de asielaanvraag van uw echtgenoot XXX (O.V. 4.986.601). Aangezien in hoofde van deze laatste werd besloten tot een bevestigende beslissing van verblijf kan ten aanzien van u evenmin worden besloten tot een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de vluchtelingenconventie. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. XIV-12.171-4/9 2.
- Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “IV. Middel: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel A/ De Commissaris-Generaal baseert zijn beslissing vooreerst op het feit dat de verklaringen van verzoekers niet volledig eensluidend zouden zijn en enkele omissies zouden bevatten waardoor er geen geloof meer zou kunnen gehecht worden aan het asielrelaas van verzoekers. Nochtans zijn de zgn. tegenstrijdige verklaringen die de Commissaris-Generaal in dat kader aanhaalt geenszins tegenstrijdig en geheel logisch verklaarbaar. 1e zgn. tegenstrijdigheid : ‘U [eerste verzoeker] ve(r)klaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat in 1997, Rashid, een lid van de “ML” werd beschuldigd voor de moord op Nazir. U voegde er aan toe dat deze zaak werd afgesloten daar beide partijen overeenkwamen dat de familie van Rashid een schadevergoeding zou betalen aan de weduwe van Nazir. U maakte tijdens dit eerste gehoor, in tegenstelling tot uw gehoor in Dringend Beroep dan ook geen enkel gewag dat ook u aanvankelijk werd beschuldigd van medeplichtigheid aan de moord op Nazir en van het feit dat ook u de familie van Nazir een schadevergoeding diende te betalen”. Het feit dat eerste verzoeker in het eerste, korte interview met de Dienst Vreemdelingenzaken (voortaan afgekort: DVZ) geen melding zou hebben gemaakt van de beschuldigingen van moord aan zijn adres, hoeft niet te verwonderen en is geenszins verdacht. Asielzoekers zijn immers niet of nauwelijks, zeker niet onmiddellijk na hun aankomst in een vreemd land, op de hoogte van de wetten en procedures die in het land in kwestie inzake asielaanvragen gelden. Zo ook verzoekers. De angst om onmiddellijk te worden teruggestuurd zonder verder onderzoek dan wel om hier in de gevangenis terecht te komen, is dan ook meer dan aannemelijk en verantwoordt wel degelijk het niet in detail treden van eerste verzoeker. Trouwens, niet verzoekers doch wel de Commissaris-Generaal kan in deze een contradictie verweten worden. In de tweede opgeworpen ‘tegenstrijdigheid’ (cf. hierna) verwijst hij naar het gehoor door de Dienst Vreemdelingenzaken (‘vraag 42') waarbij sprake van de heropening van de zaak en het feit dat er een arrestatiebevel tegen eerste verzoeker was uitgevaardigd. Het houdt dan ook geen steek te verdedigen dat eerste verzoeker in een eerste interview geen enkel gewag maakte van zijn vermeende betrokkenheid bij de moord, hoe zou men anders tijdens het interview met de Dienst Vreemdelingenzaken tot de bespreking van de heropening van de zaak en het arrestatiebevel gekomen zijn? 2e zgn. tegenstrijdigheid: ‘Voorts beweerde u op de DVZ dat uw advocaat via zijn echtgenote, die vertrouwelijke informatie had gekregen van de weduwe van Nazir, vernam dat de zaak terug heropend was en dat er een arrestatiebevel tegen u werd uitgevaardigd. Op het Commissariaat-generaal verklaarde u dat een medewerker (“reader”) van de rechtbank uw advocaat inlichtte over het feit dat de zaak heropend was.' Hoogstens gaat het hier om een vergissing in hoofde van verzoeker. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat de interviews, zowel bij de DVZ als bij het Commissariaat-generaal voor betrokkenen bijzonder stressvol zijn. Meteen afleiden dat de verklaringen van verzoeker daarom alle geloofwaardigheid ontberen, geeft geenszins blijk van een zorgvuldig onderzoek van het dossier van verzoekers, wel integendeel. 3e zgn. tegenstrijdigheid: ‘Aansluitend beweerde u op de DVZ dat uw advocaat aan uw zoon een brief meegaf waarin hij u de raad gaf Pakistan te ontvluchten, terwijl u op het Commissariaat-generaal verklaarde dat uw advocaat u op 19 oktober 1999 zelf de raad gaf onder te duiken.’ Verzoekers zien niet in op welke manier beide verklaringen überhaupt met mekaar in tegenspraak zouden zijn. De advocaat die zijn cliënt de raad geeft te vluchten kan dat inderdaad ook per brief gedaan hebben. 4e zgn. tegenstrijdigheid: 'U beweerde op de DVZ dat uw oudste zoon werd gearresteerd toen hij even naar huis kwam om geld op te halen om verder te reizen. De buren zouden de politie immers hebben ingelicht over de thuiskomst van uw zoon. Op het Commissariaat-generaal beweerde u dat de politie naar uw woning kwam om u te arresteren en dat uw zoon werd aangehouden daar u niet aanwezig was.' Ook hier ziet de Commissaris-generaal ten onrechte een aanduiding dat de asielvraag van verzoekers bedrieglijk is. Het verklaarde op het commissariaat-generaal is XIV-12.171-5/9 geenszins in tegenspraak met de verklaring desaangaande opgetekend door de DVZ, hoogstens een aanvulling daarvan. De zoon van eerste verzoeker was immers niet officieel door de Rechtbanken in beschuldiging gesteld maar werd op eigen initiatief van de politie opgepakt aangezien eerste verzoeker zelf niet aanwezig was. Conclusie zgn. tegenstrijdigheden: Zoals hierboven aangetoond zijn de aangehaalde verklaringen van verzoekers helemaal niet met mekaar in tegenspraak, hoogstens ging het om een vergissing of spraakverwarring doch geenszins van die aard dat zij noch op zichzelf, noch in samenlezing met de andere vermeende tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van verzoekers in het gedrang zouden brengen. B/ De Commissaris-Generaal stelt vervolgens dat 'leden van politieke partijen ... als dusdanig niet om politieke redenen worden vervolgd' maar dat eventuele arrestaties betrekking hebben op 'misdaden van gemeenrecht, zoals fraude en dergelijke'. Krantenknipsels uit de plaatselijke Pakistaanse pers waarin verwezen wordt naar de moord op Nazir, neergelegd door verzoekers tijdens het interview bij het Commissariaat-generaal, maken nochtans duidelijk melding van een politieke moord (bijlage 3 - 'Raja Mohammed Ali' is de vader van Nazir, slachtoffer van de moord). Bovendien was het slachtoffer in kwestie als lid van de 'Pakistan Peoples Party' (PPP) een vooraanstaand politicus. Het dossier wordt in Pakistan dus wel degelijk als politiek geladen beschouwd. C/ De Commissaris-Generaal stelt tenslotte, zonder verdere motivering, dat gelet op de tegenstrijdigheden en omissies waarop zij haar beslissing steunt, ernstig getwijfeld kan worden aan de authenticiteit van de door verzoekers neergelegde documenten. Verzoekers zien echter niet in op welke manier een verklaring afbreuk kan doen aan de authenticiteit van een document D/ Conclusie Gelet op het voorgaande dient besloten te worden dat de bestreden beslissing getuigt van een weinig zorgvuldig onderzoek van de stukken van het dossier en het Commissariaat-generaal in geen geval in alle redelijkheid tot de door haar gedane vaststellingen is kunnen komen op basis waarvan zij geoordeeld heeft dat het leven, de fysieke integriteit en vrijheid van verzoekers niet ernstig bedreigd wordt in hun land van herkomst.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij van oordeel zijn dat de bestreden beslissing getuigt van een weinig zorgvuldig onderzoek van de stukken van het dossier en dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in geen geval in alle redelijkheid tot de door hem gedane vaststellingen is kunnen komen; dat, wat de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheden betreft, verzoekers stellen dat hun verklaringen helemaal niet met mekaar in tegenspraak zijn, maar dat het hoogstens ging om een vergissing of spraakverwarring; 2.2.
- Overwegende dat de tegenstrijdigheid met betrekking tot de beschuldiging van medeplichtigheid aan de moord op Nazir verzoekers trachten te weerleggen door te stellen dat zij niet of nauwelijks op de hoogte waren van de wetten en de procedures inzake asielaanvragen en dat om deze reden verzoeker zijn asielrelaas niet in detail heeft uiteengezet; dat er dient op gewezen dat een asielzoeker in elke fase van het onderzoek zijn asielrelaas zo correct en volledig mogelijk dient te vertellen; dat van een kandidaat-vluchteling verwacht mag worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig, op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft in elke fase van het onderzoek, zodat op grond ervan kan worden nagegaan of er XIV-12.171-6/9 met betrekking tot de asielzoeker aanwijzingen zijn om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; 2.2.
- Overwegende dat, met betrekking tot de tegenstrijdigheid betreffende de wijze waarop verzoekers vernamen dat de zaak heropend was, verzoekers stellen dat het hoogstens gaat om een vergissing van verzoeker en dat niet uit het oog mag worden verloren dat verzoekers tijdens de interviews voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bijzonder gestresseerd waren; dat verzoekers geenszins aantonen dat het hier wel degelijk om een loutere vergissing van verzoeker ging; dat het feit dat verzoeker stress zou hebben gehad, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat hij wel degelijk tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent een essentieel element in zijn asielrelaas; dat de vastgestelde tegenstrijdigheid steun vindt in de verhoorverslagen; 2.2.
- Overwegende dat de derde en vierde tegenstrijdigheid volgens verzoekers niet beschouwd kunnen worden als tegenstrijdigheden; dat deze tegenstrijdigheden eveneens steun vinden in de verhoorverslagen; dat uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat zijn advocaat een brief meegaf aan zijn zoon waarin hij de raad gaf Pakistan te ontvluchten, terwijl verzoeker op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft verklaard dat zijn advocaat hem op 19 oktober 1999 zelf de raad gaf onder te duiken; dat verzoekers verklaringen dat de advocaat de raad om te vluchten per brief kan hebben gedaan, niet volstaat om deze tegenstrijdigheid te weerleggen; dat verzoekers immers de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet weerleggen betreffende het feit dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken stelde dat de advocaat via hun zoon de raad gaf te vluchten, terwijl verzoeker voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelde dat hun advocaat hem zelf de raad gaf onder te duiken, en dus niet via hun zoon; dat uit het administratief dossier tevens blijkt dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat zijn oudste zoon werd gearresteerd toen hij naar huis kwam om geld op te halen om verder te reizen en dat de buren de politie hebben ingelicht over de thuiskomst van zijn zoon; dat op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeker daarentegen verklaarde dat de politie naar zijn woning kwam om hem te arresteren en dat zijn zoon werd aangehouden daar verzoeker niet aanwezig was; dat het duidelijk een tegenstrijdige verklaring betreft; dat niet kan worden ingezien hoe de verklaring voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een aanvulling zou kunnen zijn op de verklaring op de Dienst Vreemdelingenzaken; 2.2.
- Overwegende dat het geheel van de overwegingen is dat ertoe geleid heeft dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker als bedrieglijk heeft beschouwd; dat verzoekers er niet in slagen om de XIV-12.171-7/9 vastgestelde tegenstrijdigheden in de verklaringen van verzoeker met concrete argumenten te weerleggen of te ontkrachten; dat verzoekers niet aantonen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op kennelijk onredelijke wijze of op grond van onjuiste feiten tot de bestreden beslissing is gekomen; 2.2.
- Overwegende dat de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat uit informatie waarover hij beschikt blijkt dat leden van politieke partijen als de “PPP” en de “M.L.” als dusdanig niet om politieke redenen worden vervolgd, verzoekers trachten te weerleggen door te verwijzen naar krantenknipsels uit de plaatselijke Pakistaanse pers waarin verwezen wordt naar de moord op Nazir en die reeds werden neergelegd tijdens het interview voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennis heeft genomen van deze krantenartikels; dat dit blijkt uit het feit dat hij ze bij het administratief dossier heeft gevoegd; dat door louter te verwijzen naar deze krantenartikelen zonder het op de eigen individuele situatie te betrekken, verzoekers niet aannemelijk maken dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bestreden beslissing op onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; dat verzoekers er niet in slagen de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, namelijk dat leden van politieke partijen als de “PPP” en de “M.L.” als dusdanig niet om politieke redenen worden vervolgd, te weerleggen; 2.2.
- Overwegende dat, wat de door verzoekers neergelegde documenten betreft, uit de bestreden beslissing zelf blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hieromtrent in de eerste plaats stelt dat zij slechts hun identiteit, de uitoefening van hun beroep en hun politieke inzet bewijzen; dat daarnaast de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen opmerkt dat er kan getwijfeld worden aan de authenticiteit van deze documenten en dit gelet op de vastgestelde tegenstrijdigheden; dat de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheden en de overweging dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk te worden geviseerd door de Pakistaanse autoriteiten, reeds volstonden om de asielaanvraag onontvankelijk te verklaren; dat de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met betrekking tot de door verzoekers neergelegde documenten een bijkomend motief betreft; 2.2.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bestreden beslissing pas heeft genomen na kennis te hebben genomen van de asielrelazen en na deze verhalen en de door verzoekers neergelegde stukken nauwkeurig te hebben geanalyseerd; dat hij de motieven heeft aangehaald waarom hij geoordeeld heeft dat de aanvragen niet-ontvankelijk zijn; dat verzoekers er niet in slagen aan te tonen dat die motieven feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zijn; dat het enig middel niet gegrond is; XIV-12.171-8/9
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.171-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.