← België

Arrest 149633 - - 30/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.633 Rolnummer: A. 143969/XIV-17562 Zaak: Arrest 149633 - - 30/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 01:17 Fiche Arrest nr 149.633 van 30 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.633 van 30 september 2005 in de zaak A. 143.969/XIV-17.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DONVIL, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Lange Nieuwstraat 21-23 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 14 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 27 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-17.562-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. DONVIL, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Kameroense nationaliteit, is op 10 juni 2003 in België aangekomen en heeft zich vluchteling verklaard op dezelfde dag. 1.
  4. Op 25 juni 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 16 oktober 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 juni 2003 tot weigering van verblijf. Deze beslissing wordt aan verzoeker betekend per aangetekend schrijven van 20 oktober
  6. Dit is de bestreden beslissing. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “A. Vluchtrelaas U verklaart staatsburger te zijn van Kameroen, Bamileke van origine. U verliet uw land van herkomst op 09 juni
  7. Op 10 juni 2003 kwam u in België aan, waar u dezelfde dag het statuut van vluchteling aanvroeg. U bent in het bezit van uw geboorteakte. Volgens de verklaringen die u op 08 augustus 2003 voor het Commissariaat-generaal (verder CGVS) hebt afgelegd bent u de zoon van het dorpshoofd van Bawock (North West Province), N. Wanda Jacob, die op 06 februari 1999 overleed. Uw vader zou u hebben aangeduid als zijn opvolger, maar enkel de dorpsouderen waren hiervan op de hoogte. Op 19 juni 1999 zou het testament van uw vader geopend worden. Uw broer, Theodor N., verhinderde dit echter en liet zichzelf met de steun van de gouverneur en de politie aanstellen tot dorpshoofd. Omdat u hiertegen protesteerde werd u aangehouden en gedurende elf dagen vastgehouden op het politiebureau van Bali. Na protesten van de dorpsbewoners werd u vrijgelaten. Voorwaarde van uw vrijlating was dat u geen contact mocht hebben met uw broer Theodor. Na uw vrijlating keerde u terug naar Bamenda, waar u woonde. Op 23 juni 2002 ging u terug naar Bawock om te stemmen. In het deel van het paleis dat uw moeder toebehoorde vond u ’s morgens vijf stembussen die reeds gevuld waren met stembiljetten voor de “Cameroon People’s Democratic Movement” (CPDM). Uw vriend Emmanuel Nchinchi, een plaatselijke leider van het “Social Democratic Front” (SDF), bracht de dorpsbewoners op de hoogte. De verkiezingen werden die dag uitgesteld. Op uw terugweg werd u gearresteerd en XIV-17.562-2/6 gedurende één maand opgesloten in het politiebureau van Bali. U werd mishandeld en kreeg nauwelijks eten. Na de tussenkomst van een advocaat werd u vrijgelaten. Op 20 mei 2003 keerde u terug naar Bawock, omdat u wist dat uw broer Theodor die dag afwezig was. U stelde vast dat uw broer een cultureel centrum had laten bouwen op een stuk grond dat u toebehoorde. U wachtte uw broer op om hier tegen te protesteren. Uw broer bedreigde u echter met het geweer en verjoeg u uit het dorp. ’s Nachts werd u in Bamenda gearresteerd. U werd naar het politiebureau van Bali gebracht en beschuldigd van het verstoren van een regeringsproject en van het saboteren van de verkiezingen. Op 02 juni 2003 slaagde u erin om via het toilet te ontsnappen. U vluchtte via Bamenda naar uw neef Isaac Chuwah in Douala. Via Isaac vernam u dat de politie uw woning in Bamenda had leeggehaald en dat uw foto verspreid werd. U besloot uw land te verlaten. B. Motivering Er dienen een aantal ernstige tegenstrijdigheden tussen uw opeenvolgende verklaringen te worden vastgesteld, die betrekking hebben op essentiële elementen van uw vluchtrelaas, waardoor er niet langer geloof kan worden aangehecht. In verband met uw arrestatie op 20 mei 2003 verklaart u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (verder DVZ, gehoor dd. 25 juni 2003) dat u onderweg tussen Bawock en Bali gearresteerd werd (DVZ-verslag, p. 13). Voor het Commissariaat-generaal verklaart u daarentegen dat u terugkeerde naar Bamenda en dat u reeds sliep op het moment dat vier agenten bij u binnen kwamen om u te arresteren (CGVS-verslag, p. 7 en 8). Deze tegenstrijdigheid betreft de concrete omstandigheden van de arrestatie die de directe aanleiding vormde voor uw vlucht naar België. Verder verklaart u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u tijdens uw detentie een document diende te ondertekenen, waarvan u niet wist wat er op stond omdat het in het Frans was opgesteld. Een politiecommissaris zou u gezegd hebben dat u overgeplaatst werd naar Mantum (DVZ-verslag, p. 13) Wanneer u voor het Commissariaat-generaal gevraagd wordt hoe u de overplaatsing vernam antwoordt u echter dat u het document van de overplaatsing gelezen hebt (CGVS-verslag, p. 8). Deze incoherentie betreft geen detail, maar de reden waarom u besloot de gevangenis te ontvluchten (CGVS-verslag, p. 10). Vervolgens verklaart u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u, eens aangekomen in Bamenda, zag dat de politie u stond op te wachten en zag dat ze uw woning leeghaalden (DVZ-verslag, p. 13). Voor het Commissariaat-generaal verklaart u echter dat u bij uw aankomst in Bamenda niet naar uw wijk bent gegaan en dat u slechts achteraf hoorde dat uw woning werd leeggehaald (CGVS-verslag, p. 9). Wanneer u hiermee geconfronteerd wordt, kan u geen verklaring bieden voor deze tegenstrijdigheid (CGVS-verslag, p. 9), die nochtans de concrete omstandigheden van uw vlucht betreft. Ten slotte verklaart u voor het Commissariaat- generaal dat uw foto met de vermelding ‘Wanted’ door de ordetroepen verspreid werd (CGVS-verslag, p. 9). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldt u dit feit echter niet. Van u kan redelijkerwijze verwacht worden dat u van bij de aanvang van uw asielprocedure alle elementen aanbrengt die geleid hebben tot uw vlucht, zeker wanneer deze elementen, zoals hier het geval is, betrekking hebben op de directe aanleiding van uw vlucht. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging vastgesteld worden. De door u in het kader van uw asielprocedure voorgelegde documenten (geboorteakte, foto en steunbrief) kunnen het bovenstaande niet wijzigen. De geboorteakte heeft betrekking op uw identiteitsgegevens, die niet in twijfel werden getrokken. De foto en de steunbrief zijn persoonlijke documenten, die geen enkele waarborg van betrouwbaarheid bieden en de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas niet kunnen herstellen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving XIV-17.562-3/6 van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat u in medische behandeling bent voor een levensbedreigende chronische aandoening, waarvoor u in Kameroen geen behandeling kan krijgen (zie medisch attest van Dr. Lut Lynen, dd. 24 juli 2003). Het komt aan hem toe bij een eventuele gedwongen terugleiding hiermee rekening te houden.”.
  8. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  9. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “VII. 1 EERSTE EN ENIG MIDDEL Genomen uit de schending van het recht op een menswaardig leven en de artikelen 2 en 3 van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Doordat de bestreden beslissing het mogelijk maakt dat verzoekende partij teruggeleid wordt naar de grens van het land dat verzoekende partij ontvlucht is, Terwijl zulks gelet op de fysieke toestand van verzoekende partij een manifeste schending inhoudt van het recht op een menswaardig leven en het verbod op foltering, Zodat de bestreden beslissing de in het middel genoemde bepalingen schendt. TOELICHTING BIJ HET MIDDEL: De bestreden beslissing houdt de mogelijkheid in dat verzoekende partij wordt teruggeleid naar de grens van het land dat deze ontvlucht is. In de gegeven omstandigheden maakt zulks een mensonwaardige behandeling uit. Uit het feitenrelaas blijkt reeds dat verzoekende partij lijdt aan HIV. In het land van herkomst is geen gepaste behandeling mogelijk en zijn geen familie of verwanten aanwezig welke voor een voldoende menswaardige opvang kunnen zorgen. Zo in de bestreden beslissing ervan uitgegaan wordt dat de asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen, dan nog mag de bestreden beslissing geen inbreuk maken op het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en meer bepaald(e) de artikelen 2 en 3 hiervan. Door te stellen dat verzoekende partij “in de huidige omstandigheden naar de grens van het ontvluchte land mag worden teruggeleid", worden voornoemde bepalingen en het recht op een menswaardig leven geschonden. Verzoekende partij is in behandeling in België en zal zonder deze behandeling niet kunnen overleven. Het middel is alleszins gegrond.”; 2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Onderzoek van de middelen Verzoeker haalt zijn eerste en enig middel uit een schending van het recht op een menswaardig leven en de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Verweerder merkt eerst en vooral op dat de verblijfsrechterlijke consequenties van een eventuele beslissing van de Commissaris-generaal door de wetgever niet als primordiaal rechtsgevolg werden aangeduid en dat bovendien de Commissaris-generaal daartoe niet bevoegd is. De humanitaire clausule 'De Commissaris-generaal vestigt de aandacht van de Minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat verzoeker in medische behandeling is voor een levensbedreigende chronische aandoening, waarvoor verzoeker in Kameroen geen behandeling kan krijgen. Het komt aan de Minister toe bij een eventuele gedwongen terugleiding hiermee rekening te houden' maakt geen deel uit van de motivering van de bestreden beslissing. De Commissaris-generaal heeft de bevoegdheid en de taak te oordelen over de gegrondheid van asielaanvragen door kandidaat-vluchtelingen en dus het al dan niet toekennen van het statuut van XIV-17.562-4/6 vluchteling. In die zin is het effect van de beslissing op het verblijfstatuut van de betrokkene hoogstens een accessorium. Bovendien is de humanitaire clausule niet onderling tegenstrijdig met de in de bevestigende weigering van verblijf opgenomen motieven, aangezien dit advies aan de Minister van Binnenlandse Zaken betrekking heeft op de medische toestand van verzoeker en geenszins een uitspraak behelst met betrekking tot de ingeroepen vrees voor vervolging. De in de bestreden beslissing opgenomen humanitaire clausule staat geenszins in verband met de vraag of verzoeker ernstige en aantoonbare gronden zou hebben aangebracht die doen geloven in een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Verweerder wijst er verder op dat het litigieuze onderwerp in deze de bestreden beslissing is en dat dient te worden nagegaan of deze beslissing op rechtmatige wijze werd genomen. Het eerste en enig middel is niet gegrond.”; 2.3.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij de schending aanvoert van het recht op een menswaardig leven en de artikelen 2 en 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; 2.3.
  12. Overwegende dat het middel zich beperkt tot het terugleidingsadvies van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker niet ingaat op de eigenlijke motivering van de bestreden beslissing; dat, wanneer de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag overeenkomstig artikel 63/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en in geval van bevestiging van de aangevochten beslissing, hij tevens uitdrukkelijk advies dient te geven over de eventuele terugleiding van diegene die dringend beroep aantekent naar de grens van het land dat hij is ontvlucht en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren; dat de beide bevoegdheden -enerzijds het beoordelen van het dringend beroep en anderzijds het adviseren over de terugleiding- van elkaar te onderscheiden zijn; dat de uitspraak van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in verband met terugleiding slechts een advies is dat de Minister van Binnenlandse Zaken niet moet opvolgen en dat dus niet bindend is; dat dit onderdeel van de bestreden beslissing niet vatbaar is voor nietigverklaring; dat de “humanitaire clausule” niet in verband staat met de vraag of de asielaanvraag ontvankelijk is of niet en of verzoeker voldoende elementen aanbrengt die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in zijn land van herkomst; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, XIV-17.562-5/6 BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.562-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.633 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.