← België

Arrest 149703 - - 03/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.703 Rolnummer: A. 92974/IX-2430 Zaak: Arrest 149703 - - 03/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-11 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 01:27 Fiche Arrest nr 149.703 van 3 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.703 van 3 oktober 2005 in de zaak A. 92.974/IX-

  1. In zake : Paul BLONDEEL, die woonplaats kiest bij advocaten J. VERDEYEN en D. DE MAESENEER, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. HOFSTRÖSSLER, B. SCHUTYSER en K. LEMMENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Goedheidstraat 5-
  2. tussenkomende partij : Luc VAN HOOGENBEMT, die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie Ph. GERARD, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul BLONDEEL op 26 juni 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 27 april 2000 waarbij Luc VAN HOOGENBEMT benoemd wordt tot raadsheer in het Hof van Cassatie; Gelet op het arrest nr. 133.391 van 30 juni 2004 waarbij het tweede annulatiemiddel niet gegrond wordt verklaard, de debatten worden heropend IX-2430-1/14 en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat ermede belast wordt de zaak volledig af te doen; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gezien het verzoekschrift tot wraking van 14 april 2005; Gelet op het arrest nr. 145.757 van 9 juni 2005 waarbij de vordering tot wraking wordt afgewezen en waarbij de zaak wordt verwezen naar de algemene rol; Gelet op de beschikking van 6 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. DE MAESENEER, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat K. LEMMENS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. RONSE, die loco advocaat bij het Hof van Cassatie Ph. GERARD, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-2430-2/14 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de rechtspleging. 1.
  4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie na het aanvullend auditoraatsverslag de intrekking, zo niet een herziening vraagt van het tussenarrest nr. 133.391 van 30 juni 2004, naar analogie met het bepaalde in artikel 1113 van het Gerechtelijk Wetboek, daar hij meent dat zijn rechten van verdediging, meer bepaald, recht op een eerlijk proces en recht op gelijke procesbehandeling, geschonden zijn doordat voormeld arrest geen acht slaat op zijn “repliek na memorie na tussenkomst”, ingediend op 14 mei 2004, welke ook niet uit de debatten werd geweerd; dat hij vraagt dat, indien op die vraag niet kan worden ingegaan, een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie teneinde de rechtspleging voor de Raad van State - de artikelen 31 en 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, welke de mogelijkheid van herziening of cassatieberoep tegen de arresten beperken en de bepalingen van het procedurereglement waardoor het niet toegelaten is te repliceren op sommige memories - te laten toetsen aan de artikelen 6.
  5. en 6.
  6. betreffende de Europese Unie; 1.2.
  7. Overwegende dat het regentsbesluit van 23 augustus 1948 houdende regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State niet voorziet in de mogelijkheid om te antwoorden op memories van de tussenkomende partij; dat van verzoekers repliek op de memorie na tussenkomst dan ook geen melding diende te worden gemaakt in het voornoemde tussenarrest; dat verzoeker er voorts geen belang bij heeft om uitdrukkelijk te laten vaststellen dat die repliek uit de debatten wordt geweerd; 1.2.
  8. Overwegende dat luidens artikel 31 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de herziening van een arrest gevraagd kan worden “indien sinds de uitspraak van het arrest doorslaggevende stukken zijn teruggevonden die door IX-2430-3/14 toedoen van de tegenpartij waren achtergehouden of indien het arrest werd gewezen op als vals erkende of vals verklaarde stukken”; dat verzoekers vraag tot intrekking of herziening van het tussenarrest nr. 133.391 van 30 juni 2004 niet in die wetsbepalingen kan worden ingepast; 1.2.
  9. Overwegende dat de artikelen 6.
  10. en 6.
  11. van het verdrag van 7 februari 1992 betreffende de Europese Unie bepalen : “Art.
  12. De Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.
  13. De Unie eerbiedigt de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de Lid-Staten voortvloeien, als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht.”; 1.2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij terecht opwerpt dat deze bepalingen in de eerste plaats gelden voor de Europese Unie zelf; dat lid 1 dermate algemeen is geformuleerd dat niet in te zien valt en verzoeker niet nader uiteenzet hoe daaruit de concrete regel zou kunnen worden afgeleid dat tegen arresten van de Raad van State ruimere mogelijkheden tot herziening of cassatie open zouden moeten staan of meer uitgebreide rechten van verweer in het kader van een annulatieprocedure dienen te gelden dan die waarin de voormelde gecoördineerde wetten en het procedurereglement voorzien; dat het tweede lid voor de beslechting van verzoekers bezwaren ter zake trouwens een aanwijzing geeft, doordat het verwijst naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden; dat verzoeker in voorkomend geval die bezwaren na de einduitspraak door de Raad van State zal kunnen doen gelden bij het Europees Hof voor de rechten van de mens; IX-2430-4/14 Over de grond van de zaak. 2.1.1.
  15. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij betoogt dat niet concreet, noch afdoende aangegeven wordt om welke redenen de verwerende partij de voorkeur heeft gegeven aan de benoemde kandidaat boven verzoeker, die nochtans ook door het Hof van Cassatie en de Kamer van Volksvertegenwoordigers was voorgedragen, dat de verwijzing naar de “persoonlijke kwaliteiten” van de betrokkene te stereotiep, vaag en algemeen is en ook geen deugdelijk motief kan worden geput uit de voorafgaande voordrachten, aangezien deze evenmin gemotiveerd werden, dat de motieven van een benoeming verband moeten houden met het belang van de dienst en dat, wanneer de benoemende overheid van oordeel is dat het advies van het adviserend orgaan onvoldoende is, zij ofwel een nieuw advies moet vragen, ofwel zelf een onderzoek moet doen; 2.1.1.
  16. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat, toen het bestreden besluit genomen werd, de raadsheren in het Hof van Cassatie benoemd werden uit twee lijsten van twee kandidaten, de ene door het Hof van Cassatie, de andere beurtelings door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en door de Senaat voorgelegd en dat, nu de Koning de kandidaat benoemd heeft die telkens met een ruime meerderheid als eerste werd voorgedragen, een verwijzing naar die voordrachten een afdoende motivering uitmaakt; 2.1.1.
  17. Overwegende dat verzoeker repliceert dat, wanneer de voordrachten door de rechterlijke en wetgevende macht niet gemotiveerd zouden moeten worden, terwijl dat wel het geval is voor andere overheidsbeslissingen en vonnissen, het gelijkheidsbeginsel neergelegd in artikel 10 van de Grondwet geschonden is en hierover een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof gesteld dient te worden; dat volgens verzoeker de argumentatie van de verwerende partij berust op de verkeerde premisse dat het Hof van Cassatie en de Kamer van Volksvertegenwoordigers bij de voordracht van de kandidaten een voorkeur voor IX-2430-5/14 een van de kandidaten hebben uitgedrukt; dat hij meent dat uit de stemming enkel blijkt dat twee personen geschikt werden bevonden en dat elke benoeming, ook die welke zou overeenstemmen met de zogenaamde voorkeur die zou uitgedrukt zijn bij de voordracht, dan ook gemotiveerd moet worden; 2.1.1.
  18. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie betoogt : “Uit de repliek op de memorie na tussenkomst -waarvan ook het verslag geen melding maakt- blijkt dat de Raad van State geen acht slaat op hetgeen de voorzitters van de voordragende instanties zelf stellen omtrent hun voordrachten: met name dat ze geen voorkeur inhouden. Dit lijkt niet te kunnen. Er valt niet in te zien op welke grond de Raad zou kunnen beslissen in de plaats van de voordragende instanties zelf of hun voordrachten al dan niet een voorkeur inhouden. Door aldus te beslissen miskent de Raad het door hem zelf geponeerde beginsel dat hij geen jurisdictie heeft over de wetgevende en rechterlijke macht en schendt hij het beginsel van de scheiding van machten zelf. De Raad heeft dus niet te beslissen over de wijze waarop de voordragende instanties de hun grondwettelijk toebedeelde taak invullen. De Raad is dus niet bevoegd om te stellen dat de voordrachten een voorkeur inhouden en verzoeker werpt deze onbevoegdheidsexceptie nadrukkelijk op. In het benoemingsbesluit, net als in het administratief dossier, ontbreekt in elk geval elke motivering nopens de vergelijking van de titels en verdiensten van de twee kandidaten. Ook om die reden schendt de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde wetsartikelen.”; 2.1.2.
  19. Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de administratieve overheid ertoe verplichten, op een afdoende wijze, in de betrokken akte zelf de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat zulks inzake benoemingen betekent dat uit het benoemingsbesluit moet blijken waarom aan de benoemde kandidaat de voorkeur werd gegeven; 2.1.2.
  20. Overwegende dat het middel aansluit bij het tweede middel, ontleend aan de schending van de verplichting tot vergelijking van de titels en IX-2430-6/14 verdiensten van de kandidaten, hetwelk in het tussenarrest nr. 133.391 van 30 juni 2004 als ongegrond werd verworpen; 2.1.2.
  21. Overwegende dat de motivering van het bestreden benoemingsbesluit luidt als volgt : “Overwegende dat de heer Van Hoogenbemt Luc, raadsheer in het hof van beroep te Antwerpen, de wettelijke benoemings- en taalvoorwaarden vervult; Overwegende dat betrokkene zowel door het Hof van Cassatie als door de Senaat als eerste kandidaat werd voorgedragen; Overwegende dat deze voordrachten klaarblijkelijk verantwoord zijn door de persoonlijke kwaliteiten van betrokkene”; 2.1.2.
  22. Overwegende dat volgens het voornoemde tussenarrest “... in dezen de stelling kan worden bijgevallen dat zowel het Hof van Cassatie als de Kamer van Volksvertegenwoordigers, doordat zij in twee aparte geheime meerderheidsstemmingen eerst de tussenkomende partij op de eerste plaats hebben voorgedragen en daarna verzoeker op de tweede plaats, een duidelijke voorkeur hebben uitgedrukt voor de tussenkomende partij; dat in die omstandigheden de Koning zich ertoe kon beperken die voorkeur bij te vallen en de tussenkomende partij te benoemen, wat hij in dezen ook blijkt te hebben gedaan” (overweging 2.2.4.); dat het arrest voorts stelde dat geen van de dossierstukken -onder meer de processen- verbaal van de voordrachten- “de Raad van State kan laten uitmaken welke beweegredenen precies het Hof van Cassatie en de Kamer van Volksvertegenwoordigers ertoe hebben gebracht de tussenkomende partij tweemaal op de eerste plaats voor te dragen; dat die ontoereikendheid wellicht haar oorzaak vindt in het feit dat de twee voornoemde voordragende colleges zich ertoe konden beperken om, zoals de Grondwet en de wet het voorschrijven, enkel de lijst met het dubbeltal aan de benoemende overheid te bezorgen, zonder de andere gegevens waarover zij beschikten” (overweging 2.2.5); dat daaruit werd besloten “dat derhalve moet worden vastgesteld dat de Koning, voor zover Hij van de voorkeur blijkende uit de volgorde van de twee voordrachten niet wenste af te wijken, er zich toe diende te beperken de telkens als eerste voorgedragen kandidaten te benoemen, zonder dat IX-2430-7/14 de motieven van die voorkeur nader konden blijken dan zoals deze uitgedrukt zijn in de hiervoor onder 2.2.
  23. aangehaalde bewoordingen” (ibidem); 2.1.2.
  24. Overwegende dat nu de kandidaten door het Hof van Cassatie en de Kamer van Volksvertegenwoordigers -niet: de Senaat- in dezelfde volgorde werden voorgedragen en die voordrachten niet gemotiveerd dienden te worden, het benoemingsbesluit afdoende gemotiveerd werd door de vermelding dat de benoemde kandidaat telkens als eerste kandidaat werd voorgedragen; dat de omstandigheid dat volgens verzoeker de voorzitters van de voordragende instanties zelf zouden hebben gesteld dat hun voordrachten geen voorkeur inhouden, niets afdoet aan het feit dat het bestreden benoemingsbesluit op dat stuk een formele motivering bevat die onder het oogpunt van de reden waarom aan de benoemde kandidaat de voorkeur werd gegeven afdoende is; 2.1.2.
  25. Overwegende dat in zoverre verzoeker vraagt dat een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof zou worden gesteld, vastgesteld dient te worden dat verzoeker niet uiteenzet welke wetsbepaling het voorwerp van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof dient uit te maken en die vraag derhalve niet beantwoordt aan artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof; dat dit verzoek dienvolgens moet worden afgewezen; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1.
  26. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel; dat hij betoogt dat de minister van Justitie met een brief van 22 maart 2000 aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie vroeg over beide kandidaten “collegiaal advies te willen uitbrengen”, dat de procureur-generaal hierop antwoordde op 24 maart 2000, maar de verwerende partij hierdoor alleen -en dan nog op een zeer vage wijze- voorgelicht werd omtrent de mogelijke titels en verdiensten van de benoemde kandidaat en over verzoeker niets gezegd werd; dat volgens verzoeker de kandidaten bijgevolg op het vlak van de advisering ongelijk behandeld werden, aangezien aan de ene kandidaat meer aandacht werd besteed dan aan de andere; IX-2430-8/14 2.2.1.
  27. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het om een bijkomend, louter facultatief advies gaat en het advies betrekking had op beide kandidaten; 2.2.1.
  28. Overwegende dat verzoeker repliceert dat het gelijkheidsbeginsel vereist dat de kandidaten niet alleen formeel, maar ook inhoudelijk op dezelfde wijze behandeld worden en dat, aangezien in de brief van 24 maart 2000 enkel iets gezegd wordt over één kandidaat, de minister van Justitie zijn vraag om advies had moeten herhalen voor wat betreft de andere kandidaat; 2.2.1.
  29. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog stelt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen “onderzoek bevelen naar de beweegredenen van het Hof van Cassatie” en “kennis nemen van geuite beweegredenen” enerzijds en “vaststellen of nopens de beide kandidaten geuite beweegredenen voorhanden zijn”; dat volgens hem een onderzoek naar de beweegredenen van het Hof van Cassatie niet vereist is, aangezien de procureur-generaal ze heeft geuit, en dat ter zake een beweegreden onder meer is, de territoriale herkomst van de benoemde kandidaat, terwijl de brief van 24 maart 2000 daarenboven uitging van een orgaan van de uitvoerende macht, de procureur-generaal; dat in tegenstelling tot wat in het aanvullend auditoraatsverslag wordt gesteld, er volgens verzoeker dus niet in te zien valt waarom het middel niet ontvankelijk zou zijn; dat hij wat de grond van het middel betreft nog stelt dat de minister van Justitie om collegiaal advies heeft gevraagd over de beide kandidaten en dat hij dat niet heeft gekregen, dat hij vervolgens uitsluitend uit die brief geput heeft om de benoeming te motiveren, dat anders uitgedrukt, indien de minister verzoeker had willen benoemen, hij dat dan niet op formeel en materieel gelijke wijze kon bewerkstelligen; dat, immers, formeel, een gelijkaardig geschrift ontbreekt voor verzoeker : de brief heeft met verzoeker niets te maken aangezien er geen woord over hem wordt gerept; dat, materieel, een beweegreden inzake de voordracht van verzoeker niet voorhanden is; dat hierdoor het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt en de Koning, zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden, niet kon beslissen zolang over verzoeker niet eenzelfde advies met eenzelfde voorwerp voorhanden was; IX-2430-9/14 2.2.2.
  30. Overwegende dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie in zijn brief van 24 maart 2000, na te hebben verwezen naar de voordrachten die het Hof zelf had gedaan, het volgende stelde : “De voordracht van de heer Raadsheer Van Hoogenbemt als eerste kandidaat is klaarblijkelijk verantwoord niet alleen door zijn persoonlijke kwaliteiten maar ook door het feit dat hij afkomstig is uit hetzelfde rechtsgebied als voorzitter Holsters, wiens opvolging aanleiding geeft tot de benoeming waarvan sprake.”; dat de procureur-generaal met andere woorden verwijst naar de beweegredenen die naar zijn weten het Hof ertoe gebracht zouden hebben de tussenkomende partij als eerste kandidaat voor te dragen; 2.2.2.
  31. Overwegende dat, van tweeën een, ofwel verzoeker terecht opmerkt dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie als orgaan van de uitvoerende macht niet kan spreken namens de rechterlijke macht en diens brief van 24 maart 2000 dan ook niets meer kan inhouden dan een persoonlijke opinie nopens de redenen die het Hof van Cassatie ertoe gebracht zouden hebben de voorkeur te geven aan de tussenkomende partij, welke kan gelden als een advies aan de minister van Justitie, waarbij een onderzoek naar die beweegredenen bij het Hof zelf stuit op het bezwaar dat het Hof zijn voorkeur niet moet motiveren en een onderzoek daarnaar zou strijden met de scheiding der machten, ofwel de procureur-generaal wel de voorkeur van het Hof kan toelichten; dat in de beide hypothesen het motief dat de benoemde kandidaat uit hetzelfde rechtsgebied afkomstig is als degene die hij vervangt, de vaststelling inhoudt dat zulks niet het geval is voor verzoeker, derhalve impliciet maar zeker ook een beoordeling inhoudt van diens kandidaatstelling; dat het gelijkheidsbeginsel bijgevolg niet geschonden wordt; dat het middel niet gegrond is; 2.3.1.
  32. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 151, derde lid, van de Grondwet; dat hij uiteenzet : “Uit de -overigens zeer gebrekkige en summiere- motivering van het benoemingsbesluit zou men kunnen opmaken dat de verwerende partij ervan IX-2430-10/14 uitgaat dat een zgn. “eerste voordracht” meteen ook een voorkeur zou laten blijken. Dit vloeit echter niet voort uit de tekst van de grondwet. De raadsheren in het Hof van Cassatie worden door de Koning benoemd uit twee lijsten van twee kandidaten, de ene door het Hof van Cassatie, de andere beurtelings door de Kamer van volksvertegenwoordigers en door de Senaat voorgelegd. De voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers liet trouwens in een brief van 3 december 1999 aan verzoeker weten : “De melding 1e of 2e kandidatuur beperkt geenszins het recht van de Koning om een kandidaat naar keuze te benoemen uit de opeenvolgende voordrachtlijsten. De melding 1e/2e geeft enkel aan wie bij de opeenvolgende stemmingen weerhouden wordt.”; 2.3.1.
  33. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat zij niet beslist heeft dat enkel en alleen op grond van de eerste voordracht een voorkeur in aanmerking zou moeten worden genomen die beslissend zou zijn voor de keuze van de kandidaat; dat zij stelt niet zonder onderzoek of achterliggende redenering de volgorde van de -overigens eenduidige- voordrachten gevolgd te hebben; 2.3.1.
  34. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord daartegen stelt dat, zo de verwerende partij er niet van uitging dat de voordrachten ook een voorkeur zouden inhouden, zij haar beslissing had moeten motiveren; 2.3.1.
  35. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog argumenteert : “Voordrachten kunnen geen voorkeur inhouden, precies omdat ze niet hoeven te worden gemotiveerd. Het tussenarrest van 30 juni 2004 verandert hier niets aan: de Raad kan zijn eigen rechtspraak niet aanvoeren om een middel te verwerpen, wanneer die rechtspraak de grondwet schendt. Verzoeker verwijst tevens naar hetgeen reeds onder punt 11 inzake het eerste middel werd gesteld. In de brief van 03 december 1999 stelt de Voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers: ‘De melding l//2/geeft enkel aan wie bij opeenvolgende stemmingen weerhouden wordt’. Zulks is niet voor enige interpretatie vatbaar: de orde van voordracht geeft enkel de chronologie aan van de twee keuzes. Overigens, in de rechtspleging voor de Raad van State, die leidde tot het (laatste) arrest-Lebbe van 6 november 2003 (arrest nr. 123.868) betoogde de IX-2430-11/14 Belgische Staat dat bij gemis aan motivering van de voordrachten, deze moeten geacht worden te zijn gedaan op voet van gelijkwaardigheid. Dit stemt precies overeen met hetgeen verzoeker in de voorliggende rechtspleging voorhoudt. De Raad schendt de grondwet en de scheiding der machten indien hij in de plaats van de voordragende overheden beslist of zij al dan niet een voorkeur uiten en a fortiori wanneer hij tegen de standpunten van die overheden zelf ingaat.”; 2.3.
  36. Overwegende dat verzoeker met “artikel 151, derde lid, van de Grondwet” klaarblijkelijk verwijst naar de overgangsbepaling van artikel 151 van de Grondwet, die als volgt luidt : “De raadsheren in het Hof van Cassatie worden door de Koning benoemd uit twee lijsten van twee kandidaten, de ene door het Hof van Cassatie, de andere beurtelings door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en door de Senaat voorgelegd”; dat hij er van uitgaat dat voordrachtlijsten van het Hof van Cassatie en van de Kamer van Volksvertegenwoordigers geen voorkeur voor de eerst gerangschikte kandidaat inhouden; dat het omgekeerde echter werd aangenomen door het tussenarrest nr. 133.391 van 30 juni 2004 waar de Raad van State heeft vastgesteld “dat zowel het Hof van Cassatie als de Kamer van Volksvertegenwoordigers, doordat zij in twee aparte geheime meerderheidsstemmingen eerst de tussenkomende partij op de eerste plaats hebben voorgedragen en daarna verzoeker op de tweede plaats, een duidelijke voorkeur hebben uitgedrukt voor de tussenkomende partij”; dat het feit dat de kandidaten door het Hof van Cassatie en de Kamer van Volksvertegenwoordigers in een bepaalde volgorde worden voorgedragen, overigens niet uitsluit dat de benoemende overheid zelf een keuze kan maken tussen de voorgedragen kandidaten mits deze op adequate wijze te motiveren; dat het dan ook in die zin is dat de brief van 3 december 1999 van de voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers aan verzoeker moet worden begrepen: “De melding 1e of 2e kandidatuur beperkt geenszins het recht van de Koning om een kandidaat naar keuze te benoemen uit de voorgelegde voordrachtenlijsten. De melding 1e / 2e geeft enkel aan wie bij de opeenvolgende stemmingen weerhouden wordt.”; dat, anders dan verzoeker stelt, uit die brief niet af te leiden valt dat de Kamer van Volksvertegenwoordigers geen voorkeur voor de eerst gerangschikte kandidaat zou hebben uitgedrukt; dat integendeel, door de IX-2430-12/14 tussenkomende partij als eerste kandidaat voor te dragen met 71 stemmen tegen 51 stemmen voor verzoeker, zij evident een duidelijke voorkeur voor de tussenkomende partij heeft uitgesproken; dat dit overigens niet betekent dat de twee voorgedragen kandidaten niet gelijkwaardig zouden zijn, in de zin dat zij beiden op gelijke voet voor de benoeming in aanmerking komen; dat het middel niet gegrond is; 2.4.1.
  37. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat in de aanhef van het bestreden benoemingsbesluit gesteld wordt “dat betrokkene zowel door het Hof van Cassatie als door de Senaat als eerste kandidaat werd voorgedragen”, terwijl de parlementaire voordracht door de Kamer van Volksvertegenwoordigers geschiedde; 2.4.1.
  38. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het om een louter materiële vergissing gaat en dat uit de administratieve dossiers en de gevolgde procedure blijkt dat de beslissing zorgvuldig werd voorbereid; 2.4.1.
  39. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de zorgvuldigheid niet alleen moet bestaan bij de voorbereiding van de beslissing, maar ook bij het nemen ervan en bij de motivering van de beslissing; 2.4.
  40. Overwegende dat de foutieve vermelding “Senaat” in het bestreden benoemingsbesluit kan worden beschouwd als een louter materiële vergissing die de rechtsgeldigheid van de bestreden beslissing geenszins in het gedrang brengt; dat het middel niet gegrond is, IX-2430-13/14 BESLUIT: Artikel
  41. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  42. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie oktober 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2430-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.703 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.90.095 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.391 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.757 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.