← België

Arrest 149704 - - 03/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.704 Rolnummer: A. 87721/IX-2074 Zaak: Arrest 149704 - - 03/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-31 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 01:27 Fiche Arrest nr 149.704 van 3 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.704 van 3 oktober 2005 in de zaak A. 87.721/IX-

  1. In zake : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), die woonplaats kiest bij advocaten M. VAN DER HAEGEN en D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen op 5 november 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 augustus 1999 van de gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse Gemeenschap waarbij haar bezwaar tegen de aanslag inzake leegstand en/of verwaarlozing van bedrijfsruimten niet ontvankelijk verklaard en afgewezen wordt ; Gezien de “aanvullende memorie” van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 25 oktober 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2074-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 augustus 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JUDO, die loco advocaten M. VAN DER HAEGEN en D. LINDEMANS, verschijnt voor de verzoekende partij;: Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. Verzoekster is eigenares van een aantal gebouwen gelegen te Kessel-Lo, Diestsesteenweg
  4. 1.
  5. Op 27 mei 1999 wordt aan verzoekster een aanslagbiljet verstuurd inzake de heffing op leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten met betrekking tot de bovenvermelde gebouwen. IX-2074-2/7 1.
  6. Bij brief van 20 juli 1999 dient verzoekster daartegen bezwaar in bij de Vlaamse regering. In dat bezwaar wordt onder meer aangevoerd dat delen van de betrokken gebouwen beschermd werden met toepassing van het decreet van 3 maart 1976 van de Vlaamse Raad tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten. 1.
  7. Op 25 augustus 1999 beslist de gemachtigde ambtenaar namens de Vlaamse regering dat het bezwaar te laat werd ingediend en derhalve als niet ontvankelijk wordt afgewezen. Een afschrift van die beslissing wordt bij aangetekende brief van 6 september 1999 aan verzoekster verstuurd. 1.
  8. Bij aangetekende brief van 5 november 1999 dient verzoekster huidig annulatieberoep in. 1.
  9. Bij brief van 9 december 1999 deelt de directeur-generaal van de afdeling Financieel Management van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan verzoekster mee dat het aanslagbiljet wordt geannuleerd en dat haar ambtshalve ontheffing wordt verleend van betaling van de heffing. Hij verklaart dat uit een onderzoek van het dossier is gebleken dat de betrokken gebouwen reeds sinds 1996 beschermd zijn als monument en dat verzoekster bijgevolg niet als belastingplichtige kan worden beschouwd.
  10. Over de bevoegdheid van de Raad van State. 2.
  11. Overwegende dat artikel 569, eerste lid, 32/,van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, de rechtbanken van eerste aanleg bevoegdheid geeft voor de beslechting "van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet"; dat om uit te maken wat bedoeld wordt met "geschillen betreffende de belastingwet" die bepaling mag samen gelezen worden met artikel 632 van IX-2074-3/7 hetzelfde wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de reeds genoemde wet van 23 maart 1999 en die als volgt luidt : "Art.
  12. Ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet staat ter kennisneming van de rechter die zitting houdt ter zetel van het Hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd. De Koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van beroep aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is"; dat uit die samenlezing kan blijken dat de wetgever uitdrukkelijk een onderscheid maakt tussen een geschil met betrekking tot de inning van de belasting en een geschil "dat geen verband houdt met de inning van een belasting" en hiermee derhalve de meest ruime interpretatie aan het begrip "bestreden beschikking" blijkt te willen geven; dat een geschil dat betrekking heeft op de toepassing van een belastingwet aldus ook in de meest ruime zin zou moeten kunnen opgevat worden; 2.
  13. Overwegende dat zulke interpretatie ook steun vindt in de memorie van toelichting bij de hoger genoemde wet van 23 maart 1999 die over artikel 4 tot aanvulling met een 32/ van artikel 569, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermeldt wat volgt : "Dit artikel maakt de kern uit van de voorgestelde hervorming : integratie van het fiscaal contentieux in de rechterlijke macht, meer bepaald bij de bijzondere, exclusieve bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg. De terminologie werd ontleend aan artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek. 'Belastingwet' moet, zoals van oudsher wordt aangenomen voor de toepassing van voornoemd artikel, in de materiële betekenis worden verstaan, dus als elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet, een ordonnantie of een verordening. Het gebruik van de notie 'geschillen over de toepassing van een belastingwet' als criterium van de volstrekte bevoegdheid heeft nog tot gevolg dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm. Sommige individuele fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) toestaan van termijnverlengingen (artikel 311 WIB/92), het (niet-)toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 W. 15 mei 1846, thans artikel 66 van de IX-2074-4/7 gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit), het (niet-) toestaan van uitstel van betaling van de 'onbetwistbaar verschuldigde belasting' (artikel 410, derde lid WIB/92), het (niet-)vrijstellen van de betaling van nalatigheidsintresten (artikel 417 WIB/92) en het opleggen van een zekerheids- of borgstelling (artikel 420 WIB/92) - konden tot dusver, bij gebrek aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten. Normatieve fiscale rechtshandelingen van hun kant zullen, zoals voorheen, uitsluitend kunnen worden aangevochten bij het Arbitragehof of de Raad van State, naargelang het gaat om een formele wet (artikel 142 van de Grondwet; artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof) of een verordening (artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Dit neemt niet weg dat de wettelijkheid van een fiscale norm zijdelings bij de gewone rechter kan worden betwist, dat wil zeggen wanneer die norm de grondslag uitmaakt van de rechtstreeks aangevochten, individuele fiscale rechtshandeling (artikel 142 van de Grondwet en artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, respectievelijk artikel 159 van de Grondwet). Uiteraard kunnen bij de rechterlijke macht, overeenkomstig de artikelen 17 en 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek slechts vorderingen worden ingesteld wanneer de eiser daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang heeft. Dit betekent dat de rechtsvordering van de belastingplichtige tegen de fiscus slechts toelaatbaar is, benevens in de hierboven vermelde gevallen waarvoor de Raad van State niet langer bevoegd is, om een ten onrechte gevestigde, uitvoerbare belastingtitel te betwisten of om een onverschuldigd betaalde belasting terug te vorderen."(Parl. St. Kamer 1997-'98, nrs 1341-1342-1, 35); 2.
  14. Overwegende dat in diezelfde memorie van toelichting ook nog benadrukt wordt dat "de uitoefening van de jurisdictionele functie in fiscale zaken, (...) voortaan radikaal geïntegreerd (wordt) in de rechterlijke macht"; 2.
  15. Overwegende dat uit het bovenstaande blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat de Raad van State alleen nog maar bevoegd is voor "normatieve fiscale rechtshandelingen" en dat al de andere geschillen onder de bevoegdheidssfeer van de rechterlijke macht zijn gebracht en dat aldus die bijzondere exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg voor geschillen over individuele fiscale rechtshandelingen de algemene residuaire bevoegdheid van de Raad van State uitsluit; 2.
  16. Overwegende dat door verzoekster een heffing wordt aangevochten die op grond van artikel 15 en volgende van het decreet van 19 april IX-2074-5/7 1995 van de Vlaamse Raad houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt gevestigd; dat die heffing een belasting is die door het Vlaams Gewest is ingevoerd in de uitoefening van de eigen fiscale bevoegdheid op grond van artikel 170, § 2, van de Gecoördineerde Grondwet; dat het voorliggend geschil een individuele toepassing betreft van de bepalingen uit een belastingwet en derhalve wordt geviseerd door artikel 569, eerste lid, 32/, van het Gerechtelijk Wetboek; dat artikel 11 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, die in werking is getreden op 6 april 1999, bepaalt dat “de gedingen die hangende zijn bij de hoven, rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, (...) vervolgd en afgehandeld (worden) met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels”; dat op 20 juli 1999 door verzoekster bezwaar tegen de bestreden heffing is ingediend bij de Vlaamse regering en de overgangsregeling van voornoemd artikel 11 derhalve niet geldt voor onderhavig geschil; dat uit het voorgaande geconcludeerd moet worden dat de Raad van State terzake niet bevoegd is; Overwegende dat, aangezien de verwerende partij bij de betekening van de bestreden beslissing aan verzoekster ten onrechte heeft medegedeeld dat er een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State openstaat en verzoekster door de verwerende partij aldus op een dwaalspoor is gebracht, het past de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. IX-2074-6/7 Artikel
  18. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie oktober 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2074-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.704 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.