← België

Arrest 149706 - - 03/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.706 Rolnummer: A. 129827/IX-3621 Zaak: Arrest 149706 - - 03/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-11 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 01:28 Fiche Arrest nr 149.706 van 3 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.706 van 3 oktober 2005 in de zaak A. 129.827/IX-

  1. In zake : de NV ABV Lift-Technics (in faling), rechtsgeding hervat door curator E. VANBERGEN, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat F. LEMAIRE, kantoor houdende te BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV ABV Lift-Technics op 26 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van : “
  3. De beslissing van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid, aan verzoekende partij meegedeeld bij schrijven van 26 september 2002, waarbij wordt geoordeeld dat de rentetoelage en kapitaalpremie, toegekend in toepassing van de wet van 4 augustus 1978, respectievelijk vervalt en wordt vastgesteld op i 4.362,93
  4. De beslissing van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid, aan verzoekende partij meegedeeld bij schrijven van 4 november 2002, waarbij aan verzoekende partij wordt meegedeeld dat de beslissing van 26 september 2002 niet kan worden herzien”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-3621-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 21 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VAN HERREWEGHE die, loco advocaat K. GEELEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat K. PHLIPS die, loco advocaat F. LEMAIRE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  6. De verzoekende partij is een naamloze vennootschap die volgens haar statuten o.m. tot doel heeft de verkoop, het leveren, plaatsen, installeren en onderhouden alsook de productie en assemblage van liften. IX-3621-2/9 1.
  7. Op 21 december 1999 dient de verzoekende partij bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een aanvraag in voor expansiesteun voor kleine ondernemingen, overeenkomstig de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering. In de aanvraag wordt de aard van de investeringen als volgt gepreciseerd : - oprichting gebouwen : 15.010.671 BEF - verbouwingen : 247.412 BEF - aankoop nieuw materieel : 743.666 BEF totaal : 16.001.749 BEF Volgens de aanvraag zouden die investeringen voor 2.001.749 BEF met eigen middelen en voor 14.000.000 BEF met een lange termijnkrediet van de NV Fortis Bank gefinancierd worden. 1.
  8. Bij brief van 27 juli 2000 wordt namens de Vlaamse minister van Economie aan de NV Fortis Bank meegedeeld dat inzake bovenvermelde aanvraag om expansiesteun van de verzoekende partij volgende beslissing werd genomen : “Voor zover het ingediend investeringsprogramma volledig wordt uitgevoerd en gefinancierd zoals voorzien, kan volgende steun worden toegekend : - rentetoelage 700.000 BEF 17.352,55 EUR - kapitaalpremie 97.000 BEF 2.404,57 EUR ”. In die brief wordt als aard van de investeringen opnieuw vermeld : oprichting gebouwen, verbouwingen en aankoop nieuw materieel. In de bijlage II bij de brief worden volgende betalingsmodaliteiten bepaald : “
  9. Uitbetaling van de rentetoelage De rentetoelage wordt uitbetaald in twee gelijke schijven. Met het oog op de uitbetaling van de rentetoelage moet de kredietinstelling schuldvorderingstaten indienen. De eerste schijf kan ten vroegste worden uitbetaald zes maand na de beslissing en nadat 50% van de investering gerealiseerd is, de tweede schijf ten vroegste vijftien maand na de beslissing en nadat het investeringsprogramma volledig gerealiseerd werd.
  10. Uitbetaling van de kapitaalpremie IX-3621-3/9 De kapitaalpremie bedraagt geen 200.000 Bef en zal samen en op analoge wijze als de rentetoelage uitbetaald worden.
  11. Bijkomende tewerkstelling 3.
  12. Voor de in het aanvraagformulier voorziene bijkomende tewerkstelling van 3 personen kan een bijkomende rentetoelage van 1.260.000 BEF (31.234,58 EUR) en een bijkomende kapitaalpremie van 175.000 BEF (4.338,14 EUR) worden toegekend. 3.
  13. Deze steun ingevolge bijkomende tewerkstelling is slechts uitbetaalbaar indien de onderneming uiterlijk 4 1/2 jaar na het kwartaal waarin de aanvraag om overheidssteun werd geregistreerd, aan de hand van RSZ-attesten bewijst dat de tewerkstellingsvooruitzichten effectief gerealiseerd werden. (...)”. 1.
  14. Een eerste schijf van rentetoelage en kapitaalpremie ten belope van 9.878,55 euro wordt uitbetaald. Bij brief van 19 februari 2002 vraagt de verzoekende partij de uitbetaling van de tweede schijf. 1.
  15. In een verslag van onderzoek van 16 juli 2002 wordt door de Inspectie Economie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap gemeld dat de voorziene oprichting van gebouwen voor een bedrag van 15.010.671 BEF niet werd uitgevoerd. Wel werd materieel aangekocht (88.506,39 euro) en immateriële investeringen gedaan (251.244,45 euro). Het krediet bij Fortis van 14.000.000 BEF werd een krediet van 2.000.000 BEF voor het ontwikkelen en bouwen van een kamerloze lift en bijkomende kredieten werden opgenomen bij de Bank J. VAN BREDA en bij het Participatiefonds voor immateriële investeringen. Op basis van die vaststellingen wordt voorgesteld de oorspronkelijke steun te wijzigen. Voor de herberekening wordt als subsidiabel bedrag vermeld : 338.416,36 euro. 1.
  16. In een brief van 26 september 2002 wordt namens de Vlaamse minister van Economie aan de NV Fortis Bank het volgende meegedeeld : “Bij beslissing van 27 juli 2000 werd aan hierboven vermelde onderneming een rentetoelage toegekend van 17.352,55 EUR en een kapitaalpremie van 2.404,57 EUR voor de oprichting en verbouwing van bedrijfsgebouwen en de aankoop van materieel. Van deze subsidie werd reeds de eerste schijf uitbetaald voor een bedrag van 9.878,55 EUR. IX-3621-4/9 Uit een onderzoek door de inspectie blijkt dat het subsidiabel programma 87.171,91 EUR bedraagt en volledig met eigen middelen werd gefinancierd. De immateriële investeringen (onderzoek & ontwikkeling) zijn niet aanvaardbaar omdat : - op 17 juli 2000, dus voor de initiële beslissingsdatum, de Vlaamse regering een wijziging van de richtlijnen VL7 goedkeurde (als bijlage) waardoor de vermelde investeringen vanaf die datum niet meer subsidiabel zijn (VL7 3.1.5); - er voor een zelfde project geen cumul mogelijk is met subsidie bij het IWT, hetgeen het geval is voor de ontwikkeling van de Tuinlift & MK-loze lift Ambistar (VL7 5.3.2). Hieruit volgt dat de bovenvermelde beslissing vanaf het begin wordt gewijzigd als volgt : de rentetoelage vervalt en de kapitaalpremie wordt vastgesteld op 4.362,93 EUR. De teveel uitbetaalde basissubsidie van 5.515,62 EUR zal in mindering worden gebracht van de bijkomende kapitaalpremie. In de bij de oorspronkelijke beslissing gestelde voorwaarde 3.1 (in bijlage II) vervalt de bijkomende rentetoelage en wordt de bijkomende kapitaalpremie 8.701,06 EUR. Uit controle en berekening van de voorgelegde attesten uitgaande van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is gebleken dat voldaan wordt aan de voorwaarde inzake bijkomende tewerkstelling. Bijgevolg wordt de (bijkomende) kapitaalpremie voor bijkomende tewerkstel- ling vastgesteld op 8.701,06 EUR. De maximale steun voor bijkomende tewerkstelling werd in dit dossier bereikt. De procedure inzake de uitbetaling van de resterende kapitaalpremie ad 8.701,06 - 5.515,62 = 3.185,44 EUR werd ingesteld. De bewezen gemiddelde tewerkstelling van 8 personen dient aangehouden te worden gedurende de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2001 (vier kwartalen volgend op de bewijskwartalen). Beroepsmogelijkheden : zie bijlage ”. De in deze brief medegedeelde beslissing, waarbij de rentetoelage vervalt en de kapitaalpremie wordt vastgesteld op 4.362,93 euro, vormt het eerste voorwerp van het onderhavige beroep. 1.
  17. Bij aangetekende brief van 15 oktober 2002 stelt de verzoekende partij een “willig en oneigenlijk beroep” in tegen de bovenvermelde beslissing van 26 september 2002 bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Daarin voert zij aan dat het aanvraagdossier geregistreerd werd vóór de wijziging van de toekennings- voorwaarden, dat de toepassing van de retroactiviteit haar niet tegenstelbaar is en dat IX-3621-5/9 de meeste immateriële investeringen gedaan werden na de registratie van de aanvraag. 1.
  18. In een brief van 4 november 2002 wordt namens de Vlaamse minister van Economie aan de verzoekster het volgende meegedeeld : “In antwoord op uw brief van 15 oktober 2002 deel ik u mee dat de beslissing van 26 september 2002 niet kan worden herzien. In de beslissing van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000 tot wijziging van de richtlijnen VL7 staat : 'de wijzigingen zijn van toepassing op alle steunaanvragen die vanaf 17 juli 2000 worden ingediend én op alle steunaanvragen die vóór die datum zijn ingediend maar waarover op 17 juli 2000 nog geen beslissing over de steunverlening was genomen'. Deze regel werd ook in andere dossiers strikt toegepast. Vermits in uw dossier de beslissing werd genomen op 27 juli 2000 gelden de gewijzigde richtlijnen. Beroepsmogelijkheden : zie bijlage”. De in deze brief medegedeelde beslissing vormt het tweede voorwerp van het onderhavige beroep; 2.
  19. Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag ambtshalve vastgesteld heeft dat de Raad van State niet bevoegd is om van het onderhavige geding kennis te nemen, aangezien het werkelijke en rechtstreekse voorwerp ervan betrekking heeft op een geschil over subjectieve rechten waarvan de beslechting niet uitdrukkelijk aan de Raad van State opgedragen is; 2.
  20. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie betoogt dat de Raad van State wel degelijk bevoegd is; dat zij, sterk samengevat, uiteenzet wat volgt : het beroep is gericht tegen een eenzijdige beslissing van een administratieve overheid; het traditionele onderscheid tussen het zogenaamde objectief contentieux en het contentieux omtrent de subjectieve rechten, dat teruggaat op rechtspraak van het Hof van Cassatie, is niet dienstig om de bevoegdheid van de Raad van State af te bakenen, aangezien ook het objectief contentieux niet losstaat van de subjectieve rechten van de persoon die een annulatieberoep indient; de vereiste van het belang en de vraag naar het mogelijke rechtsherstel na een IX-3621-6/9 vernietigingsarrest bewijzen dat ook voor de Raad van State de bescherming van de rechten van de burger centraal staat; daaruit volgt dat de Raad van State en de gewone rechter gelijkelijk bevoegd zijn om de legaliteit van bestuurshandelingen te beoordelen en om herstel van subjectieve rechten te verlenen; de bevoegdheid van de onderscheiden rechtscolleges dient dan ook niet gezocht in de vraag of de verzoeker de erkenning van zijn subjectieve rechten nastreeft, maar in het rechtsherstel dat hij beoogt en dat veruitwendigd wordt in hetgeen hij formeel aan het rechtscollege vraagt, hetzij de vernietiging van een overheidsbeslissing, hetzij de betaling van schadevergoeding; in dit geval beoogt de verzoekende partij de vernietiging van een besluit van de verwerende partij en daarvoor is de Raad van State bevoegd; subsidiair moet bovendien vastgesteld worden dat de onderhavige vordering in ieder geval geen geschil over een subjectief recht betreft, aangezien het bestreden besluit niet enkel strekt tot de terugvordering van toegekende steun maar het eveneens betrekking heeft op de discretionaire beslissing om nieuwe steun toe te kennen; 2.
  21. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het standpunt van de auditeur-verslaggever bijvalt; 2.
  22. Overwegende dat het Hof van Cassatie en de Raad van State aannemen dat, in het kader van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, de Raad van State geen kennis kan nemen van beroepen tot nietigverklaring van administratieve rechtshandelingen wanneer zij tot rechtstreeks en werkelijk voorwerp een geschil over subjectieve rechten hebben; dat aldus in het arrest nr. 104.272 van 4 maart 2002 inzake BVBA PARKETBEDRIJF VANDENBERGH, de Raad van State aangenomen heeft dat hij niet bevoegd is om kennis te nemen van een annulatieberoep tegen een besluit waarbij de overheid terugkomt op een definitief besluit waarbij zij in het kader van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering aan een onderneming een toelage verleent; dat hij dat standpunt voor de onderhavige zaak herneemt; dat immers de betrokkene de naleving van de hem toegekende rechten bij de hoven en rechtbanken kan afdwingen en dat hij zich daar kan voorzien tegen het geheel of gedeeltelijk tenietdoen van zijn subjectieve rechten wanneer de reglementair gestelde voorwaarden van de subsidiëring niet nageleefd IX-3621-7/9 worden; dat zulks ook het geval is wanneer het bestuur op eigen initiatief de zaak opnieuw onderzoekt en een herberekening doorvoert omdat een voorwaarde, gesteld bij de toekenning van de steun, niet nageleefd werd; 2.
  23. Overwegende dat in dit geval de verwerende partij ter gelegenheid van het uitvoeren van een inspectieonderzoek vastgesteld heeft dat de verzoekende partij niet overgegaan is tot de oprichting van gebouwen, waarvoor zij oorspronkelijk subsidies had aangevraagd en gekregen, maar dat zij wel materieel aangekocht heeft en immateriële investeringen gedaan heeft; dat op grond van die vaststelling de verwerende partij eigener gezag het subsidiabel bedrag gewijzigd heeft en de oorspronkelijke subsidiëringsbeslissing “vanaf het begin (...) gewijzigd ” heeft; dat, door het bestrijden van die wijziging, de verzoekende partij zich verzet tegen het niet-honoreren door de verwerende partij van de geldelijke verplichtingen die zij jegens haar heeft aangegaan; dat zulk beroep een geschil over subjectieve rechten tot werkelijk en rechtstreeks voorwerp heeft waarvan de beoordeling niet uitdrukkelijk aan de Raad van State opgedragen is, BESLUIT: Artikel
  24. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  25. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de failliete boedel. IX-3621-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie oktober 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3621-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.706 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.