id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.736 Rolnummer: A. 152695/XIV-19836 Zaak: Arrest 149736 - - 03/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 01:30 Fiche Arrest nr 149.736 van 3 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.736 van 3 oktober 2005 in de zaak A.152.695/XIV-19.836 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 januari 1960 en van Marokkaanse nationaliteit, op 11 juni 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 maart 2004 tot weigering van regularisatie en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 mei 2004, aan de verzoekende partij op dezelfde datum ter kennis gebracht; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-19.836-1/9 Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 juni 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. PEPERMANS die, loco Advocaat R. JESPERS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op grond van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet). 1.
- Op 22 september 2000 stelde het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was, en zond de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Aan verzoeker werd op 18 oktober 2000 meegedeeld dat hij over een termijn van drie dagen, na kennisgeving van dit negatief advies, beschikte om zijn standpunt uiteen te zetten aan de Minister. 1.
- Op 25 oktober 2000 richtte de Advocaat van verzoeker een schrijven met bijkomende stukken naar de Minister van Binnenlandse Zaken. Op 16 november 2000 richtte de Raadsman van verzoeker een schrijven naar de Commissie voor regularisatie waarbij hij om de uitbreiding van zijn aanvraag verzocht op basis van artikel 2,3/ van de Regularisatiewet. 1.
- Verzoeker is door de Commissie voor regularisatie op 7 november 2002, bijgestaan door een Advocaat, gehoord. XIV-19.836-2/9 1.
- De kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 21 januari 2004 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat volgende overwegingen: “(...) Gelet op de beschikking van 16 oktober 2002 van Mw. Carla Vercammen, Vice-Eerste- Voorzitter van de Commissie, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstalige kamer op de zitting van 7 november
- Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon en werd bij bijgestaan door zijn raadsman mr. Joke Dereymaeker die verscheen loco mr. Raf Jespers, beiden advocaat aan de balie van Antwerpen. Verzoeker moest worden gehoord met de bijstand van een tolk zoals mogelijk is op grond van artikel 10 § 2 van het K.B. van 5 januari 2003 maar deze tolk kon niet door de voorzitter worden aangewezen omdat hiertoe voorafgaand aan de zitting geen vraag daartoe was ontvangen op de Commissie. Overeenkomstig artikel 10 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 verliep de procedure mondeling. Voorafgaand aan deze zitting heeft de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 22 september 2000 en waarin stond dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was zodat de aanvraag met een negatief advies voor beslissing werd overgemaakt aan de Minister op grond van artikel 12 § 1 van de Wet van 22 december
- Betrokkene beschikte, na het ter kennis brengen van dit advies op de wijzen bepaald in de artikelen 10 en 13 van dezelfde wet, vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie bedoeld in voornoemde artikelen over een termijn van drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de minister, en dit per aangetekende brief. Uit het dossier blijkt dat (dit advies door) de politie van Antwerpen op 13 november 2000 op de verblijfplaats van verzoeker is overgegaan tot het afgeven van het bericht van kennisgeving van dat advies. Zijn raadsman had hierop reeds gereageerd bij op 25 oktober 2000 verzonden aangetekende brief om dat advies tegen te spreken. Er werd dus tijdig gereageerd door verzoeker. In dat aangetekend schrijven trok hij de aandacht op de medische toestand van betrokkene die leed aan een ernstige leverciroze waarbij zijn overlevingskansen op 55% geschat waren en dat volgens een attest die toestand een terugkeer naar zijn thuisland zou verhinderen. Met een bijkomende aangetekende brief van 16 november 2000 werd dan nog gewezen op het feit dat verzoeker eveneens artikel 2,3/ van de Wet van 15
(22)december 1999 wilde inroepen om regularisatie van zijn verblijf te kunnen bekomen. De Commissie kon aan de hand van voorgelegde stukken vaststellen dat verzoeker na het indienen van zijn verzoek tot regularisatie in medische behandeling was in Antwerpen. Ter zitting van 7 november 2002 liet verzoeker noteren dat er afstand werd gedaan van de eerder geformuleerde vraag voor toepassing van vermeld artikel 2,3/ en vertelt dat zijn leveraandoening met medicijnen onder controle is. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken met het nummer 4.995.283 en welk dossier geen enkel stuk bevat over de periode voor het indienen van zijn verzoek tot regularisatie zodat daarin geen bevestiging kan gevonden worden van zijn eerdere aanwezigheid in dit land. Verzoeker heeft als XXX en in Marokko geboren op 1 januari 1960, en als gehuwde voor zijn aanvraag tot regularisatie van verblijf het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 ingeroepen hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. Hij liet hierbij optekenen dat hij gehuwd was maar verstrekte verder geen enkel gegeven over zijn echtgenote noch waar of wanneer hij in het huwelijk trad zodat er voor dit gegeven alleen maar onbekenden bestaan. Kinderen werden door verzoeker daarbij niet vermeld zodat hij toen het bestaan van een gezin niet heeft willen aantonen. Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Op 7 november 2002 ondertekent Mhamed Lassgaa ter zitting de verklaring dat hij nooit een bevel gekregen heeft om het grondgebied te verlaten en deze verklaring werd genoteerd op de XIV-19.836-3/9 inventaris van de alsdan neergelegde stukken. Deze verklaring stemt inhoudelijk overeen met de gegevens van zijn dossier bij de Dienst Vreemdelingenzaken. De Commissie moet ter zitting vaststellen dat verzoeker geen Nederlands verstaat. Hij houdt voor dat de leden van zijn gezin in Marokko verblijven en waar hij eerst vertelde dat hij vijf kinderen had verbeterde hij dit in drie kinderen maar kent niet echt de geboortedata van zijn kinderen. Hij houdt voor dat hij nog telefonisch contact gehad heeft met de in Marokko achtergebleven gezinsleden. Hier zou hij illegaal gewerkt hebben in de tomatensector. Maar over een eigen inkomen kan hij hier niet beschikken en acht zich gelukkig te kunnen leven van de steun van zijn niet nader genoemde familie. Na het indienen van zijn verzoek tot regularisatie maakte hij in 2001 gedurende enkele maanden wel deel uit van het officiële arbeidscircuit Of hij in die periode gegevens verstrekt heeft over zijn gezin aan de sociale verzekeringskas van zijn werkgever is niet bekend en dus ook niet of er ooit een vraag bestaan heeft tot bekomen van gezinsbijslag. De kopij van zijn Marokkaanse identiteitskaart Nr.S.126490 die gevoegd was bij zijn verzoek tot regularisatie was geldig van 25 september 1997 tot 24 september 2007 en vermeldde bij aflevering dat hij handelaar was en als zijn woonplaats had Hay Fatima Zahra, Rue Messaoudi Nd 33 in Tanger. Ter zitting kon geen enkel origineel van een identiteitsdocument worden voorgelegd aan de Commissie. Hij vertelde ter zitting hij dat zijn paspoort aan de Commissie niet kan voorleggen omdat het in Marokko was achtergebleven wanneer hij met een klein bootje van uit Tanger naar Spanje was gevaren. Met de leden van zijn gezin zou hij per telefoon in contact gebleven zijn. Het dossier van betrokkene bevat een op 03/09/99 gedateerde verklaring na onderzoek op die dag van huisarts dokter Zouhair Elarbi uit Antwerpen en waarin staat dat verzoeker als zijn patiënt lijdt aan een actieve hepatitis B. Tot dergelijke vaststelling kon alleen worden gekomen na een onderzoek in een laboratorium maar die analyse kon niet worden voorgelegd zodat de datum van uitvoering van dat onderzoek in een labo ook verder onbekend blijft aan de Commissie. Omdat ook verzoeker geen verklaring kon geven waarom dokter Elarbi reeds op 3 september 1999 die verklaring zou hebben geschreven, of op wiens verzoek die verklaring werd geschreven, was de ondersteuning van dat stuk door het onderzoek in een laboratorium belangrijk. Immers dokter Elarbi liet in dat stuk blijken had hij dergelijk onderzoek nodig (achtte) om tot de neergeschreven diagnose te kunnen komen en dat onderzoek had tegelijkertijd de echtheid van datum van die verklaring toetsbaar kunnen maken en hierdoor blijft de geloofwaardigheid van die datering aangetast. Het zou verder toch ook merkwaardig zijn dat deze dokter zich al zijn patiënten van jaren ver kon herinneren en wanneer ze op consultatie kwamen zonder hierbij te kunnen beschikken over een register waarin hij die gegevens genoteerd had en dat stuk kon dus bijkomend ook voorgelegd geweest zijn of minstens een uittreksel ervan. Verzoeker legt aan de Commissie, en zoals reeds eerder in de nota van het onderzoekssecre- tariaat was vermeld, slechts enkele algemene en niet voldoende gedetailleerde verklaringen voor die niet als objectief kunnen beschouwd worden en ontoetsbaar blijven. In de aangetekende brieven waarmee verzoeker reageerde op de nota van het onderzoekssecretariaat werd ook geen poging genoteerd om aan dit gebrek echt te verhelpen. Er mag dus met zekerheid worden gesteld dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek geen geloofwaardigheid kon geven noch helemaal overtuigend (was) voor zijn aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde voor de ontvankelijkheid van zijn verzoek. De door de wetgever voor regularisatie op deze rechtsgrond vereiste termijn van zes jaar continu verblijf in het Rijk is niet op een geloofwaardige wijze kunnen blijken. Het is immers zo gebleven dat verzoeker geen enkel echt toetsbaar element heeft kunnen bezorgen aan de Commissie om zijn verblijf in dit land op en vóór 1 oktober 1999 voldoende geloofwaardig te maken en hierbij moest hij dit doen voor een periode van zes ononderbroken jaren zoals de wetgever in zijn geval vereist bij criterium 2,4/. De Raad van State interpreteert deze voorwaarde ook zeer strikt gezien het arrest nr 109.965 van 2 september 2002 in de zaak A.1I7.019(/V)II-25.865 tegen de Belgische Staat vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. Onder de motivering van dat arrest (het) (wordt) immers het volgende (worden) gelezen "Overwegende dat uit de samenlezing van de artikelen 2,4/ en 9,9/ van voormelde wet van 22 december 1999 blijkt dat de vreemdeling die duurzame bindingen laat gelden, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid overeenkomstig één van de bewijsmogelijkhe- den voorzien in art. 9,9/; dat verzoeker hier niet aan heeft voldaan; dat (
- in)het advies van de Commissie voor regularisatie en derhalve ook (
- in)de beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken derhalve afdoende worden gesteund door het motief dat 'de door de wetgever vereiste termijn niet wordt gehaald'; dat van een schending van de motiveringsplicht derhalve geen sprake is;". Het blijft vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze XIV-19.836-4/9 zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zoniet zou er mogelijkheid bestaa(
- n)dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Ondertussen blijkt verzoeker te hebben willen toetreden, tot het officiële arbeidscircuit en dat hij dan na aansluiting bij een ziekenfonds ook een SIS-kaart (te hebben) (heeft) verkregen. Aan de hand van verklaringen toont hij aan dat hij hier een bekende werd voor verschillende personen maar deze zijn bijna uitsluitend van éénzelfde afkomst als de zijne zodat het best mogelijk is dat ze betrokkene reeds kenden van in hun land van oorsprong. Door de Commissie kon nog niet vastgesteld worden dat verzoeker reeds rijp was voor, of een echte wil had tot een echte integratie met de van oorsprong Belgische bevolking temeer daar hij nog geen ernstige inspanning blijkt te hebben geleverd om een officiële taal van dit land aan te leren opdat dergelijke contacten ook op een normale wijze zouden kunnen verlopen en een echte integratie mogelijk zou worden. Dit vastgestelde gebrek aan kennis van de taal is zeker ook niet van aard om een langdurig verblijf van verzoeker in dit land op zijn geloofwaardigheid te ondersteunen. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p.588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari 2000. (...).”. 1.6. Op 2 maart 2004 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie van verzoeker verworpen. 1.7. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.8. Op 12 mei 2004 werd aan verzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. 1.9. Dit is de tweede bestreden beslissing. 2. Overwegende dat de Raad van State in casu ambtshalve de verkorte procedure toepast, gelet op het feit dat de gegevens van de zaak gekend zijn en het voorwerp uitmaken van een grondige analyse in huidig arrest; dat een verwijzing van deze zaak naar het Auditoraat de zaak zou vertragen en in casu niet de belangen dient van verzoeker; 2.1. Overwegende dat verzoeker tegen de eerste bestreden beslissing een eerste middel aanvoert gebaseerd op de schending van “artikel 62 van de vreemdelingenwet; van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van (
- de)bestuurshandelingen en op de schending van artikel 2, al. 4 en art. 2, al. 3 van de wet van 22 december 1999 met betrekking tot de regularisatie van sommige categorieën van vreemdelingen.”; Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State de verwerende partij het advies van de Regularisatiecommissie mag overnemen om haar beslissing te motiveren, vermits verzoeker tijdig en regelmatig kennis kreeg van het advies en van de bestreden beslissing en inhoudelijke kritiek formuleert op de inhoud van XIV-19.836-5/9 het advies in de volgende middelen; dat de verwerende partij in haar eerste bestreden beslissing de motivering van het advies onderschrijft en als de hare overneemt; dat een dergelijk beslissingsproces wettig is; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.2. Overwegende dat verzoeker tegen voornoemde beslissing een tweede middel aanvoert, gebaseerd op de schending van “artikel 2, 3de lid, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van sommige categorieën van vreemdelingen en op de schending van artikel 14 §2 van de wet van 14 december 1999 betreffende (
- de)regularisatie van verblijf”; Overwegende dat uit het proces-verbaal van de zitting van 7 november 2002 van de Nederlandstalige kamer van de Regularisatiecommissie blijkt dat door de secretaris-griffier van deze kamer werd genotuleerd dat: “Er afstand wordt gedaan van artikel 2, 3/ (van de Regularisatiewet)”, die bepaalt dat een regularisatieaanvraag kan worden gesteund op een ernstige ziekte; Overwegende dat uit voornoemd proces-verbaal blijkt dat verzoeker in persoon verscheen op voormelde zitting, bijgestaan door zijn Advocaat en dat hij bovendien werd bijgestaan door een derde, met name door een zekere XXX, zodat de rechten van verdediging van verzoeker werden gevrijwaard en hij voor zijn rechten en belangen nuttig kon opkomen; Overwegende dat uit de vermelding in voornoemd proces-verbaal blijkt dat verzoeker onvoorwaardelijk en definitief afstand deed van de toepassing van artikel 2,3/, van de Regularisatiewet; dat verzoeker niet is opgekomen tegen voornoemde vermelding; dat ter openbare zitting van woensdag 15 juni 2005 geen attest of verslag werd ingediend dat de gezondheidstoestand van verzoeker actualiseert; dat evenmin een bewijs voorligt van de onmogelijkheid om de aangevoerde ziekte te laten behandelen in het land van herkomst van verzoeker; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing in dit verband overweegt dat: “Ter zitting van 7 november 2002 verzoeker liet noteren dat er afstand werd gedaan van de eerder geformuleerde vraag voor toepassing van voormeld artikel 2, 3/, en vertelt dat zijn leveraandoening met medicijnen onder controle is.”; dat dit een overweging is van de eerste bestreden beslissing die een feit weergeeft, dat ter zitting van de Regularisa- tiecommissie is gebeurd, en dat materieel wordt weergegeven in het proces-verbaal van de zitting van 7 november 2002 van de Regularisatiecommissie, zodat een dergelijke feitelijke vaststelling, die niet anderszins wordt aangevochten, niet voor het eerst kan worden bestreden voor de Raad van State; dat het tweede middel bijgevolg niet dienstig wordt XIV-19.836-6/9 aangevoerd en niet leidt tot de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing; dat daaraan wordt toegevoegd dat verzoeker in zijn verzoekschriften in wezen niet betwist dat hij liet noteren dat hij afstand deed van de toepassing van artikel 2, 3/ van de Regularisatie- wet; dat tenslotte het geciteerde artikel “14 §2” van de Regularisatiewet geen middel inhoudt dat leidt tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; 2.3. Overwegende dat verzoeker in een derde middel, gericht tegen dezelfde beslissing, de schending aanvoert “van artikel 2, 4de (lid) van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van sommige categorieën van vreemdelingen”; dat hij daaraan de schending toevoegt van het gelijkheidsbeginsel en de schending van het recht van verdediging; Overwegende dat verzoeker dit middel als volgt, adstrueert: “De motivering van de Regularisatiecomm(
- i)ssi(i)e luidt als volgt: Verzoeker legt aan de Commissie, en zoals reeds eerder in de nota van het onderzoekssecre- tariaat was vermeld, slechts enkele algemene en niet voldoende gedetailleerde verklaringen voor die niet als objectief kunnen beschouwd worden (
- en)ontoetsbaar blijven. In de aangetekende brieven waarmee verzoeker reageerde op de nota van het onderzoekssecretariaat werd ook geen poging genoteerd om aan dit gebrek echt te verhelpen. Er mag dus met zekerheid worden gesteld dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek geen geloofwaardigheid kon geven noch helemaal overtuigend (was) voor de ontvankelijkheid van zijn verzoek in het Rijk op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde voor de ontvankelijkheid van zijn verzoek. De door de wetgever voor regularisatie op deze rechtsgrond vereiste termijn van zes jaar continu verblijf in het Rijk is niet op een geloofwaardige wijze kunnen blijken. De motivering in dit gedeelte van het advies is deels manifest fout. Ten eerste wordt gesteld dat er slechts enkele algemene en niet voldoende gedetailleerde verklaringen zijn die niet als objectief kunnen worden beschouwd en ontoetsbaar zijn. De regularisatiecommissie negeert het attest van Dokter Van Mackelenbergh die stelt dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat patiënt sedert 1993 in België zou verblijven. Moeilijk kan gesteld worden dat dit een algemeen en niet gedetailleerd bewijselement is. Verder is er een attest van apotheker A. De Prins die bevestigt dat verzoeker zijn geneesmiddelen kocht bij hem sinds 1999. Ook hiervan kan moeilijk gesteld worden dat het gaat om een ontoetsbaar bewijsstuk. De motivering van dit gedeelte van het advies is niet afdoende. Uit de motivering blijkt niet in welke mate en waarom de stukken die werd(
- en)voorgebracht ongeloofwaardig zouden zijn laat staan ontoetsbaar. Het advies gebruikt slechts een stereotiepe zin(s)snede die geenszins wijst op een grondig onderzoek van de stukken.”; Overwegende dat verzoeker de Commissie ten grieve duidt dat zij overweegt dat “er slechts enkele algemene en niet voldoende gedetailleerde verklaringen zijn die niet als objectief kunnen worden beschouwd en ontoetsbaar zijn.”; dat verzoeker deze grief niet uitwerkt en niet betrekt op de schriftelijke verklaringen van verschillende personen die zich in het administratief dossier bevinden, zodat dit onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat verzoeker vervolgens zijn grief baseert op het attest van Dokter A. VAN MACKELENBERGH, dat stelt dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de patiënt (verzoeker) sedert 1993 in België zou verblijven; XIV-19.836-7/9 Overwegende dat dit attest in strijd is met de eigen verklaringen van verzoeker die te vinden zijn in twee brieven die verzoeker zelf schreef of liet schrijven; dat het gaat om de brief van verzoeker van 26 april 2004 gericht naar de Koning en de brief van dezelfde datum gericht naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Dienst Vreemdelingen- zaken; dat verzoeker in deze brieven onder meer schrijft dat hij in België verblijft sedert 1996 (Je réside en Belgique depuis 1996) (stukken nrs. 6 en 13 van het adm. dossier); dat voornoemd attest bijgevolg geen bewijswaarde heeft; dat de Regularisatiecommissie in haar motivering bijgevolg geen acht moest slaan op voornoemd medisch attest; dat hetzelfde geldt voor het attest van apotheker A. DE PRINS, waaruit zou blijken dat verzoeker zijn geneesmiddelen bij hem haalt sinds 1999; dat dit laatste niet relevant is, voor de berekening van de termijn van artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, vermits verzoeker zijn regularisatie- aanvraag op 28 januari 2000 heeft ingediend; dat hij bovendien een Marokkaans paspoort voorlegt dat geldig is van 25 september 1997 tot 24 september 2007 (niet correct genummerd stuk nr. 7 van het adm. doss.); dat, gelet op wat voorafgaat, feitelijk vaststaat dat verzoeker geen aanwezigheid in België bewijst van meer dan zes jaar en dat de neergelegde stukken indruisen tegen zijn eigen verklaringen en tegen de Marokkaanse identiteitskaart van verzoeker; Overwegende dat het derde middel ongegrond is; 2.4. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 3 van het E.V.R.M. , van artikel 2 van de Regularisatiewet en daaraan toevoegt dat het redelijkheids- en gelijkheidsbeginsel werden geschonden; Overwegende dat dit middel is gebaseerd op de ziekte, waaraan verzoeker zou lijden; dat, vermits verzoeker afstand deed van deze eventuele regularisatie- grond, het vierde middel niet dienstig wordt aangevoerd en niet leidt tot de annulatie van de eerste bestreden beslissing; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker geen poging onverlet liet om zijn verblijfstoestand te regulariseren; dat hij hiertoe zelfs een huwelijk afsloot met een Belgische onderdane, dat nietig werd verklaard omdat hij met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid reeds gehuwd is met een Marokkaanse dame die hij met zijn kinderen achterliet in Marokko; dat hiertoe wordt verwezen naar de niet of slordig genummerde stukken van het administratief dossier; dat het niet-nummeren en het niet-inventariseren van het administratief dossier zeer veel nutteloos tijdsverlies betekent voor het Auditoraat en voor de Raad van State die genoopt zijn een ware speurtocht te ondernemen in de neergelegde stukken; dat terloops wordt opgemerkt dat voor alle rechtscolleges de neergelegde dossiers worden geïnventariseerd en dat de stukken ervan worden genummerd; dat niet kan worden ingezien waarom dit niet het geval is voor de Raad van State; XIV-19.836-8/9 3. Overwegende dat het enig middel afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, gericht tegen het bestreden bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 mei 2004 ontvankelijk, doch ongegrond is, vermits de eerste bestreden beslissing wettig is, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . D. MOONS. XIV-19.836-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.736 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div