id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.807 Rolnummer: A. 140473/XIV-16398 Zaak: Arrest 149807 - - 04/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 01:32 Fiche Arrest nr 149.807 van 4 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.807 van 4 oktober 2005 in de zaak A. 140.473/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. DE RYCK, kantoor houdende te 9140 TEMSE, Schoolstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 april 1971 en van Marokkaanse nationaliteit, op 8 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 juni 2003 tot verwerping van een verzoek tot herziening van een aanvraag tot vestiging, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 23 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 juni 2005 om 14.00 uur; XIV-16.398-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. DE RYCK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker komt een eerste maal België binnen op 5 september 1984 samen met zijn moeder F., en zulks op basis van een visum, geldig voor drie maanden. Verzoekers moeder ontvangt bij haar binnenkomst voor haar en haar zoon een aankomstver- klaring, geldig tot 4 december
- 1.
- Op 15 januari 1985 wordt aan verzoekers moeder een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. 1.
- Op 18 januari 1985 dient verzoeker een aanvraag in “tot het verlenen van het recht op gezinshereniging”. Deze aanvraag kadert in het feit dat F. verzoeker, die gehandicapt is, ter adoptie wenst af te staan aan haar andere zoon (de broer van verzoeker), J., en aan diens echtgenote, N.. 1.
- Verzoekers moeder geeft gevolg aan het haar betekende bevel om het grondgebied te verlaten doch laat verzoeker bij zijn broer in België achter. Ten gevolge hiervan neemt de Minister van Justitie op 6 februari 1985 een beslissing houdende bevel tot terugbrenging, waarbij aan J. wordt bevolen om verzoeker terug naar Marokko te brengen. 1.
- Op 14 mei 1985 wordt aan J. opnieuw een bevel tot terugbrenging betekend. Op 14 februari 1987 deelt de burgemeester van Temse aan de Minister van Justitie mee dat J. in juli 1985 gevolg heeft gegeven aan het bevel tot terugbrenging en bijgevolg verzoeker heeft teruggebracht naar Marokko. 1.
- Op 19 januari 1998 huwt verzoeker te Sidi Slimane (Marokko) met Jaffal Samira, van Belgische nationaliteit en verblijvend te Temse. XIV-16.398-2/7 1.
- Op 5 juni 1998 dient verzoeker bij de Belgische ambassade te Casablanca (Marokko) een visumaanvraag in, met de bedoeling zich in België te komen vestigen bij zijn echtgenote. 1.
- Op 22 oktober 1998 wordt aan verzoeker een visum type D afgeleverd, geldig tot 29 januari
- Op 31 oktober 1998 komt verzoeker opnieuw België binnen. 1.
- Op 11 december 1998 dient verzoeker bij de Vrederechter van het kanton Beveren-Waas een verzoekschrift in tot het bekomen van dringende en voorlopige maatregelen, omwille van het feit dat de verstandhouding tussen hem en zijn echtgeno- te ernstig verstoord is. Deze dringende en voorlopige maatregelen worden door de Vrederechter toegekend bij vonnis van 24 maart
- 1.
- Op 14 januari 1999 dient verzoeker te Beveren een aanvraag tot vestiging in. Op diezelfde dag wordt aan verzoeker een attest van immatriculatie toegekend, geldig tot 13 juni
- 1.
- Op 25 maart 1999 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten, met als reden dat er afwezigheid is van gezamenlijke vestiging van de echtgenoten, aan verzoeker betekend op 8 april
- Eveneens op 8 april 1999 wordt aan verzoeker een zogenaamde bijlage 37 betekend, houdende afneming van zijn attest van immatriculatie. 1.
- Op 13 april 1999 dient verzoeker een verzoek tot herziening in van de beslissing tot weigering van vestiging van 25 maart
- Dit verzoek tot herziening wordt ontvankelijk verklaard. Op 4 juni 1999 wordt aan verzoeker dan ook een bijzonder verblijfsdocument (nl. een “bijlage 35”) afgeleverd, zodat hij tijdens de behandeling van zijn verzoek tot herziening legaal in België kan verblijven. 1.
- Uit een “verslag van samenwoonst/gezamenlijke vestiging”, opgemaakt door de politie van Temse op 4 december 1999, blijkt dat verzoeker en zijn echtgenote reeds sinds november 1998 niet meer samenwonen. 1.
- Op 17 januari 2000 besluit de Procureur des Konings, na afronding van het door de politie gevoerde onderzoek, dat het huwelijk tussen verzoeker en zijn echtgenote geen schijnhuwelijk is. 1.
- Op 12 augustus 2000 blijkt uit een nieuw relatieverslag van de politie van Temse dat verzoeker en zijn echtgenote niet samenwonen. XIV-16.398-3/7 1.
- Op 12 maart 2003 brengt de Commissie van Advies voor Vreemdelingen een negatief advies uit omdat zij verzoekers aanvraag tot herziening ongegrond achten. 1.
- Op 30 juni 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot verwerping van het verzoek tot herziening. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering als volgt luidt: “(...) VERWERPING VAN EEN VERZOEK TOT HERZIENING Gelet op de artikelen 64 tot en met 67 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; gewijzigd bij het KB van 13/07/1992, art. 1; vervangen bij de wet van 15/07/1996, art. 4; Gelet op artikel 113, lid 3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; gewijzigd bij het KB van 13/07/1992, art. 1; vervangen bij het KB van 22/11/1996, art. 2; Gelet op de vestigingsweigering met bevel om het grondgebied te verlaten binnen de 15 dagen, die op 08/04/1999 werd betekend aan XXX, geboren te Sidi Slimane op 15/04/1971, onderdaan van Marokko. Gelet op het verzoek tot herziening dat door de voornoemde vreemdeling via zijn raadsman, Meester Raoul DE RYCK werd ingediend op 14/04/1999; Gelet op het advies van de Commissie van Advies voor Vreemdelingen van 12/03/2003 die adviseert dat: “Dat tussen partijen nooit enige “gezinscel” is ontstaan blijkt duidelijk uit het vaststaand feit dat reeds op 28/12/1998 door XXX -hetzij nog geen twee volle maanden na zijn aankomst in België- een verzoekschrift dd. 11/12/1998 op de griffie van het Vrede-gerecht van het kanton Beveren-Waas, werd neergelegd tot het bekomen van dringende en voorlopige maatregelen nu de verstandhouding tussen de echtgenoten ernstig verstoord was, wat tevens werd vastgesteld door de Vrederechter bij vonnis dd. 24/03/1999, voor wie partijen in persoon verschenen. De aanvraag tot vestiging werd pas ingediend op 14/01/1999 op een ogenblik dat XXX reeds een procedure was gestart voor de Heer Vrederechter daarbij erkennend dat er geen verstandhouding meer was tussen hem en zijn echtgenote S.. Nu ter zake geen sprake is geweest van enige vorm van duurzame levensgemeenschap met S., vervult XXX de voorwaarden niet met betrekking tot het recht op verblijf als echtgenoot van de Belgische onderdane S.. Het verzoek tot herziening dient derhalve afgewezen als ongegrond”. Overwegende dat de betrokken vreemdeling zich niet vestigt bij zijn Belgische echtgenote, S., geboren te Antwerpen op 06/10/1976; Overwegende dat de vestiging van een vreemdeling die gehuwd is met een Europese Unie- onderdaan, een minimum aan relatie tussen de echtgenoten vereist (Raad van State, arrest nr 53.030 dd. 24 april 1995); Overwegende dat in het geval van XXX duidelijk blijkt uit relatieverslagen van de Vreemdelingendienst van Beveren dd. 25/03/1999, de Vreemdelingendienst van Temse dd. 14/12/1999 en de Politie van Temse dd. 03/12/1999 en 12/08/2000 dat hier over enige vorm van levensgemeenschap geen sprake is, zodat terecht aan de betrokkene de vestiging werd geweigerd. Het verzoek tot herziening is verworpen. In toepassing van de artikelen 7, eerste lid, 2/, gewijzigd bij de wet van 14/07/1987, art. 1; bij het KB van 13/07/1992, art. 1 en de wet van 06/05/1993, art. 1 en vervangen bij de wet van 15/07/1996, art. 11 en 66 van de voormelde wet, wordt aan de betrokken vreemdeling bevel gegeven het grondgebied van België binnen de 15 dagen te verlaten, evenals het grondgebied van Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Portugal, Griekenland, Oostenrijk, Italië, Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken en IJsland, tenzij hij beschikt over de documenten die vereist zijn om er zich naar toe te begeven. (...).”. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van onontvankelijk- heid opwerpt omdat het verzoekschrift tot schorsing geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel inhoudt; XIV-16.398-4/7 Overwegende dat het niet vereist is hierover uitspraak te doen, aangezien artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt toegepast en de zaak ten gronde wordt behandeld; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt beslecht; 2.
- Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken verder opwerpt dat de vordering onontvankelijk zou zijn omdat geen ernstige middelen worden ontwikkeld; dat verzoeker in zijn verzoekschrift wel degelijk een middel ontwikkelt dat voldoende duidelijk is opdat de Raad van State er zou kunnen op antwoorden; dat deze exceptie dient te worden verworpen;
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het middel zich beperkt tot het geven van kritiek op de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 maart 1999 tot weigering van vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten; dat dit onderdeel van het middel niet kan worden aangenomen omdat zijn kritiek gericht is tegen een beslissing die niet het voorwerp van de verzoekschriften uitmaakt; dat verzoeker tegen voornoemde beslissing een verzoek tot herziening indiende, waarover werd beslist door middel van huidige bestreden beslissing, zodat verzoekers kritiek op eerstgenoemde beslissing thans dan ook niet meer op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd; 3.
- Overwegende dat verzoeker vervolgens aanvoert dat de Minister van Binnenlandse Zaken geen rekening heeft gehouden met het feit dat de Procureur des Konings oordeelde dat zijn huwelijk geen schijnhuwelijk is; dat verzoeker er verder op wijst dat hij en zijn echtgenote een paar maanden hebben samengewoond, maar dat een daadwerkelijke samenwoning van de echtgenoten geen vereiste is om een machtiging tot vestiging te bekomen; dat verzoeker bovendien aanvoert dat het feit dat hij en zijn echtgenote momenteel niet samenwonen, geen afbreuk doet aan de oprechtheid van het door hen aangegane huwelijk; Overwegende dat de bestreden beslissing gebaseerd is op het uitgebreid gemotiveerd advies van de Commissie van Advies voor Vreemdelingen dd.12 maart 2003, dat het verzoek tot herziening ongegrond acht omwille van het feit dat tussen verzoeker en zijn echtgenote “nooit enige ‘gezinscel’ is ontstaan”; dat de bestreden beslissing bovendien steunt op de overweging dat verzoeker zich niet vestigt bij zijn Belgische echtgenote S., terwijl “de vestiging van een vreemdeling die gehuwd is met een Europese Unie-onderdaan, een minimum aan relatie tussen de echtgenoten vereist”; dat de Minister van Binnenlandse XIV-16.398-5/7 Zaken er verder op wijst dat uit de opgestelde relatieverslagen duidelijk blijkt dat er van “enige vorm van levensgemeenschap geen sprake is”; Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, de vestiging van een vreemdeling die gehuwd is met een Belgische onderdaan wel degelijk een minimum aan relatie tussen de echtgenoten vereist; dat het hierbij niet terzake doet of de Procureur des Konings verzoekers huwelijk al dan niet als een schijnhuwelijk bestempelt; dat uit het administratief dossier blijkt dat er tussen verzoeker en zijn echtgenote geen dergelijk minimum aan relatie heeft bestaan; dat bovendien uit de bestreden beslissing en de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker amper anderhalve maand na zijn aankomst in België bij de Vrederechter een verzoekschrift indiende tot het bekomen van dringende en voorlopige maatregelen, die door de Vrederechter bij vonnis van 24 maart 1999 werden toegestaan, “omdat de verstandhouding tussen partijen ernstig verstoord (was)”; dat verzoeker zijn aanvraag tot vestiging pas indiende op 14 januari 1999, terwijl op dat ogenblik de procedure voor de Vrederechter tot het bekomen van dringende en voorlopige maatregelen reeds hangende was; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing terecht verwijst naar de opgestelde relatieverslagen, die tot de conclusie komen dat er van “enige vorm van levensgemeenschap geen sprake is”; dat verzoeker in zijn verzoekschrift geen concrete poging onderneemt om dit te weerleggen; 3.
- Overwegende dat verzoeker tenslotte aanvoert dat de Minister van Binnenlandse Zaken geen rekening heeft gehouden met een aantal elementen die aantonen dat verzoeker in de Belgische maatschappij is geïntegreerd; dat deze elementen niet relevant zijn bij het beoordelen van verzoekers aanvraag tot vestiging, omdat verzoekers vestiging een minimum aan relatie tussen de echtgenoten vereist, die tussen verzoeker en zijn echtgenote nooit heeft bestaan; dat bijgevolg de Minister van Binnenlandse Zaken op deze door verzoeker aangevoerde integratie-elementen dan ook niet diende in te gaan; 3.
- Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeen- stemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg deugdelijk en afdoende is; dat de Minister van Binnenlandse Zaken op goede gronden tot de verwerping van het verzoek tot herziening kon besluiten; dat verzoeker er bijgevolg niet in slaagt aan te tonen dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken onwettig is; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de XIV-16.398-6/7 vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-16.398-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.807 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.