id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.860 Rolnummer: A. 118722/XIV-9265 Zaak: Arrest 149860 - - 05/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-03 01:35 Fiche Arrest nr 149.860 van 5 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.860 van 5 oktober 2005 in de zaak A.118.722/XIV-9265. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 februari 1969 en van Kosovaarse nationaliteit, op 25 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 januari 2002 toto weigering van regularisatie; Gelet op de beschikking van 8 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 juni 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. KECHICHE, die, loco Advocaat L. DENYS, verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-9265-1/10 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. XXX heeft op 29 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 2/ en 2,4/. Deze aanvraag was tevens ingediend voor zijn echtgenote N.. 1.2. Op 21 augustus 2001 is verzoeker door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een lid van vzw HAVEN, gehoord. 1.3. De tweede kamer van de Commissie voor regularisatie verleende een gunstig advies betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Uit de nota van het Onderzoekssecretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend, dat de identiteit van de aanvragers kan vastgesteld worden, dat zij gekend zijn in de zin van de regularisatiewet, en dat het verblijf op 1 oktober 1999 kan aanvaard worden. De aanvraag werd ingediend op grond van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Betrokkene moet bijgevolg op het ogenblik van de aanvraag om redenen onafhankelijk van zijn wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar hij vóór zijn aankomst in België gewoonlijk verbleven heeft, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft. De aanvraag werd ook ingediend op grond van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999. Betrokkene moet bijgevolg op het ogenblik van de aanvraag humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land hebben ontwikkeld. Het Onderzoekssecretariaat kwam tot het besluit dat voor beide artikelen onvoldoende aanwijzingen zijn. De aanvragers kwamen in België aan in februari 1999 en kregen het statuut van ontheemden, met inschrijving in het vreemdelingenregister in september 1999 en inschrijving (bij
- de)VDAB. In februari 2000 vroegen zij een vrijwillige repatriëring via het OCMW Antwerpen, maar intussen was de echtgenote zwanger en heeft de huisarts aangeraden niet te reizen en in België te bevallen. Het zoontje is in november 2000 geboren en vereist verdere medische zorgen zoals blijkt uit een bijgebracht attest. Dat is de reden waarom de moeder niet ter zitting kon aanwezig zijn (zie medisch attest U.Z. Antwerpen). De aanvrager volgde een taaltraining bij de VDAB en ter zitting wordt vastgesteld dat hij zich behoorlijk in het Nederlands kan behelpen. Ter zitting worden een 10-tal zeer persoonlijke verklaringen van gekendheid bijgebracht, allen van Belgische mensen die in de buurt wonen in de Berkenrodelei, 80 te Hoboken, o.m. een buurvrouw Anna, waarnaar het zoontje zijn tweede voornaam kreeg. Zij zijn allen eensgezind om de integratie-inspanningen van het gezin te onderschrijven. Ter zitting wordt de aanvrager bijgestaan door de maatschappelijk werker van de vzw Haven. Volgens de aanvrager is de toestand in Kosovo voor hem niet veilig en zijn huis werd beschadigd; zijn familie woont in een tent. Hij heeft nl. ook problemen gehad met het UCK omdat hij geen soldaat wilde worden en geen geld gaf. Daartegenover staat dat het gezin de terugkeer ernstig heeft overwogen begin 2000. XIV-9265-2/10 Uit o.m. het document over Kosovo van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland blijkt dat de toestand o.l.v. de UNMIK stilaan normaliseert; de etnische minderheden die gevaar lopen zijn de Roma en de Serviërs. Men raadt nochtans aan de terugkeer van de ontheemden te reduceren, zeker voor kwetsbare personen (punt 5, samenvatting). In elk geval komt de Commissie tot het besluit dat de voorwaarden van artikel 2, 4/ van de regularisatiewet zijn vervuld. Het gezin heeft een wettig verblijf, zodat de sociale bindingen en humanitaire redenen kunnen onderzocht worden. De inspanningen tot integratie zijn voldoende gestaafd en de geboorte van een zoontje in België, dat bovendien bijzondere zorgen nodig heeft is een bijkomende humanitaire reden voor hun verblijf hier. De moeilijke toestand in Kosovo ondersteunt daarenboven hun verzoek tot verder verblijf in België. OM DEZE REDENEN Verleent de tweede kamer van de Commissie voor regularisatie aan de Minister van Binnenlandse Zaken een gunstig advies betreffende de aanvraag van XXX, zijn echtgenote N. en hun zoontje A.. (...).”. 1.4. Op 22 januari 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Deze beslissing luidt als volgt: “(...) Overwegende dat de 2/ Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk een gunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie heeft verstrekt, door u ingediend bij de Burgemeester te ANTWERPEN, op 29/01/2000 en dat het nummer 26602000012904973 draagt; Overwegende dat Mijnheer XXX zich bij zijn regularisatieverzoek beriep op criterium 2, 2/ en 2, 4/ van de wet van 22 december 1999, te weten dat hij om redenen onafhankelijk van zijn wil niet kan terugkeren naar het land of de landen waar hij vóór aankomst in België gewoonlijk verbleven heeft, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft, en dat hij eveneens humanitaire redenen meent te kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land te hebben ontwikkeld ; Overwegende dat het verzoek eveneens werd ingediend voor zijn echtgenote, Mevrouw M., en hun kind A.; Overwegende dat genoemde 2/ Kamer van de Commissie voor Regularisatie niet volmondig tot een gunstig advies komt ten aanzien van de vraag of betrokkenen al of niet om redenen onafhankelijk van hun wil terug kunnen keren naar Kosovo ; zo citeert de 2/ Kamer uit een document van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland dat de situatie in Kosovo stilaan normaliseert ; Overwegende dat inderdaad kan worden gesteld dat de situatie in Kosovo dermate gewijzigd is, - dat overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, de Servische troepen en autoriteiten zich hebben teruggetrokken uit Kosovo en werd de regio onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst ; Overwegende dat in het geval van mogelijke problemen betrokkenen zich tot dit internationaal bestuur, gevestigd in Kosovo, kunnen wenden; Overwegende dat derhalve niet wordt aangetoond dat verzoekers inderdaad in de onmogelijkheid verkeren, om redenen onafhankelijk van hun wil, terug te keren naar Kosovo; Overwegende dat volgens artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999, verzoeker die zich beroept op artikel 2, 4/ van dezelfde wet van 22 december 1999 dient aan te tonen dat zijn of haar aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval, het bewijs dat verzoeker wettig in België verbleven heeft en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat verzoeker in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen heeft om het grondgebied te verlaten; Overwegende dat er geen sprake is van minderjarige kinderen die op het ogenblik van het regularisatieverzoek, te weten 29/01/2000, de leeftijd hebben om naar school te gaan, en op 1 oktober 1999 in België verbleven; Overwegende dat de Heer XXX dient aan te tonen dat op het ogenblik van zijn aanvraag zijn aanwezigheid in België derhalve teruggaat tot meer dan zes jaar, - dat hij verklaart in de loop van februari 1999 in België te zijn gearriveerd: dat hij derhalve niet kan aantonen op het ogenblik van zijn aanvraag, te weten op 29/01/2000, meer dan zes jaar in België te hebben verbleven; Overwegende dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de Heer XXX een schriftelijke verklaring heeft toegevoegd dat hij in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen heeft om het land te verlaten; dat zelfs indien dergelijk attest was toegevoegd, XIV-9265-3/10 verzoeker eveneens dient aan te tonen voorafgaand aan zijn verzoek vijf jaar in België te hebben verbleven; dat verzoeker in België arriveerde in februari 1999 zodat dit niet kan worden aangetoond; Overwegende dat de Heer XXX op het ogenblik van de aanvraag, te weten op 29/01/2000, een wettig verblijf bezat, namelijk in het bezit was van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, geldig van 2 september 1999 tot 2 maart 2000, in het kader van de Omzendbrief betreffende het bijzonder statuut van tijdelijke bescherming voor en de opvang van Kosovaarse vluchtelingen van 19 april 1999; Dat artikel 9, 9/ derde lid van de wet van 22 december 1999 echter bepaalt dat om te oordelen of een wettig verblijf relevant is ook rekening moet worden gehouden met het criterium van artikel 2, 4/, te weten de aanwezigheid van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in het land; Overwegende dat de Commissie voor Regularisatie stelt dat de Heer XXX elementen voorlegt die zouden wijzen op humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in het land, en dat hun zoon, welke in België geboren werd, bijzondere zorgen nodig heeft; Overwegende dat verschillende van de door verzoeker voorgelegde elementen dateren uit een periode ruime tijd na het indienen van het regularisatieverzoek; Overwegende dat, van de voorgelegde elementen op vlak van integratie op het ogenblik van of voorafgaand aan het regularisatieverzoek, er een inschrijving aanwezig is bij de VDAB sedert 15 september 1999; ook zijn aanwezig: een huurcontract, een SIS-kaart, verminderingskaarten van De Lijn, het bewijs van betalingen etc.; er zijn ook getuigenissen van mensen die bevriend zijn met verzoeker en zijn gezin; Overwegende dat er sprake zou zijn van gevolgde taalcursussen, maar hiervan liggen geen bewijzen voor; Overwegende dat de voorliggende bewijsstukken onvoldoende aantonen dat er voor verzoeker en zijn gezin humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen aanwezig zijn; dat verzoeker in België arriveerde in de loop van februari 1999, dat dit betekent dat op het ogenblik van het verzoek zij slechts 11 maanden in België verbleven; dat er weliswaar een wettig verblijf aanwezig is, maar dat dit op zich niet van lange duur was; dat er pogingen zijn ondernomen zich te integreren, doch dat op het ogenblik van de aanvraag onvoldoende blijkt dat zij ook daadwerkelijk geïntegreerd zijn; Overwegende dat er gezondheidsproblemen van het kind zouden zijn - dat het enige wat voorligt een attest is van een geneesheer dat het kind gehospitaliseerd was; dat dit allicht omstreeks 20 augustus 2001 was, maar dat verzoeker zich nergens baseert op artikel 2, 3/ van de wet van 22 december 1999; evenmin bestaat er enige aanwijzing dat het artikel 2, 3/ van genoemde wet van toepassing is; BESLUIT: De regularisatieaanvraag nr. 26602000012904973, ingediend door de Heer XXX op 29/01/2000 bij de Burgemeester van ANTWERPEN wordt afgewezen, ondanks het gunstig advies van de Commissie voor Regularisatie. (...).”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) Schending van de artikelen 2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29.07.1991. Volgens artikel 4 van de regularisatiewet van 22.12.1999 verstrekt de Commissie voor Regularisatie een advies aan de Minister van Binnenlandse Zaken, die oordeelt over de aanvragen. De Minister is niet verplicht het advies te volgen, hij kan er van afwijken, doch dan dient hij te motiveren waarom hij dit doet. Deze motiveringsplicht dient des te strenger opgevat te worden nu de Minister zowel tijdens de parlementaire behandeling van de wet als daarna in het parlement herhaaldelijk verklaard heeft dat hij in beginsel het advies van de Kamer zou volgen. Verzoeker riep twee criteria in om zijn verblijf te laten regulariseren, namelijk het tweede en het vierde. A. Inzake het tweede criterium In haar advies noteert de Kamer in dit verband dat verzoeker de onmogelijkheid tot terugkeer grondt op het feit dat de toestand voor hem in Kosovo nog niet veilig is o.m. omdat hij problemen heeft gehad met het UCK omdat hij geen soldaat wilde worden en geen geld gaf. XIV-9265-4/10 De Commissie noteert dat uit een verslag van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat de toestand in Kosovo stilaan normaliseert maar dat men aanraadt de terugkeer van de ontheemden te reduceren, zeker voor kwetsbare personen. Daar deze zin in het advies, onmiddellijk volgt op deze i.v.m. de problemen van verzoeker met het UCK, kan men aannemen dat de Kamer met kwetsbare persoon in dit geval bedoelt een persoon die schrik heeft van het UCK. In zijn beslissing meent tegenpartij dat verzoeker zich niet op het tweede criterium kan beroepen omwille van het feit dat hij zich in geval van mogelijke problemen kan richten tot het bestuur daar geïnstalleerd door de Verenigde Naties. Zulk een algemene formulering, zonder te antwoorden op het concrete gegeven ingeroepen door verzoeker dat hij problemen heeft gehad met het UCK, waarvan geweten is dat zij nu nog steeds een grote macht en invloed uitoefenen in Kosovo daar zij de tweede grootste partij zijn, na de LDK van president Rugova, beantwoordt niet aan de verplichting om concreet rekening houdend met de eigen omstandigheden van de zaak een beslissing van weigering te motiveren die afwijkt van een gunstig advies van de Kamer. Reeds hierom alleen dient de beslissing te worden vernietigd. Immers, het is voldoende vast te stellen dat de Minister onvoldoende motiveert op één van de twee door de Kamer weerhouden criteria, opdat de beslissing van de Minister nietig is wegens een schending van de motiveringsplicht. B. In verband met het vierde criterium. Opdat verzoeker dit criterium kan inroepen, dient een formeel en een materieel criterium te worden bewezen. Inzake het formeel criterium is de Minister het met de Kamer eens over het feit dat verzoeker dit criterium vervult daar hij een wettig verblijf heeft gehad gelet op het feit dat hij gedurende een zekere tijd in het bezit is geweest van een BIVR. Tegenpartij meent evenwel, anders dan de Kamer, dat verzoeker geen of onvoldoende humanitaire redenen kan laten gelden en duurzame sociale bindingen in België heeft ontwikkeld. Het is dus voldoende te onderzoeken of de Minister de motiveringsplicht heeft vervuld inzake de door de Kamer weerhouden argumenten opdat dit materieel criterium is vervuld. Om af te wijken van het advies van de Kamer roept de Minister drie motieven in, die evenwel geen van allen pertinent zijn:
- a)Tegenpartij stelt dat verschillende van de door verzoeker voorgel(e)gde documenten dateren uit een periode ruime tijd na het indienen van het regularisatieverzoek. Verzoeker is inderdaad aangekomen in België in februari 1999 en was in België gedurende tien maanden op het ogenblik van het indienen van het verzoek tot regularisatie, en nog twee jaar langer wanneer de Minister een beslissing nam. De Kamer heeft inderdaad eveneens rekening gehouden met de door verzoeker voorgelegde elementen tussen januari 2000 en augustus 2001. Nu motiveert evenwel de Minister niet om welke reden geen rekening zou mogen gehouden worden met elementen die dateren van na januari 2000. De Commissie meent dat dit wel kan. Indien de Minister het tegendeel meent moet hij motiveren waarom, hetgeen hij niet doet.
- b)Tegenpartij haalt een aantal gegevens aan op het vlak van de integratie die bestonden op het ogenblik dat verzoeker zijn aanvraag indiende in januari 2000, namelijk een inschrijving bij de VDAB, een huurovereenkomst, een SIS-kaart, verminderingskaarten van De Lijn, het bewijs van betalingen, getuigenissen van mensen die met verzoeker bevriend zijn, en de Minister noteert dat er sprake is van gevolgde taalcursussen maar hiervan geen bewijzen voorliggen. Tegenpartij meent dat dit onvoldoende beantwoordt aan het vierde criterium omdat de bewijsstukken onvoldoende aantonen dat er voor verzoeker en zijn gezin humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen aanwezig zijn daar verzoeker slechts tien of elf maanden in België verbleef op het ogenblik van de aanvraag tot regularisatie. Er zijn weliswaar pogingen ondernomen om zich te integreren doch deze waren op het ogenblik van de aanvraag onvoldoende om te bewijzen dat verzoeker en zijn gezin ook daadwerkelijk was geïntegreerd. Dit motief is alleen een concrete verduidelijking van het voorgaande motief dat hiervoor reeds als niet-pertinent werd aangetoond. Ook om twee andere redenen is dit motief evenwel niet pertinent: - de omstandigheid dat er geen bewijs voorligt van gevolgde taalcursussen is niet terzake doende omdat de Kamer ter zitting vaststelt dat verzoeker Nederlands praat. Integratie blijkt niet zozeer uit het volgen van taalcursussen maar wel uit de vaststelling dat verzoeker de taal spreekt. - beweren dat er pogingen zijn ondernomen maar dat deze onvoldoende zijn, terwijl de Kamer het tegendeel aanneemt, is geen concrete motivering die toelaat af te wijken van het advies van de Kamer. Immers, indien tegenpartij meent dat de Kamer de wet verkeerd toepast door te snel aan te nemen dat er voldoende humanitaire omstandigheden en duurzame sociale bindingen zijn, dient de Minister aan te tonen op welk concreet punt de Commissie de wet verkeerd interpreteert. Het volstaat bijgevolg niet mee te delen dat het wettig verblijf van verzoeker kort was en dat hij slechts elf maanden in België was op het ogenblik van het indienen van de aanvraag. Nergens in de wet wordt een minimumperiode bepaald voor het XIV-9265-5/10 wettig verblijf en nergens in de wet wordt een minimumdrempel aangegeven om te bewijzen dat men voldoende humanitaire redenen en voldoende sociale bindingen heeft.
- c)Eén van de concrete gegevens die door de Kamer weerhouden wordt, is het feit dat het kind van verzoeker en zijn echtgenote in België geboren is en dat dit omwille van medische problemen nog steeds door een geneesheer wordt gevolgd ter controle. Dit motief wordt door tegenpartij verworpen omwille van de enkele reden dat niet blijkt dat het kind zich in een toestand bevindt vereist door het derde criterium van de wet. Nu valt evenwel niet in te zien waarom de medische toestand van een kind niet een element kan zijn om aan te nemen dat er duurzame sociale bindingen of humanitaire redenen zijn, zoals de Kamer meent. Nogmaals : indien tegenpartij afwijkt van het advies van de Kamer dient zij pertinent te motiveren waarom zij dit doet, hetgeen niet het geval is. Bijgevolg schendt tegenpartij de motiveringsplicht. (...).”. 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt: “(...) In een twee onderdelen tellend enig middel stelt verzoeker de schending door de bestreden beslissing van de artikelen 2 en 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet dd. 29.7.1991 voorop, nu de Minister van Binnenlandse Zaken niet afdoende zou hebben gemotiveerd waarom hij van het gunstige advies van de tweede kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft afgeweken. Met betrekking tot het eerste onderdeel van verzoekers enige middel heeft de verwerende partij de eer op te merken dat verzoekers kritiek op de bestreden beslissing feitelijke grondslag mist. Vastgesteld moet immers worden dat de Minister van Binnenlandse Zaken wel degelijk afdoende duidelijk en ondubbelzinnig heeft aangegeven waarom verzoeker niet ernstig (meer) kon inroepen dat het hem onmogelijk is terug te keren naar zijn land van herkomst om redenen onafhankelijk van zijn wil. De bestreden beslissing wordt wat dit aspect immers als volgt gemotiveerd: "Overwegende dat inderdaad kan worden gesteld dat de situatie in Kosovo dermate gewijzigd is, -dat overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, de Servische troepen en autoriteiten zich hebben teruggetrokken uit Kosovo en werd de regio onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst; Overwegende dat in het geval van mogelijke problemen betrokkenen zich tot dit internationaal bestuur, gevestigd in Kosovo, kunnen wenden;" Aangenomen moet dus worden dat de bestreden beslissing zodoende afdoende is gemotiveerd, ook naar het specifieke geval van verzoeker toe vermits een verbetering van de algemene toestand in Kosovo per definitie ook voor de individuele situatie van verzoeker een verbetering betekent. Het eerste onderdeel van verzoekers eerste en enige middel faalt naar recht. In het tweede onderdeel van het enige middel wordt het vermeende niet afdoende motiveren door de Minister van Binnenlandse Zaken m.b.t. de beoordeling der humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen aangeklaagd. Waar verzoeker stelt dat de Minister moest motiveren waarom geen rekening kan gehouden worden met de door verzoeker voorgedragen elementen die dateren van na januari 2000, kan de verwerende partij ermee volstaan erop te wijzen dat het niet meer dan logisch is dat van de betrokkene wordt verwacht dat hij op het moment van indiening van zijn of haar regularisatieaanvraag aan de in de Regularisatiewet gestelde toepassingsvoorwaarden voldoet. Indachtig bovendien de eenmaligheid van de regularisatiecampagne, alsook de uiterst korte tijdspanne die de geïnteresseerden werd toegestaan om hun regularisatieaanvraag in te dienen (enkel in de maand januari van het jaar 2000), moet ervan uitgegaan worden dat geen rekening mag worden gehouden met - in het geval van verzoeker - in de periode na het indienen van de aanvraag opgebouwde duurzame sociale bindingen in de Belgische samenleving vermits dit een niet voorziene, ongewenste en zeker niet met het uitzonderingkarakter van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999 strokende uitbreiding van het toepassingsgebied van voormelde wet zou inhouden. Gezien de evidentie van het beginsel dat voldaan moet zijn aan de voorwaarden van een regularisatieaanvraag op het moment dat hij (zij) wordt ingediend, is het aldus volstrekt onnodig dat de Minister bijkomend zou motiveren waarom met elementen die dateren van na de indiening van de regularisatieaanvraag geen rekening kan worden gehouden. Waar verzoeker vervolgens zijn kritiek op de bestreden beslissing opbouwt rond het door hem in het kader van zijn regularisatieaanvraag voorgebrachte bewijsmateriaal betrekking XIV-9265-6/10 hebbend op elementen daterend van vóór de indiening van die aanvraag, heeft de verwerende partij de eer op te merken dat verzoeker klaarblijkelijk kennis heeft van de door de Minister van Binnenlandse Zaken verstrekte motivering m.b.t. dit aspect van de bestreden beslissing, waarbij verzoeker opmerkt de gegeven motivering "niet pertinent" te kunnen bevinden. Hieruit dient naar het oordeel van de verwerende partij te worden afgeleid dat verzoeker wel degelijk op de hoogte is van de door de Minister verstrekte motivering van diens beslissing en er zodoende per definitie van een schending van de formele motiveringsplicht zoals omschreven in de artikelen 2 en 3 van de wet dd. 29.7.1991 geen spr(e)(a)ke kan zijn. In dit verband dient er immers op te worden gewezen dat de door verzoeker bedoelde wet verband houdt met de verplichting om bestuurshandelingen formeel te motiveren, en als zodanig tot doel heeft om de bestuurde toe te laten te achterhalen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (R.v.St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. R v. St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste terdege voldaan, ten bewijze hiervan het voorliggende tot de Raad van State gerichte beroepsverzoekschrift. De door verzoeker als "niet pertinent" bestempelde overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan derhalve om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. Wat tenslotte de medische problematiek rond verzoekers kind betreft, kan de verwerende partij er wederom mee volstaan erop te wijzen dat verzoekers - vanuit de schending van de formele motiveringsplicht opgebouwde - kritiek feitelijke grondslag mist, daar niet ernstig kan betwist worden dat de Minister wel degelijk zijn beslissing m.b.t. dit aspect heeft gemotiveerd. Er wordt immers als motivering naar voor geschoven: "Overwegende dat er gezondheidsproblemen van het kind zouden zijn; dat het enige wat voorligt een attest is van een geneesheer dat het kind gehospitaliseerd was; dat dit allicht omstreeks 20 augustus 2001 was, maar dat verzoeker zich nergens baseert op artikel 2, 3/ van de wet van 22 december 1999; evenmin bestaat er enige aanwijzing dat het artikel 2, 3/ van genoemde wet van toepassing is. ". Verzoekers opmerking tenslotte dat de medische problematiek m.b.t. zijn kind net zo goed als “duurzame sociale binding” of “humanitaire reden” kan worden geïnterpreteerd, slaat hoegenaamd nergens op nu het verblijf in (een) Belgisch ziekenhuis geenszins wijst op het bestaan van 'humanitaire redenen' of 'duurzame sociale bindingen’, laat staan dat Minister van Binnenlandse Zaken gehouden zou zijn te motiveren waarom. Verzoekers enig middel faalt naar recht. (...).”. 2.1.3. Overwegende dat verzoeker hierop repliceert: “(...) 1. In een enig middel roept verzoeker de schending in van de formele motiveringsplicht. In werkelijkheid dient het middel gelezen te worden als een schending van de materiële motiveringsplicht. 2. Volgens verzoeker heeft tegenpartij, die de aanvraag tot regularisatie verwerpt, en daarbij afwijkt van het gunstig advies van de Commissie voor Regularisatie, zijn beslissing niet afdoend gemotiveerd. Verzoeker had zich voor zijn regularisatieaanvraag gesteund op 2 criteria, namelijk het tweede en het vierde.
- a)In verband met het tweede criterium antwoordt tegenpartij enkel maar door de motivering van de bestreden beslissing opnieuw aan te halen in zijn memorie van antwoord, bewerende dat dit een voldoende motivering uitmaakt en aantoont dat verzoeker onterecht het tweede criterium inroept. Daarbij gaat tegenpartij voorbij aan haar verplichting om rekening te houden met het advies van de Kamer van de Commissie voor Regularisatie, die motiveert waarom verzoeker terecht het tweede criterium inroept. Met andere woorden, tegenpartij moet motiveren waarom hij (zij) afwijkt van dit voor verzoeker gunstig advies. Het is precies dat wat verzoeker in zijn verzoekschrift verwijt en tegenpartij beantwoordt dit in zijn memorie van antwoord geenszins. Op dit onderdeel is bijgevolg het enig middel gegrond.
- b)Inzake het vierde criterium verwijt verzoeker in de eerste plaats tegenpartij dat zij niet motiveert waarom de Commissie voor Regularisatie geen rekening mocht houden met gegevens die dateren van na de indiening van de aanvraag in januari 2000. In haar memorie van antwoord verwijst tegenpartij in dat verband naar de "logica", de eenmaligheid van de regularisatiecampagne en de uiterst korte tijdspanne om de aanvraag in te dienen en de “evidentie”. Hoe dit een pertinent antwoord zou kunnen zijn, is verzoeker niet XIV-9265-7/10 duidelijk, al was het maar omdat de Commissie voor Regularisatie verplicht is om verzoeker op te roepen vooraleer een advies wordt gegeven. Waarom zou dan geen rekening mogen gehouden worden met de gegevens die door verzoeker op deze zitting worden aangebracht? Waarom zou (het) verzoeker verboden worden daarom gegevens aan te brengen daterend van na januari 2000? De Commissie geeft een advies over de feiten en is geen cassatierechter, en het zou strijdig zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel indien de Commissie geen rekening houdt met gegevens van na januari 2000. Indien de Minister zijn stelling coherent aanhoudt, zal hij dan ook geen rekening houden met een ongunstig gegeven van na januari 2000, zelfs niet indien dit een uitsluiting omwille van de openbare orde rechtvaardigt? Bovendien kan evenwel met dit antwoord geen rekening worden gehouden daar de Minister, om af te wijken van het gunstig advies, in de bestreden beslissing had moeten motiveren waarom met gegevens van na januari 2000 geen rekening mag worden gehouden. Hij mag dit niet voor de eerste keer doen in een memorie van antwoord. In de tweede plaats bekritiseert verzoeker het motief van de bestreden beslissing met betrekking tot de gegevens inzake de integratie die bestonden op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, en die door tegenpartij als onvoldoende werden beschouwd. Tegenpartij stelt in zijn memorie van antwoord terecht dat hier geen schending van de formele motiveringsplicht kan worden opgeworpen. Verzoeker herhaalt dat hij in werkelijkheid een schending van de materiële motiveringsplicht aanklaagt. Op dat vlak wordt de argumentatie in het verzoekschrift evenwel niet weerlegd. Tenslotte had verzoeker de motivering aangeklaagd in verband met de verwarring van tegenpartij tussen het derde en het vierde criterium. Kennelijk was volgens de Kamer van de Commissie voor Regularisatie de ziekte van het kind van verzoeker een gegeven dat een humanitaire reden uitmaakt. Verzoeker verwijt tegenpartij dat hij niet motiveert waarom dit niet zo zou kunnen zijn, en uitsluitend beweert dat met dit gegeven geen rekening kan worden gehouden omdat de Commissie niet aantoont dat de ziekte van het kind ernstig genoeg is om zich op het derde criterium te kunnen baseren. In de memorie van antwoord beperkt tegenpartij zich ertoe te stellen dat dit "hoegenaamd nergens op slaat, wat moeilijk als een gemotiveerde repliek kan beschouwd worden. Bijgevolg is ook het tweede onderdeel in zijn drie aspecten van het enig middel gegrond. (...).”. 2.1.4. Overwegende dat verzoeker naar aanleiding van het verzoek tot voortzetting ten einde te worden gehoord nog toevoegt dat de drie bewijsmogelijkheden vernoemd in artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999 facultatief zijn, en dat het dus volstaat dat verzoeker aan één van de drie voorwaarden voldoet, opdat zou geregulariseerd worden; 2.2. Overwegende dat, wat betreft de weigering om verzoeker te regulariseren op grond van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999, in het advies van de Regularisatiecommissie omtrent de toepassing van het criterium vermeld in artikel 2, 2/ wordt overwogen: “Volgens de aanvrager is de toestand in Kosovo voor hem niet veilig en zijn huis werd beschadigd: zijn familie woont in een tent. Hij heeft nl. ook problemen gehad met het UCK omdat hij geen soldaat wilde worden en geen geld gaf. Daartegenover staat dat het gezin de terugkeer ernstig heeft overwogen begin 2000. Uit o.m. het document over Kosovo van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland blijkt dat de toestand o.l.v. de UNMIK stilaan normaliseert: de etnische minderheden die gevaar lopen zijn de Roma en de Serviërs. Men raadt nochtans aan de terugkeer van de ontheemden te reduceren, zeker voor kwetsbare personen.”; Overwegende dat de Commissie vervolgt dat “in elk geval” de voorwaarden van artikel 2,4/ van de Regularisatiewet zijn vervuld; dat aldus, in tegenstelling tot verzoekers betoog, allerminst kan worden afgeleid dat de Commissie XIV-9265-8/10 onverdeeld gunstig heeft gestatueerd over de toepassing van artikel 2, 2/; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn beslissing derhalve overweegt dat de Commissie voor regularisatie niet volmondig tot een gunstig advies komt ten aanzien van de vraag of betrokkenen al of niet om redenen onafhankelijk van hun wil kunnen terugkeren naar Kosovo; dat hij zich derhalve aansluit bij de overweging van de Commissie dat de situatie in Kosovo dermate gewijzigd is en hierbij verwijst naar resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, waarbij de Servische troepen en autoriteiten zich hebben teruggetrokken uit Kosovo en de regio onder internationaal toezicht en bestuur werd geplaatst; dat hij hieraan toevoegt dat “ingeval van mogelijke problemen betrokkenen zich tot het internationaal bestuur, gevestigd in Kosovo, kunnen wenden”, zodat derhalve “niet wordt aangetoond dat verzoekers inderdaad in de onmogelijkheid verkeren, om redenen onafhankelijk van hun wil, terug te keren naar Kosovo”; dat verzoeker geen concrete gegevens aanbrengt waaruit moet blijken dat de in de beslissing vermelde overweging dat een verbetering van de algemene toestand in Kosovo bijgevolg ook een verbetering betekent van de individuele situatie van verzoeker, wat hem betreft, onjuist zou zijn; dat de bestreden beslissing derhalve op afdoende wijze aangeeft waarom het afwijkt van het gunstig advies van de Commissie voor regularisatie in verband met de toepassing van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999; dat dit des te meer het geval is nu het motief waarop verzoeker steunt om de onmogelijkheid tot terugkeer te staven vaag is, niet precies en niet concreet; Overwegende dat, wat betreft de weigering om de verblijfstoestand van verzoeker te regulariseren op grond van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet, uit de samenlezing van de artikelen 2, 4/ en 9, 9/ van deze wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verblijft op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in art. 9, 9/ en dat hij eveneens dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat de aanwezigheid in het Rijk gedurende een periode van meer dan vijf jaar, vereist door artikel 9, 9/, evenzeer als de voorwaarde van verblijf op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde is opdat de aanvraag zou kunnen worden onderzocht op basis van het vierde criterium; dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt overwogen dat verzoeker in België is toegekomen in de loop van de maand februari 1999, en dat hij niet kan aantonen op het ogenblik van zijn aanvraag, te weten op 29 januari 2000, meer dan vijf jaar in België te hebben verbleven; dat verzoeker deze vaststelling niet betwist en bijgevolg erkent dat hij op het moment van de regularisatieaanvraag slechts elf maanden in België verbleef; dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken derhalve op afdoende wijze gesteund is op de overweging dat verzoeker zijn aanwezigheid overeenkomstig artikel 9, 9/ niet bewijst; dat de verwerende partij bijgevolg niet meer verder diende te onderzoeken of verzoeker duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen kon laten gelden; dat het enig middel ongegrond is, XIV-9265-9/10 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9265-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.860 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div