← België

Arrest 149865 - - 06/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.865 Rolnummer: A. 114009/XII-3378 Zaak: Arrest 149865 - - 06/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-03 01:37 Fiche Arrest nr 149.865 van 6 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.865 van 6 oktober 2005 in de zaak A. 114.009/XII-

  1. In zake : Frans ALLARD, wonende te Tienen, Breisemstraat 82 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 13 Zuid-Limburg, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans Allard op 11 december 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen “van de beslissing van de Beoordelingscommissie van de Scholengroep Zuid Limburg nr. 13 om [hem] niet te weerhouden om te fungeren als waarnemend directeur in het KTA2 Tongeren en van de beslissing van de Raad van Bestuur om nadien Pellaers Mieke waarnemend aan te stellen in voornoemd ambt”; Gelet op het arrest nr. 131.807 van 27 mei 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 2 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-3378-1\10 Gelet op de beschikking van 6 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Bral, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak 1.
  3. Overwegende dat verzoeker de enige kandidaat is voor de aanstelling tot waarnemend directeur van het KTA2 Tongeren; dat hem na een interview, op 27 september 2001, bij aangetekende brief van 28 september 2001 door de algemeen directeur namens de beoordelingscommissie wordt meegedeeld : “De beoordelingscommissie meldt u dat u echter, volgens de geldende criteria, niet weerhouden werd om te fungeren als waarnemend directeur in het KTA2 Tongeren”; 1.
  4. Overwegende dat de raad van bestuur op 16 oktober 2001 beslist : “Artikel 1 De heer Frans Allard was enig kandidaat voor de functie van waarnemend directeur t.v.v. de titularis E. Forier, met ziekteverlof. De heer Allard voldeed niet aan de gestelde criteria van de beoordelingscommissie (eindscore 18 op 40 = onvoldoende) Artikel 2 Bij ontstentenis van een kandidaat werd Mevr. Marie-Josée Pellaers aangesteld als waarnemend directeur aan het KTA2 Tongeren. Motivatie : Mevr. Pellaers neemt deel aan de navorming georganiseerd door de RAGO. Deze navorming bereidt haar voor op de akte van directeur secundair onderwijs.”; XII-3378-2\10 Het voorwerp van het beroep
  5. Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift formeel de nietigverklaring vraagt van, vooreerst, de “beslissing” van de beoordelings- commissie; dat de Raad van State in het arrest nr. 131.807 van 27 mei 2004 heeft vastgesteld dat die eerste door verzoeker bestreden beslissing in het geheel van de aanstellingsprocedure als een louter voorbereidende handeling verschijnt, dat het verzoekschrift kennelijk is bedoeld en zo wordt begrepen, als voornaamste voorwerp de beslissing te omvatten waarbij verzoeker niet als kandidaat in aanmerking wordt genomen en dat die beslissing te vinden is in de beslissing van de raad van bestuur van 16 oktober 2001; De gegrondheid van het beroep 3.
  6. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, omdat de enkele referentie door de beoordelingscommissie aan “de geldende criteria” een standaardformule is die niet is toegespitst op de concrete situatie; 3.
  7. Overwegende dat als gezien de beoordelingscommissie niet de eindbeslissing heeft genomen, maar wel de raad van bestuur op 16 oktober 1991; dat voorts de kennisgeving van de strekking van het advies van de commissie aan verzoeker niet mag worden verward met de volledige inhoud van het advies; dat immers na neerlegging van het administratief dossier moet worden vastgesteld dat de beoordelingscommissie een verslag heeft opgesteld over het interview en een beoordelingsfiche over verzoeker, samen negen bladzijden tellend; dat de hiervoor geciteerde beslissing van de raad van bestuur impliciet verwijst naar die stukken door als motief aan te nemen dat verzoeker 18/40 als eindscore behaalde en dat dit onvoldoende is; Overwegende dat krachtens artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 de formele motiveringsplicht inhoudt dat in de bestuurshandeling waarin de beslissing is opgenomen, de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat die motivering afdoende moet zijn; dat de verplichting tot formele motivering er toe strekt de bestuurde een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing dat hij in staat is om te oordelen of, XII-3378-3\10 ten aanzien van de motieven, het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat, opdat die verplichting haar doel zou be- reiken, de motivering die in de beslissing is opgenomen duidelijk dient te zijn, dat wil zeggen duidelijk en concreet de redenen aangeven die de beslissing kunnen verantwoorden; dat de formele motieven de betrokkene in staat moeten stellen te achterhalen welke concrete redenen de beslissing schragen; Overwegende dat noch de beslissing van de raad van bestuur van 16 oktober 2001, noch de stukken van de beoordelingscommissie waarop die beslissing steunt, te zijner tijd aan verzoeker werden meegedeeld; dat hij er slechts kennis van kreeg door de neerlegging ervan in het administratief dossier; dat in die omstandigheden verzoeker onmogelijk, uit het oogpunt van de formele motiveringsplicht, kan worden geacht op duidelijke, nauwkeurige en afdoende wijze in staat te zijn gesteld te achterhalen welke concrete redenen de beslissing schragen; Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift als tweede middel “in ondergeschikt verband” de materiële motiveringsplicht geschonden noemt; dat dit echter niet aantoont dat hij de materiële motieven wel degelijk kende op het ogenblik van het opstellen van het inleidend verzoekschrift; dat hij integendeel schrijft nog niet in staat te zijn dit middel nader uit te werken en daarvoor de neerlegging van het administratief dossier af te wachten; dat de formele motiverings- plicht precies tot doel heeft binnen het raam van het annulatiecontentieux, ten opzichte van degene ten aanzien van wie de beslissing genomen wordt, hem een zodanig inzicht te geven in de motieven van die beslissing dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op het stuk van haar motieven te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; dat verwerende partij echter aan verzoeker geen volledig zicht heeft gegeven op de besluitvorming, zodat hij zich in het inleidend verzoekschrift ten hoogste op basis van onvolledige informatie en gissingen tegen de materiële motieven van het besluit had kunnen verzetten; dat aan verzoeker dan ook niet het belang kan worden ontzegd om in het inleidend verzoekschrift de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren; 3.
  8. Overwegende dat een andere vraag is of verzoeker zijn belang bij het eerste middel thans nog behoudt; dat immers de beslissing van de raad van bestuur en de verslagen van de beoordelingscommissie tussentijds wel zijn neergelegd in het administratief dossier; dat de vraag dan ook rijst of verzoeker door die mededeling in het administratief dossier geen genoegdoening heeft verkregen; XII-3378-4\10 Overwegende dat het hiervoor beschreven doel van de formele motiveringsplicht in principe uitsluit dat verzoeker vrede zou moeten nemen met een mededeling van de motieven nádat hij een van die rechtsmiddelen -in casu het annulatieberoep bij de Raad van State- heeft aangewend en met de mogelijkheid die zich dan aandient om een nieuw verzoekschrift op te stellen; dat integendeel de neerlegging in het administratief dossier, de miskenning van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 niet zomaar goed kan maken; dat verzoeker immers, na de neerlegging van dat essentieel stuk in de lopende procedure nog alleen in een memorie van wederantwoord de weerslag ervan op zijn middelen kan bespreken; dat de verwerende partij daarmee de wapengelijkheid onder de gedingpartijen in het gedrang heeft gebracht; Overwegende evenwel dat een verzoekende partij kan oordelen dat de gevorderde vernietiging haar niet meer verder helpt, aangezien zij nu alle motieven van de bestreden beslissing kent en het bestuur bij een gebeurlijke nietigverklaring op grond van dit middel, door de zaak met een vormelijke ingreep recht te zetten, zich van ieder verder rechtsherstel ontlast kan zien; dat een verzoekende partij in voorkomend geval daarom uitdrukkelijk afstand kan doen van het middel dat, bij nader inzien enkel gesteund op een louter falen in de kennisgeving van de formele motivering, haar wellicht slechts een kortstondige en voorlopige overwinning dreigt op te leveren; dat zij dat ook impliciet kan doen, door in haar latere memories haar kritiek te richten op de ondertussen gekende materiële motieven; dat dergelijke verzoekende partij, die om redenen die de hare zijn verkiest om geen nieuw annulatieberoep in te stellen, geacht wordt te verzaken aan haar grieven omtrent de uitdrukkelijke motivering; Overwegende te dezen dat verzoeker in zijn latere procedurehandelingen weliswaar niet uitdrukkelijk afstand doet van het eerste middel, maar dat hij wel degelijk, zoals hij overigens in zijn inleidend verzoekschrift al heeft aangekondigd, de hem dan bekend geworden motieven in zijn tweede middel betrekt, zoals hierna zal blijken; dat dan ook wordt aangenomen dat verzoeker verzaakt aan het eerste middel; 4.
  9. Overwegende dat wat voorafgaat wel verklaart waarom het aan verzoeker is toegelaten om in de memorie van wederantwoord zijn tweede middel aan te vullen op grond van de hem dan pas bekend geworden gegevens; dat hij zulks voor wat betreft een eerste middelonderdeel doet als volgt : XII-3378-5\10 “De verwerende partij verwijst met betrekking tot de materiële motiveringsplicht naar het verslag van de beoordelingscommissie en de evaluatie van de beoordelingscommissie. Verzoeker meent echter, na inzage van het administratief dossier bij de Raad van State, dat er geen deugdelijke motieven aanwezig zijn om hem slechts 18/40 toe te kennen. Dit op grond van volgende feiten. 2.
  10. Beoordeling dossier. - Voor criterium 4 : Decretale navorming in functie van het ambt kreeg verzoeker slechts 1/
  11. Verzoeker meent echter dat hij hier het maximum van de punten diende te krijgen (5/5). Zo dient hij voor het attest basismodule - meervoudige akte van bekwaamheid sessie 95 een punt te krijgen. Verzoeker slaagde immers in 1995 voor de basismodule maar volgde niet de daaropvolgende modules. Verzoeker stopte immers in het midden van de daaropvolgende cursussen. In 1998 slaagde hij dan voor alle daaropvolgende cursussen. Voor deze sessie van 1995 dient dan ook een punt toegekend te worden. Wat betreft het eduforum Halle - Vilvoorde (4 workshops rond de niet-educatieve behoeften van bedrijven; oprichten van meldpunt educatieve behoeften vormingscentra), ook hiervoor diende een punt toegekend te worden aan verzoeker. Dit was immers een vorming die gericht was tot de verschillende directeurs van CVO's en vermits verzoeker solliciteerde voor een functie van directeur en deze vorming zich richtte tot directeurs was deze vorming dan ook in functie van het ambt. Bijgevolg diende hiervoor eveneens een punt toegekend te worden. Hogere leergangen technisch onderwijs van het GO (computercursussen) : hiervoor diende een punt toegekend te worden vermits men deze verschillende cursussen toch wel nodig heeft voor de uitoefening van het ambt, voor de administratie van het ambt. VDAB, Word 97 : hiervoor diende eveneens een punt toegekend te worden aangezien het zeer duidelijk is dat deze cursus relevant is voor het ambt. Verzoeker werd immers door de Vlaamse onderwijsraad zelf naar deze cursus gestuurd waardoor niet ontkend kan worden dat deze cursus relevant is. - Voor criterium 5 : Profielvereisten van het betrokken ambt werd aan verzoeker slechts 2/10 toegekend. Hiervoor diende minstens 5/10 te worden toegekend. Stage on stage (VLOR) : hiervoor diende 1 punt te worden toegekend vermits deze vorming zich richtte tot stagebegeleiders en directies van technische scholen. Vermits betrokkene zich kandidaat heeft gesteld voor het KTA Tongeren en deze vorming zich richtte tot directies van technische scholen was deze vorming dan ook relevant. Bestuurslid Natuur en Wetenschap : hiervoor diende een volledig en niet slechts een half punt toegekend te worden vermits dit een officieel document is. Op het document staat de handtekening van de directeur zodat het een gewaarmerkt en officieel document is. Invulling van de profielvereisten : hiervoor diende toch wel minstens de helft van de punten toegekend te worden. 2.
  12. Interview. Uit het verslag van de beoordelingscommissie blijkt duidelijk dat men eigenlijk de bedoeling had er voor te zorgen dat verzoeker niet zou weerhouden worden. Men heeft hem namelijk op elk onderdeel van het interview 0 punten gegeven, wat echt wel overdreven is en totaal niet kan. De motivering die men ook hier bij elk onderdeel geeft is zeer vaag. Men spits(t) het niet toe op de concrete situatie, namelijk op wat verzoeker tijdens dat interview gezegd heeft. Het blijft dus gissen wat er juist gezegd is geweest, terwijl men om de punten te XII-3378-6\10 kunnen staven toch wel voor een groot deel had moeten verwijzen naar wat verzoeker juist gezegd heeft. Op de eerste vraag, namelijk reden van kandidatuurstelling, had men verzoeker al zeker een half punt kunnen toekennen. Betrokkene is immers al verschillende malen kandidaat geweest voor een school van de scholengroep 13, maar is telkens afgewezen geweest. Dat hij zich nu kandidaat stelt is dus volstrekt normaal. Taakomschrijving nieuwe directeur in de aanvangsfase : Ook voor dit onderdeel had men verzoeker moeten punten toekennen. Verzoeker is immers op dit ogenblik adjunct-directeur in een school en heeft bijgevolg toch wel enige ervaring wat het directeurschap betreft. Dat hem op dit onderdeel dan ook geen punten werden toegekend is totaal onredelijk. Rol van het MVD-personeel in een KTA : Verzoeker is tewerkgesteld als waarnemend adjunct-directeur van het CVO Mechelen-Vilvoorde-Zaventem. Dit CVO is gevestigd in het KTA Vilvoorde. Als adjunct-directeur moet verzoeker ook regelmatig zaken regelen met het MVD-personeel. Dat voor dit onderdeel geen punten werden toegekend is ook weeral onredelijk. Discipline in de school : Verzoeker staat reeds 25 jaar in het onderwijs, heeft dus reeds 25 jaar contact gehad met het schoolreglement. Het is dan ook wel zeker dat verzoeker enig idee heeft van een schoolreglement. Ook voor dit onderdeel had men dus punten moeten toekennen aan betrokkene. Dotatieverdeling binnen een KTA en de hiervoor aangewende criteria : Ook in het CVO Mechelen-Vilvoorde-Zaventem was er een dotatieverdeling. Verzoeker kwam als adjunct-directeur van het CVO Mechelen-Vilvoorde-Zaventem in aanraking met de dotatieverdeling waardoor hij wel een zicht had op de dotatieverdeling. Bijgevolg is het onredelijk dat voor dit onderdeel eveneens geen punten werden toegekend. Gelet op het voorgaande diende verzoeker minstens 25/40 te halen. Men heeft betrokkene slechts 18/40 toegekend waardoor hij niet de vereiste 50% haalde om als kandidaat te worden weerhouden, maar zoals hiervoor reeds aangetoond diende aan betrokkene meer punten te worden toegekend. Als men hem de punten had toegekend waarop hij werkelijk diende aanspraak te maken, dan had hij minstens 50% behaalt en had hij als kandidaat weerhouden moeten worden.”; 4.
  13. Overwegende dat het middelonderdeel volgens het auditoraat niet tot nietigverklaring kan leiden omdat de motieven die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen niet in concreto naar genoegen van recht zijn ontkracht; dat om tot dit besluit te komen, in het auditoraatsverslag de grieven van verzoeker tegen het verslag en de fiche van de beoordelingscommissie worden gehouden; dat daarbij het volgende wordt vastgesteld: de beoordelingscommissie heeft geoordeeld dat het attest basismodule verwijst naar criterium 1, zijnde het bezit van de akte van bekwaamheid voor het bevorderingsambt van directeur gewoon secundair onderwijs, waarvoor verzoeker vijf punten behaalde; de commissie vermag dan voor ditzelfde attest geen punt meer geven bij de decretale navorming; verzoeker betwist niet dat de vorming voor het eduforum Halle-Vilvoorde geen officieel attest betreft zodat dit motief tussen partijen minstens in die mate overeind blijft; voor de hogere leergangen technisch onderwijs van het gemeenschapsonderwijs (computercursussen) heeft de XII-3378-7\10 beoordelingscommissie geoordeeld dat deze navorming niet specifiek in functie van het ambt van directeur was maar gericht naar de leerkrachten; die vaststelling wordt niet ontkracht door de feitelijke bewering dat men die cursussen “ook wel nodig heeft [...] voor de administratie van het ambt” in kwestie; verzoeker betwist niet dat de Word97 cursus geen officieel attest betreft en met betrekking tot de opmerkingen over de specificiteit van de navorming voor het ambt geldt dezelfde opmerking als hiervoor; ook voor de stage-on-stage levert verzoeker geen kritiek op het motief dat het geen officieel attest betreft en niet in functie is van het ambt en weerlegt hij met een enkele bewering niet dat het een studiedag aangaat uitsluitend bedoeld voor stagebegeleiders; ten aanzien van Natuur en Wetenschap doelt de beoordelingscom- missie ook op het jurylidmaatschap van de wetenschappelijke uiteenzettingen en het feit dat hierover geen officiële verklaring aanwezig is; daarover geeft verzoeker geen kritiek; over de invulling van de profielvereisten antwoordt verzoeker niet op het motief dat zijn betrekking van adjunct-directeur in de nabije toekomst wegvalt en hij geen duidelijk gefundeerde en weloverwogen motivering opgeeft, maar een vaag antwoord geeft dat naast de kwestie is én dat hij een onvoldoende positieve instelling heeft naar het ambt van directeur in “deze specifieke school” en als aktehouder in om het even welke instelling wil fungeren; verzoeker antwoordt met betrekking tot de taakomschrijving niet op de redenen van de commissie, zijnde dat hij een onnauwkeu- rige en geen concrete benadering heeft gegeven van de taak van een beginnend directeur, hij geen aandacht heeft voor de specifieke schoolcultuur en schoolorganisa- tie en geen gestructureerd antwoord heeft gegeven; de vaststellingen van de commissie omtrent verzoekers gebrek aan inzicht in de rol van het MVD-personeel in een KTA weerlegt verzoeker niet met enkel te stellen dat hij met dit personeel regelmatig zaken moet regelen; het motief dat verzoeker geen inhoudelijke benadering kan geven van het schoolreglement en geen noties heeft met betrekking tot de concrete toepassing ervan in het dagdagelijks leven wordt niet door hem weerlegd met de stelling dat hij reeds 25 jaar contact heeft met het schoolreglement en er dus “enig idee” van heeft; de verklaring van verzoeker als adjunct-directeur in aanraking te komen met de dotatieverdelingscriteria volstaat evenmin om de redengeving te weerleggen dat hij geen concreet stappenplan kan voorleggen inzake de middelenverdeling; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie enkel verklaart “met betrekking tot het eerste middel geen opmerkingen te moeten maken” en, met betrekking tot het tweede middel, tweede onderdeel, “dat hij wel degelijk de aanstelling van Mieke Pellaers bekritiseert”, waarbij hij vervolgens opmerkt dat het XII-3378-8\10 toch niet kan dat men iemand afwijst die de akte van bekwaamheid van directeur SO in zijn bezit heeft om vervolgens een ander aan te stellen met als argument dat zij deelneemt aan de navorming die haar op diezelfde akte voorbereidt; dat verzoeker bijgevolg de uitvoerig gemotiveerde stellingname van het auditoraat over het eerste onderdeel van het tweede middel niet betwist; dat de Raad van State de redenering van het auditoraatsverslag, zoals hiervoor weergegeven, bijvalt; dat het middelonderdeel ongegrond is;
  14. Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift ook als een tweede onderdeel van het tweede middel, wat hij vervolgens in de memorie van wederantwoord “derde middel” noemt, en in de laatste memorie opnieuw “tweede middel, tweede onderdeel”, de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht ten aanzien van de beslissing om M. Pellaers waarnemend aan te stellen; dat hij die onwettigheid enkel koppelt aan de onwettigheid van de eerste bestreden beslissing waarop de tweede beslissing voortbouwt; dat verzoeker in het inleidend verzoek- schrift geen andere kritiek ontwikkelt op de tweede bestreden beslissing; dat uit het onderzoek van het eerste middelonderdeel evenwel niet is gebleken dat verzoekers afwijzing onwettig is; dat het middel niet tot nietigverklaring kan leiden, BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-3378-9\10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes oktober 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3378-10\10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.865 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.807 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.