← België

Arrest 149869 - - 06/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.869 Rolnummer: A. 70887/XII-1663 Zaak: Arrest 149869 - - 06/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-14 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-03 01:38 Fiche Arrest nr 149.869 van 6 oktober 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.869 van 6 oktober 2005 in de zaak A. 70.887/XII-1663. In zake : Filip SCHEEMAKER, wonende te Brugge, XVIII-oktoberstraat 27 tegen : de STAD BRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat A. Lust, kantoor houdende te Sint-Andries-Brugge, Burggraaf de Nieulantlaan 14. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Filip Scheemaker op 6 september 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. het besluit van de gemeenteraad van de stad Brugge, genomen op 25 juni 1996, houdende de bevordering van Jacques Dysers, Geert Van Hulle en Dirk Verburgh tot adjunct-commissaris-inspecteur van politie; 2. de impliciete weigeringsbeslissing om verzoeker te benoemen tot adjunct-commissaris-inspecteur; Gelet op het arrest nr. 63.781 van 23 december 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 4 november 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-1663-1/11 Gelet op de beschikking van 11 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Staelens, die loco advocaat N. De Clercq verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. Judo, die loco advocaat A. Lust verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : De gemeenteraad van de stad Brugge verklaart op 23 april 1996 drie betrekkingen van adjunct-commissaris-inspecteur van politie vacant, bij wijze van bevordering. Die vacatures worden op 10 mei 1996 bij dienstorder ter kennis gebracht “aan het politiepersoneel in vast verband”. Voornoemd dienstorder vermeldt onder meer “de functiebeschrijving voor deze vacatures ligt ter inzage in de personeelsdienst”. Het door de verwerende partij neergelegd administratief dossier bevat een, twee bladzijden tellend, niet gedateerd noch ondertekend, document waarin voor de graad van adjunct-commissaris-inspecteur van politie een “functie- omschrijving” en “functievereisten” worden weergegeven. De laatste volzin van de meer dan één bladzijde tellende “functieomschrijving” luidt als volgt : “Hij moet zich bekommeren over het globaal functioneren van de dienst en polyvalent andere taken kunnen overnemen”. XII-1663-2/11 De laatste van de in het voormelde document gestelde “functievereisten” luidt als volgt : “Moet polyvalent zijn inzake politiële vakkennis teneinde andere taken te kunnen overnemen”. Samen met negen collega’s stelt verzoeker, die zoals twee van de andere kandidaten in het bezit is van een universitair diploma, zich kandidaat. Op 31 mei 1996 verstrekt de korpschef-hoofdcommissaris van politie zijn adviezen omtrent de ingediende kandidaturen. Uit de adviezen over J. Dysers, G. Van Hulle en D. Verburgh, die geen van allen in het bezit zijn van een universitair diploma, kan worden afgeleid dat, blijkbaar op grond van het feit dat deze kandidaten voorheen te werk werden gesteld in verscheidene diensten van de Brugse politie, deze door de korpschef als polyvalent inzetbaar worden beschouwd. Wat de eerste twee van de voormelde kandidaten betreft komt de korpschef zelf tot die overtuiging. Wat de derde betreft wordt dit vermeld in het dienstverslag van C. Leeuws, commissaris van politie. Omtrent verzoeker stelt de korpschef dat diens “leiderschaps- kwaliteiten voor terreinoperaties kunnen en nog moeten verder ontwikkeld worden, wat aanleiding geeft tot verminderde polyvalente inzetmogelijkheden”. In een 31 mei 1996 gedateerde nota aan de departementschef personeel stelt de korpschef, na een letterlijke herhaling van de voormelde functie- omschrijving en functievereisten, wat volgt : “Algemeen advies inzake de individuele geschiktheid De rangorde van de kandidaten voor bevordering tot Adjunct-commissaris- inspecteur, zoals bepaald door artikel 84 A/b van het Nieuw personeelsstatuut, kan als volgt worden vastgelegd : Naam Geboorte- Datum Officier Univ. datum diploma -T’Jonck Doris 22.12.’45 01.09.’76 geen -Dysers Jacques 13.06.’51 29.12.’81 geen -Van Hulle Geert 03.12.’51 04.06.’82 geen -Verburgh Dirk 24.10.’50 16.09.’83 geen XII-1663-3/11 -Depraetere Freddy 27.05.’46 01.03.’87 geen -Neyt Marc 10.08’55 01.06.’88 lic. crim. -Hindryckx Marijke 19.05.’56 01.06’92 geen -Saron Rudy 22.02.’57 01.06’92 geen -Neirinck Geert 24.06.’59 01.06’92 lic. crim. -Scheemaker Filip 10.06.’62 01.06’92 lic. crim. Gelet op het nieuw personeelsstatuut waarbij in art. 84 A/b gesteld wordt dat voor de bevordering tot Adjunct-commissaris-inspecteur de rangorde in eerste instantie bepaald wordt volgens het criterium ‘houder van een universitair diploma’, maar dat bij gemotiveerde beslissing hiervan kan afgeweken worden; Overwegende dat van de kandidaten met een universitair diploma : - de eerste, met name A.C. Marc Neyt ongunstig wordt voorgesteld, aangezien zijn persoonlijk gedrag hoogten en laagten kent en hij minder dan een jaar geleden een tuchtstraf opliep zodat op dit ogenblik niet kan gezegd worden dat hij beantwoordt aan het functieprofiel van Adjunct-commissaris-inspecteur; - de tweede, met name A.C. Geert Neirinck, ofschoon zeer gunstig geëvalueerd in de gespecialiseerde functie van systeembeheerder-informatica die hij nu bekleedt, uiteindelijk over minder operationele polyvalente inzetmogelijkheden beschikt; - de derde, met name A.C. Filip Scheemaker, hoewel gunstig geëvalueerd, als ‘officier van het intellectuele type en sterk juridisch gericht’, eveneens over ‘minder polyvalente inzetmogelijkheden’ beschikt; Overwegende dat de graad van Adjunct-commissaris-inspecteur, zoals aangegeven in de functiebeschrijving en -vereisten hoofdzakelijk vereist dat de houder ervan zich moet kunnen bekommeren over het globaal functioneren van de dienst en polyvalent andere taken moet kunnen overnemen; Overwegende daarenboven dat op huidig ogenblik het politiekorps een heroriëntering en progressieve reorganisatie doormaakt naar een meer gemeenschapsgerichte politiezorg en er hiervoor Adjunct-commissarissen- inspecteurs als hogere kaders nodig zijn die ruimere operationele en polyvalente inzetmogelijkheden bieden; Gelet ten slotte op de vaststelling dat de nieuwe rangorde-voorwaarde van ‘het houder zijn van een universitair diploma’ een abrupt einde zou maken aan de bevorderingsmogelijkheden van verschillende goede kandidaten met een ruime ervaring en met polyvalente inzetmogelijkheden en overwegende dat voor een goed personeelsbeleid ten overstaan van de hogere kaders de nieuwe voorwaarde van ‘universitair’ geleidelijk aan moet ingevoerd worden; ben ik van oordeel dat er op dit ogenblik voor deze bevordering van Adjunct- commissaris-inspecteur moet afgeweken worden van het criterium ‘houder van een universitair diploma’, maar daartegenover de rangorde van benoeming tot Adjunct-commissaris moet toegepast worden voor de geschikt bevonden kandidaten”. Op 25 juni 1996 beslist de gemeenteraad, wat volgt : “Zitting met gesloten deuren Personeel - Bevorderingen tot adjunct-commissaris-inspecteur van politie. De Gemeenteraad, XII-1663-4/11 Gezien zijn besluit dd. 23 april 1996 houdende vacantverklaring van drie betrekkingen van adjunct-commissaris-inspecteur van politie, waarvan 2 pas op 01 augustus 1996 kunnen ingenomen worden; Gelet op dienstorder nr. FD/é dd. 10 mei 1996 waarbij de openverklaarde bevorderingsbetrekkingen aan de personeelsleden werden medegedeeld, overeenkomstig artikel 80 van het nieuw administratief statuut voor het politiepersoneel; Gelet op de functie-omschrijving en de functievereisten voor de betrekking van adjunct-commissaris-inspecteur van politie; Gezien de ingediende kandidaatstellingen, aangevuld met alle elementen die kunnen bijdragen tot de besluitvorming, zijnde : - de individuele dossiers van betrokkenen, waarin alle personeels- en loopbaangegevens zijn opgenomen; - de op naam van betrokkenen uitgebrachte beoordelingen; - de op naam van betrokkenen uitgebrachte verslagen door de dienstchefs nopens de houding en wijze van dienen; - de met redenen omklede adviezen van de korpschef over de kandidaturen; - de desgevallend door de kandidaten uitgebrachte commentaren op de hierboven vermelde verslagen en adviezen; Gelet op de bepalingen van het nieuw administratief statuut van het politiepersoneel, inzonderheid de artikelen 84-A-b wat betreft de bijzondere bevorderingsvereisten en de rangorde voor bevordering tot adjunct-commissaris- inspecteur van politie; Gelet op de gunstige evaluaties op naam van betrokkenen, aangevuld met de gunstige adviezen van de korpschef; ter uitzondering van Marc Neyt en Doris T’Jonck die wel een gunstige evaluatie kregen, maar geen gunstig advies van de korpschef; Gezien de nota dd. 31 mei 1996 van de korpschef, met verwijzing naar het nieuw personeelsstatuut waarbij in art. 84-A-b gesteld wordt dat voor de bevordering tot adjunct-commissaris-inspecteur de rangorde in eerste instantie bepaald wordt volgens het criterium ‘houder van een universitair diploma’, maar dat bij gemotiveerde beslissing hiervan kan afgeweken worden; Overwegende dat in de hierboven vermelde nota wordt gesteld dat van de kandidaten met een universitair diploma : - de eerste, met name A.C. Marc Neyt, ongunstig wordt voorgesteld, aangezien zijn persoonlijk gedrag hoogten en laagten kent en hij minder dan een jaar geleden een tuchtstraf opliep zodat op dit ogenblik niet kan gezegd worden dat hij beantwoordt aan het functieprofiel van adjunct-commissaris- inspecteur; - de tweede, met name A.C. Geert Neirinck, ofschoon zeer gunstig geëvalueerd in de gespecialiseerde functie van systeembeheerder-informatica die hij nu bekleedt, uiteindelijk over minder operationele polyvalente inzetmogelijkheden beschikt; - de derde, met name A.C. Filip Scheemaker, hoewel gunstig geëvalueerd, als officier van het intellectuele type en sterk juridisch gericht, eveneens over minder polyvalente inzetmogelijkheden beschikt; dat de graad van adjunct-commissaris-inspecteur, zoals aangegeven in de functiebeschrijving en -vereisten hoofdzakelijk vereist dat de houder er van zich moet kunnen bekommeren over het globaal functioneren van de dienst en polyvalent andere taken moet kunnen overnemen; dat daarenboven op het huidig ogenblik het politiekorps een heroriëntering en progressieve reorganisatie doormaakt naar een meer gemeenschapsgerichte politiezorg en er hiervoor adjunct-commissarissen-inspecteurs als hogere kaders nodig zijn die ruimere operationele en polyvalente inzetmogelijkheden bieden; dat, gelet ten slotte op de vaststelling dat de nieuwe rangorde-voorwaarde van ‘het houder zijn van een universitair diploma’ een abrupt einde zou maken XII-1663-5/11 aan de bevorderingsmogelijkheden van verschillende goede kandidaten met een ruime ervaring en met polyvalente inzetmogelijkheden, en dat voor een goed personeelsbeleid ten overstaan van de hogere kaders de nieuwe voorwaarde van ‘universitair’ geleidelijk aan moet ingevoerd worden; dat de korpschef van oordeel is dat er op dit ogenblik voor deze bevordering van adjunct-commissaris-inspecteur moet afgeweken worden van het criterium ‘houder van een universitair diploma’, maar daartegenover de rangorde van benoeming tot adjunct-commissaris moet toegepast worden voor de geschikt bevonden kandidaten; Gelet op de rangorde, opgesteld rekening houdend met het voorstel van de korpschef en met de door hem uitgebrachte ongunstige adviezen, die er dan als volgt zou uitzien : 1. Dysers Jacques 2. Van Hulle Geert 3. Verburgh Dirk; In acht genomen artikel 92-1/ en 149 van de nieuwe gemeentewet; Gaat over tot 3 afzonderlijk gehouden geheime stemmingen waaraan telkens 28 leden deelnemen en die de volgende uitslag geven : 1e stemming : Dysers Jacques bekomt 28 stemmen; 2e stemming : Van Hulle Geert bekomt 28 stemmen; 3e stemming : Verburgh Dirk bekomt 28 stemmen; Besluit : Navernoemde adjunct-commissarissen worden bevorderd tot adjunct- commissaris-inspecteur van politie als volgt :

  1. a)t.r.m. 01 juli 1996 : Dysers Jacques
  2. b)t.r.m. 01 augustus 1996 : Van Hulle Geert en Verburgh Dirk”. In een 10 juli 1996 gedateerde en door de burgemeester en in opdracht van de stadssecretaris ondertekende brief wordt aan verzoeker medegedeeld dat “de uitslag van de stemming in de gemeenteraad van 25 juni 1996 niet in [zijn] voordeel is uitgevallen”; 2. De exceptie. Overwegende dat de verwerende partij in een exceptie betoogt dat geen enkele bepaling van het toepasselijk administratief statuut voorziet in een vormelijke kennisgeving of betekening van de bestreden benoemingsbeslissingen, dat daaruit volgt dat de beroepstermijn een aanvang neemt de dag van de werkelijke kennisname van die beslissing, dat verzoeker het “niet waarschijnlijk” maakt dat hij pas op 10 juli 1996 “via de interne mailing” kennis zou hebben gekregen van de betwiste benoemingen, dat, integendeel, “alles [erop] wijst dat hij nog de dag zelf die beslissing heeft vernomen, minstens ’s anderdaags”, wat trouwens blijkt “uit wat de verzoekende partij stelt sub I.6 van haar verzoekschrift”; Overwegende, zoals de verwerende partij zelf aangeeft, dat de bestreden beslissing noch bekendgemaakt, noch betekend diende te worden; dat het XII-1663-6/11 aldus aan haar toekomt aan te tonen -en niet zoals zij doet, louter te beweren- dat verzoeker op een vroeger dan het door hem aangegeven tijdstip kennis zou hebben gekregen van die beslissing; dat de exceptie dienvolgens niet wordt aangenomen; 3. Het voorwerp. Overwegende dat in het voornoemde arrest nr. 63.781 betreffende de vordering tot schorsing en in het auditoraatsverslag werd vastgesteld dat het beroep, wat de impliciete weigeringsbeslissing betreft, niet ontvankelijk is; dat verzoeker in zijn laatste memorie op geen enkele wijze nog reageert op deze stellingname en zich integendeel ertoe beperkt te vragen “het besluit van de gemeenteraad [...] houdende de bevordering van Jacues Dysers, Geert Van Hulle en Dirk Verburgh tot adjunct-inspecteur van politie bij de stad Brugge te vernietigen”; dat daaruit wordt afgeleid dat hij van het tweede voorwerp van zijn beroep afstand heeft gedaan; 4. De gegrondheid van het beroep. 4.1. Overwegende dat in een tweede middel verzoeker de schending aanvoert van “de materiële motiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel” en “van artikel 84 van het administratief statuut van het politiepersoneel dd. 19.12.1995”; dat verzoeker daartoe betoogt dat de gemeenteraad ten onrechte is afgeweken van de, in voormeld artikel 84, aan houders van een universitair diploma toegekende voorrang, dat immers “beschikken over minder polyvalente inzetmogelijkheden” geenszins “een afwijking [kan] verantwoorden van de rangorde-voorwaarde ‘houder’ zijn van een universitair diploma”, dat ook de “zogenaamde” heroriëntering en progressieve reorganisatie van het politiekorps, waarvan verzoeker trouwens geen kennis heeft, evenmin een afwijking kan verantwoorden van die rangorde en dat bovendien het personeelsstatuut “niet in het geleidelijk invoeren voorziet van de nieuwe vereiste van ‘universitair’”; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat “het middel [niet] verduidelijkt waarin precies de schending van artikel 84 van het statuut zou bestaan”, dat “het in zoverre onontvankelijk [is]”, dat “voor zover schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd, het middel belangloos en alleszins niet ernstig [is]”, dat “de gemeenteraad volkomen wettig van de prioriteitsregel voor universitairen kon afwijken door de enkele beschouwing dat vooralsnog een goed XII-1663-7/11 personeelsbeleid vereist die regel met de nodige omzichtigheid en geleidelijkheid in toepassing te brengen teneinde ‘aan de bevorderingsmogelijkheden van verschillende goede kandidaten met een ruime ervaring en polyvalente inzetmogelijkheden’ niet nodeloos een einde te stellen” en dat verzoeker er alleszins niet in slaagt aan te tonen dat die vaststelling van de korpschef, dewelke door de gemeenteraad tot de hare werd gemaakt, “kennelijk onredelijk is, zodat het niet aan de Raad van State toekomt daaromtrent een standpunt in te nemen”; Overwegende dat verzoeker dupliceert dat “gezien het gebrek aan noodzakelijke gegevens in het administratief dossier de verwerende partij de kwaliteiten van verzoeker [poogt] uit te leggen als mankementen”, dat aldus “het feit dat verzoekende partij als intellectueel type wordt beschreven en sterk juridisch gericht, [wordt] omgebogen naar het beeld van een persoon die niet over de mogelijkheden beschikt om binnen de operationele ploeg alle politie-interventies te kunnen uitvoeren” en dat “geen enkele reorganisatie een reden [kan] uitmaken om universitairen te weren in hogere functies van een politiekorps”; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog betoogt dat “uit de adviezen blijkt dat de polyvalente inzetmogelijkheid van de benoemden, element waaraan de verwerende partij in het kader van de reorganisatie van het politioneel werk aanzienlijk belang heeft gehecht, alleszins veel ruimer was dan deze van de [verzoekende] partij, die nog zeer jong was, sedert haar benoeming nog maar op één afdeling had gewerkt en wegens maximaal gebruik van haar tijd voor studiedoeleinden sowieso minder generalistische praktische ervaring had kunnen opdoen”; 4.2. Overwegende dat artikel 84, A, b, van het statuut van het politiepersoneel van de stad Brugge de “bijzondere bevorderingsvereisten” voor de graad van adjunct-commissaris-inspecteur, bepaalt als volgt: “-de graad van adjunct-commissaris bekleden, met 4 jaar graadanciënniteit; - ontslaging van bevorderingsexamen; - de rangorde wordt bepaald als volgt : 1. de kandidaten houder van een universitair diploma; bij gemotiveerde beslissing kan hiervan afgeweken worden. 2. de datum van benoeming tot adjunct-commissaris en bij gelijke rang- schikking de hoogste leeftijd. Rekening houdend met het advies van de korpschef kan bij gemotiveerde beslissing van de rangorde worden afgeweken.”; XII-1663-8/11 Overwegende, hoewel uit die bepaling onmiskenbaar blijkt dat er een dubbele voorrangsorde in wordt vastgesteld, dat even onmiskenbaar blijkt dat door de bestreden beslissing van die orde werd afgeweken; dat immers, om de voorrang van de universitairen ongedaan te maken drie motieven -die alle door verzoeker in het middel worden aangevochten- werden aangevoerd, namelijk dat die houders van een universitair diploma niet of, zoals verzoeker, over “minder” polyvalente inzetmogelijkheden beschikken, zoals zou zijn vereist door de “functiebeschrijvingen - en vereisten”, dat “daarenboven op het huidig ogenblik het politiekorps een heroriëntering en progressieve reorganisatie doormaakt naar een meer gemeenschapsgerichte politiezorg en er hiervoor adjunct-commissarissen inspecteurs als hogere kaders nodig zijn die ruimere operationele en polyvalente inzetmogelijkheden bieden” en “dat, gelet ten slotte op de vaststelling dat de nieuwe rangorde-voorwaarde van het houder zijn van een universitair diploma een abrupt einde zou maken aan de bevorderingsmogelijkheden van verschillende goede kandidaten met een ruime ervaring en met polyvalente inzetmogelijkheden, en dat voor een goed personeelsbeleid ten overstaan van de hogere kaders de nieuwe voorwaarde van ‘universitair’ geleidelijk aan moet ingevoerd worden”; Overwegende dat vooreerst het derde en laatste motief -motief dat door de verwerende partij, op zich, reeds voldoende wordt geacht om van de prioriteitsregel af te wijken-, niet in rechte kan worden aanvaard; dat immers mag worden aangenomen dat, indien zoals te dezen een gemeenteraad zonder enige overgangsregeling voor een bevordering een voorrangsregeling instelt op grond van het enkele bezit van een universitair diploma, hieraan inherent is dat daardoor een einde gemaakt wordt aan de bevorderingsmogelijkheden van goede kandidaten die niet in het bezit zijn van een dergelijk diploma; dat het dan ook niet opgaat dat die overheid, staande voor een individuele toepassing van die voorrangsregeling plots het zogenaamde goede personeelsbeleid inroept om van die voorrangsregeling af te wijken, voorhoudende dat dit beleid, ondanks de duidelijke bepaling van artikel 84, A, b, van het statuut van het politiepersoneel in andere zin, slechts “geleidelijk” en, volgens de memorie van antwoord, zelfs met “omzichtigheid” zou moeten worden ingevoerd; Overwegende, wat betreft het tweede ingeroepen afwijkingsmotief, dat geen andere, laat staan bijkomende, bevorderingsvereisten in aanmerking kunnen worden genomen om van de voormelde voorrangsregeling af te wijken dan degene XII-1663-9/11 die door de gemeenteraad werden vastgesteld en dat de gemeenteraad zich op die bijkomende vereisten dan ook niet mocht steunen; Overwegende ten slotte, wat betreft het eerste afwijkingsmotief, gesteund op de “functiebeschrijving en functievereisten voor adjunct-commissaris- inspecteur van politie”, dat in de eerste plaats de betwiste polyvalentie slechts een van de vele vereisten is die gesteld worden in de functieomschrijving en functievereisten : in de functieomschrijving is inderdaad sprake van het “polyvalent andere taken kunnen overnemen” en volgens de functievereisten wordt gevraagd dat men “polyvalent [moet] zijn inzake politiële vakkennis teneinde andere taken te kunnen overnemen”; dat voorts uit dit document echter niet blijkt, althans niet expliciet, dat, zoals eerst de korpschef en vervolgens de gemeenteraad hebben geoordeeld, aan die polyvalentievereisten slechts zou kunnen worden voldaan op grond van ervaring, meer bepaald door voorheen bij verschillende diensten van de Brugse politie te zijn ingezet; dat ten slotte het niet of minder voldoen aan die polyvalentie op zich geen reden, laat staan een voldoende, kan vormen om de statutaire voorrang welke houders van een universitair diploma hebben, opzij te zetten; dat het tweede middel, in de aangegeven mate, gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd worden de beslissingen van de gemeenteraad van 25 juni 1996, houdende de bevordering van Jacques Dysers, Geert Van Hulle en Dirk Verburgh tot adjunct-commissaris-inspecteur van politie bij de stad Brugge. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-1663-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes oktober 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1663-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.869 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.63.781 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.