id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.869 Rolnummer: A. 70887/XII-1663 Zaak: Arrest 149869 - - 06/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-14 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-03 01:38 Fiche Arrest nr 149.869 van 6 oktober 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.869 van 6 oktober 2005 in de zaak A. 70.887/XII-1663. In zake : Filip SCHEEMAKER, wonende te Brugge, XVIII-oktoberstraat 27 tegen : de STAD BRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat A. Lust, kantoor houdende te Sint-Andries-Brugge, Burggraaf de Nieulantlaan 14. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Filip Scheemaker op 6 september 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. het besluit van de gemeenteraad van de stad Brugge, genomen op 25 juni 1996, houdende de bevordering van Jacques Dysers, Geert Van Hulle en Dirk Verburgh tot adjunct-commissaris-inspecteur van politie; 2. de impliciete weigeringsbeslissing om verzoeker te benoemen tot adjunct-commissaris-inspecteur; Gelet op het arrest nr. 63.781 van 23 december 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 4 november 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-1663-1/11 Gelet op de beschikking van 11 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Staelens, die loco advocaat N. De Clercq verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. Judo, die loco advocaat A. Lust verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : De gemeenteraad van de stad Brugge verklaart op 23 april 1996 drie betrekkingen van adjunct-commissaris-inspecteur van politie vacant, bij wijze van bevordering. Die vacatures worden op 10 mei 1996 bij dienstorder ter kennis gebracht “aan het politiepersoneel in vast verband”. Voornoemd dienstorder vermeldt onder meer “de functiebeschrijving voor deze vacatures ligt ter inzage in de personeelsdienst”. Het door de verwerende partij neergelegd administratief dossier bevat een, twee bladzijden tellend, niet gedateerd noch ondertekend, document waarin voor de graad van adjunct-commissaris-inspecteur van politie een “functie- omschrijving” en “functievereisten” worden weergegeven. De laatste volzin van de meer dan één bladzijde tellende “functieomschrijving” luidt als volgt : “Hij moet zich bekommeren over het globaal functioneren van de dienst en polyvalent andere taken kunnen overnemen”. XII-1663-2/11 De laatste van de in het voormelde document gestelde “functievereisten” luidt als volgt : “Moet polyvalent zijn inzake politiële vakkennis teneinde andere taken te kunnen overnemen”. Samen met negen collega’s stelt verzoeker, die zoals twee van de andere kandidaten in het bezit is van een universitair diploma, zich kandidaat. Op 31 mei 1996 verstrekt de korpschef-hoofdcommissaris van politie zijn adviezen omtrent de ingediende kandidaturen. Uit de adviezen over J. Dysers, G. Van Hulle en D. Verburgh, die geen van allen in het bezit zijn van een universitair diploma, kan worden afgeleid dat, blijkbaar op grond van het feit dat deze kandidaten voorheen te werk werden gesteld in verscheidene diensten van de Brugse politie, deze door de korpschef als polyvalent inzetbaar worden beschouwd. Wat de eerste twee van de voormelde kandidaten betreft komt de korpschef zelf tot die overtuiging. Wat de derde betreft wordt dit vermeld in het dienstverslag van C. Leeuws, commissaris van politie. Omtrent verzoeker stelt de korpschef dat diens “leiderschaps- kwaliteiten voor terreinoperaties kunnen en nog moeten verder ontwikkeld worden, wat aanleiding geeft tot verminderde polyvalente inzetmogelijkheden”. In een 31 mei 1996 gedateerde nota aan de departementschef personeel stelt de korpschef, na een letterlijke herhaling van de voormelde functie- omschrijving en functievereisten, wat volgt : “Algemeen advies inzake de individuele geschiktheid De rangorde van de kandidaten voor bevordering tot Adjunct-commissaris- inspecteur, zoals bepaald door artikel 84 A/b van het Nieuw personeelsstatuut, kan als volgt worden vastgelegd : Naam Geboorte- Datum Officier Univ. datum diploma -T’Jonck Doris 22.12.’45 01.09.’76 geen -Dysers Jacques 13.06.’51 29.12.’81 geen -Van Hulle Geert 03.12.’51 04.06.’82 geen -Verburgh Dirk 24.10.’50 16.09.’83 geen XII-1663-3/11 -Depraetere Freddy 27.05.’46 01.03.’87 geen -Neyt Marc 10.08’55 01.06.’88 lic. crim. -Hindryckx Marijke 19.05.’56 01.06’92 geen -Saron Rudy 22.02.’57 01.06’92 geen -Neirinck Geert 24.06.’59 01.06’92 lic. crim. -Scheemaker Filip 10.06.’62 01.06’92 lic. crim. Gelet op het nieuw personeelsstatuut waarbij in art. 84 A/b gesteld wordt dat voor de bevordering tot Adjunct-commissaris-inspecteur de rangorde in eerste instantie bepaald wordt volgens het criterium ‘houder van een universitair diploma’, maar dat bij gemotiveerde beslissing hiervan kan afgeweken worden; Overwegende dat van de kandidaten met een universitair diploma : - de eerste, met name A.C. Marc Neyt ongunstig wordt voorgesteld, aangezien zijn persoonlijk gedrag hoogten en laagten kent en hij minder dan een jaar geleden een tuchtstraf opliep zodat op dit ogenblik niet kan gezegd worden dat hij beantwoordt aan het functieprofiel van Adjunct-commissaris-inspecteur; - de tweede, met name A.C. Geert Neirinck, ofschoon zeer gunstig geëvalueerd in de gespecialiseerde functie van systeembeheerder-informatica die hij nu bekleedt, uiteindelijk over minder operationele polyvalente inzetmogelijkheden beschikt; - de derde, met name A.C. Filip Scheemaker, hoewel gunstig geëvalueerd, als ‘officier van het intellectuele type en sterk juridisch gericht’, eveneens over ‘minder polyvalente inzetmogelijkheden’ beschikt; Overwegende dat de graad van Adjunct-commissaris-inspecteur, zoals aangegeven in de functiebeschrijving en -vereisten hoofdzakelijk vereist dat de houder ervan zich moet kunnen bekommeren over het globaal functioneren van de dienst en polyvalent andere taken moet kunnen overnemen; Overwegende daarenboven dat op huidig ogenblik het politiekorps een heroriëntering en progressieve reorganisatie doormaakt naar een meer gemeenschapsgerichte politiezorg en er hiervoor Adjunct-commissarissen- inspecteurs als hogere kaders nodig zijn die ruimere operationele en polyvalente inzetmogelijkheden bieden; Gelet ten slotte op de vaststelling dat de nieuwe rangorde-voorwaarde van ‘het houder zijn van een universitair diploma’ een abrupt einde zou maken aan de bevorderingsmogelijkheden van verschillende goede kandidaten met een ruime ervaring en met polyvalente inzetmogelijkheden en overwegende dat voor een goed personeelsbeleid ten overstaan van de hogere kaders de nieuwe voorwaarde van ‘universitair’ geleidelijk aan moet ingevoerd worden; ben ik van oordeel dat er op dit ogenblik voor deze bevordering van Adjunct- commissaris-inspecteur moet afgeweken worden van het criterium ‘houder van een universitair diploma’, maar daartegenover de rangorde van benoeming tot Adjunct-commissaris moet toegepast worden voor de geschikt bevonden kandidaten”. Op 25 juni 1996 beslist de gemeenteraad, wat volgt : “Zitting met gesloten deuren Personeel - Bevorderingen tot adjunct-commissaris-inspecteur van politie. De Gemeenteraad, XII-1663-4/11 Gezien zijn besluit dd. 23 april 1996 houdende vacantverklaring van drie betrekkingen van adjunct-commissaris-inspecteur van politie, waarvan 2 pas op 01 augustus 1996 kunnen ingenomen worden; Gelet op dienstorder nr. FD/é dd. 10 mei 1996 waarbij de openverklaarde bevorderingsbetrekkingen aan de personeelsleden werden medegedeeld, overeenkomstig artikel 80 van het nieuw administratief statuut voor het politiepersoneel; Gelet op de functie-omschrijving en de functievereisten voor de betrekking van adjunct-commissaris-inspecteur van politie; Gezien de ingediende kandidaatstellingen, aangevuld met alle elementen die kunnen bijdragen tot de besluitvorming, zijnde : - de individuele dossiers van betrokkenen, waarin alle personeels- en loopbaangegevens zijn opgenomen; - de op naam van betrokkenen uitgebrachte beoordelingen; - de op naam van betrokkenen uitgebrachte verslagen door de dienstchefs nopens de houding en wijze van dienen; - de met redenen omklede adviezen van de korpschef over de kandidaturen; - de desgevallend door de kandidaten uitgebrachte commentaren op de hierboven vermelde verslagen en adviezen; Gelet op de bepalingen van het nieuw administratief statuut van het politiepersoneel, inzonderheid de artikelen 84-A-b wat betreft de bijzondere bevorderingsvereisten en de rangorde voor bevordering tot adjunct-commissaris- inspecteur van politie; Gelet op de gunstige evaluaties op naam van betrokkenen, aangevuld met de gunstige adviezen van de korpschef; ter uitzondering van Marc Neyt en Doris T’Jonck die wel een gunstige evaluatie kregen, maar geen gunstig advies van de korpschef; Gezien de nota dd. 31 mei 1996 van de korpschef, met verwijzing naar het nieuw personeelsstatuut waarbij in art. 84-A-b gesteld wordt dat voor de bevordering tot adjunct-commissaris-inspecteur de rangorde in eerste instantie bepaald wordt volgens het criterium ‘houder van een universitair diploma’, maar dat bij gemotiveerde beslissing hiervan kan afgeweken worden; Overwegende dat in de hierboven vermelde nota wordt gesteld dat van de kandidaten met een universitair diploma : - de eerste, met name A.C. Marc Neyt, ongunstig wordt voorgesteld, aangezien zijn persoonlijk gedrag hoogten en laagten kent en hij minder dan een jaar geleden een tuchtstraf opliep zodat op dit ogenblik niet kan gezegd worden dat hij beantwoordt aan het functieprofiel van adjunct-commissaris- inspecteur; - de tweede, met name A.C. Geert Neirinck, ofschoon zeer gunstig geëvalueerd in de gespecialiseerde functie van systeembeheerder-informatica die hij nu bekleedt, uiteindelijk over minder operationele polyvalente inzetmogelijkheden beschikt; - de derde, met name A.C. Filip Scheemaker, hoewel gunstig geëvalueerd, als officier van het intellectuele type en sterk juridisch gericht, eveneens over minder polyvalente inzetmogelijkheden beschikt; dat de graad van adjunct-commissaris-inspecteur, zoals aangegeven in de functiebeschrijving en -vereisten hoofdzakelijk vereist dat de houder er van zich moet kunnen bekommeren over het globaal functioneren van de dienst en polyvalent andere taken moet kunnen overnemen; dat daarenboven op het huidig ogenblik het politiekorps een heroriëntering en progressieve reorganisatie doormaakt naar een meer gemeenschapsgerichte politiezorg en er hiervoor adjunct-commissarissen-inspecteurs als hogere kaders nodig zijn die ruimere operationele en polyvalente inzetmogelijkheden bieden; dat, gelet ten slotte op de vaststelling dat de nieuwe rangorde-voorwaarde van ‘het houder zijn van een universitair diploma’ een abrupt einde zou maken XII-1663-5/11 aan de bevorderingsmogelijkheden van verschillende goede kandidaten met een ruime ervaring en met polyvalente inzetmogelijkheden, en dat voor een goed personeelsbeleid ten overstaan van de hogere kaders de nieuwe voorwaarde van ‘universitair’ geleidelijk aan moet ingevoerd worden; dat de korpschef van oordeel is dat er op dit ogenblik voor deze bevordering van adjunct-commissaris-inspecteur moet afgeweken worden van het criterium ‘houder van een universitair diploma’, maar daartegenover de rangorde van benoeming tot adjunct-commissaris moet toegepast worden voor de geschikt bevonden kandidaten; Gelet op de rangorde, opgesteld rekening houdend met het voorstel van de korpschef en met de door hem uitgebrachte ongunstige adviezen, die er dan als volgt zou uitzien : 1. Dysers Jacques 2. Van Hulle Geert 3. Verburgh Dirk; In acht genomen artikel 92-1/ en 149 van de nieuwe gemeentewet; Gaat over tot 3 afzonderlijk gehouden geheime stemmingen waaraan telkens 28 leden deelnemen en die de volgende uitslag geven : 1e stemming : Dysers Jacques bekomt 28 stemmen; 2e stemming : Van Hulle Geert bekomt 28 stemmen; 3e stemming : Verburgh Dirk bekomt 28 stemmen; Besluit : Navernoemde adjunct-commissarissen worden bevorderd tot adjunct- commissaris-inspecteur van politie als volgt :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.