id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.870 Rolnummer: A. 161337/XII-4419 Zaak: Arrest 149870 - - 06/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-03 01:39 Fiche Arrest nr 149.870 van 6 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.870 van 6 oktober 2005 in de zaak A. 161.337/XII-
- In zake : Corinne LEUNENS, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van der Gucht, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan 201 tegen : de HOGESCHOOL GENT, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3 R. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Corinne Leunens op 30 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 22 december 2004 van de raad van bestuur van de Hogeschool Gent waarbij wordt beslist de procedure tot aanstelling in het ambt van hoofdlector in het departement Sociaal Agogisch Werk (SOAG) stop te zetten en aan het departement SOAG de mogelijkheid te bieden de procedure tot aanstelling tot hoofdlector, volledig opnieuw te doen; Gezien het op 1 april 2005 ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; XII-4419-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. Brewaeys; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. De Mil, die loco advocaat W. Van Der Gucht verschijnt voor verzoekster, en van advocaat E. Bral, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten.
- Verzoekster is vast benoemd als lector aan de Hogeschool Gent, departement Sociaal Agogisch Werk (SOAG).
- Bij schrijven van 18 mei 1999 brengt het departementshoofd aan de vast benoemde lectoren ter kennis dat twee plaatsen van hoofdlector vacant zijn.
- Bij beslissing van 26 januari 2000 benoemt de raad van bestuur de heren Van Rentergem en Walgraeve; verzoekster die ook kandidaat was dient daartegen een annulatieberoep in bij de Raad van State;
- Bij arrest nr. 126.033 heeft de Raad van State dit besluit vernietigd;
- Bij brief van 21 januari 2004 vraagt verzoekster om uitvoering van dit arrest. XII-4419-2/6
- De raad van bestuur neemt uiteindelijk op 22 december 2004 de thans bestreden beslissing, o.m. op grond van volgende motivering : “(...) De raad van bestuur volgt het voorstel van het bestuurscollege en beslist de procedure die kan leiden tot aanstelling in het ambt van hoofdlector in het departement SOAG, stop te zetten en aan het departement SOAG de mogelijkheid te bieden de procedure die tot aanstelling tot hoofdlector kan leiden, volledig opnieuw te doen, volgens de huidige regelgeving en huidige interne reglementering van de Hogeschool Gent”.
- Beoordeling. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoekster uiteenzet dat zij, samengevat, een moreel nadeel lijdt; dat zij verwijst naar rechtspraak van de Raad van State, waarin het bestaan van een dergelijk nadeel wel werd aanvaard als één van de voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan; dat zij stelt dat zij, na het annulatiearrest van de Raad van State, mocht verwachten dat de verwerende partij de benoemingsprocedure opnieuw zou overdoen vanaf het punt van de vastgestelde onwettigheid terwijl de verwerende partij thans beslist heeft de procedure te hernemen en aldus de verschillende kandidaten de mogelijkheid te geven een nieuw dossier in te dienen, waardoor zij zich zwaar moreel gekrenkt acht; dat zij eveneens stelt dat het feit dat zij na de vernietiging van de benoeming waarvoor zij kandidaat was, genoodzaakt was een nieuw annulatieberoep in te stellen om de correcte uitvoering te verkrijgen van het annulatiearrest, wat een moreel nadeel berokkent dat niet kan worden goedgemaakt door een nieuw vernietigingsarrest en dat wanneer de benoemingsprocedure wordt hernomen zij reeds zal zijn afgerond op het ogenblik dat XII-4419-3/6 de Raad van State zijn eventueel annulatiearrest zal uitspreken; dat zij betoogt dat zij reeds in 1999 overduidelijk recht had op de bevordering omdat ze als enige kandidaat ruimschoots voldeed aan de gestelde criteria en dat te vrezen valt dat de verwerende partij in feite rekening zal houden met de door de andere benoemde kandidaten opgedane ervaring; Overwegende dat de verwerende partij daar het volgende tegenover stelt : “
- De verzoekende partij haalt in casu opnieuw aan dat zij De verwerende partij meent dat er in casu geen enkel argument gegeven wordt om van de vaste rechtspraak van Uw Raad, met name dat de gebeurlijke vernietiging morele genoegdoening verschaft, waardoor de schorsing overbodig wordt (zie R.v.St., nr. 39.103, 30 maart 1992, Frederickx; R.v.St., nr. 36.822, 18 april 1991, De Leeuw; R.v.St., nr. 40.443, 22 september 1992, Merckx; R.v.St., nr. 40.738, 13 oktober 1992, Messens -alwaar het specifiek gaat over de morele last van niet-ingewilligde rechtmatige verwachtingen ten gevolge van het missen van een bevordering of een aanstelling). Verwerende partij is dan ook van oordeel dat het gebeurlijke morele nadeel perfect kan worden goedgemaakt door de morele voldoening welke een gebeurlijk annulatiearrest zal kunnen verschaffen.
- De verzoekende partij heeft het vervolgens volledig verkeerd voor alwaar zij stelt dat zij overduidelijk recht zou hebben op de benoeming. De overheid beschikt in casu geenszins over een gebonden bevoegdheid, meer nog, de verzoekende partij heeft eertijds ook nooit de impliciete weigering bestreden, laat staan een schorsing of annulatie hiervan bekomen. De toenmalige beslissing van de raad van Bestuur van 26.01.2000 werd geannuleerd, met als resultaat dat de benoemingsprocedure dient te worden overgedaan, niet min, niet meer.
- Dat hetgeen tot slot door de verzoekende partij wordt aangehaald, louter gebaseerd is op veronderstellingen, die op heden in de onderhavige procedure bovendien irrelevant blijken. Dat volgens constante rechtspraak van de Raad van State het aangevoerde nadeel voldoende zeker te zijn en het niet op loutere veronderstellingen of hypotheses gebaseerd mag zijn (cfr. R.v.St., nr. 40.055, 28 juli 1992, Pas; R.v.St., nr. 37.637, 16 september 1991, Debray; R.v.St., nr. 37.181, 11 juni 1991, Meulemans).
- Tot slot kan ook de redenering dat het normale procedurele verloop bij gebreke aan schorsing reeds op het ogenblik van de annulatie zou afgerond zijn niet overtuigen. XII-4419-4/6 Dat vooreerst het loutere feit dat een annulatieprocedure voor Uw Raad enige tijd in beslag neemt, op zich niet kan en ook niet mag worden aangehaald als argument ter motivering van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Dat bovendien door dit als argument aan te halen voor de zoveelste maal wordt aangetoond dat de huidige bestreden beslissing slechts een onderdeel uitmaakt van een geheel, waarbij op heden nog geen (eind)beslissing opzichtens verzoekster werd getroffen”; Overwegende dat het moreel nadeel in beginsel wordt hersteld door een later tussen te komen annulatiearrest; dat verzoekster niet concreet uiteenzet waarom dit te dezen niet het geval zou zijn; dat het moreel nadeel dat voortvloeit uit de teleurstelling van rechtmatige verwachtingen niet verdwijnt door een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing; dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet kan voortvloeien uit de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt; dat de bewering dat de verwerende partij bij de komende benoeming rekening zou kunnen houden met de ervaring opgedaan door de kandidaten, wier benoeming vernietigd werd, te dezen niet meer is dan een loutere hypothese; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, zonder dat moet worden ingegaan op de door de verwerende partij ingeroepen excepties, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. XII-4419-5/6 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes oktober 2005, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. E. BREWAEYS. XII-4419-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.870 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.956 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.