← België

Arrest 149871 - - 06/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.871 Rolnummer: A. 166402/XII-4542 Zaak: Arrest 149871 - - 06/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 01:39 Fiche Arrest nr 149.871 van 6 oktober 2005 - Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.871 van 6 oktober 2005 in de zaak A. 166.402/XII-

  1. In zake : Ben VANLOOK, die woonplaats kiest bij advocaat K. Geelen, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 16 Midden-Limburg, die woonplaats kiest bij advocaat G. Van den Eynde, kantoor houdende te Geel, Diestseweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ben Vanlook op 27 september 2005 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van : “
  3. de beslissing van het College van Directeurs van de scholengroep 16 Midden-Limburg van 19 september 2005 om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen [...]
  4. het advies van de beroepscommissie van de scholengroep 16 Midden- Limburg van een onbekende datum [...]
  5. het besluit van de delibererende klassenraad van 6 september 2005”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2005, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Geelen, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. Cauwenberghs, die loco advocaat G. Van den Eynde verschijnt voor de verwerende partij; XII-4542-1/20 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Voorgaanden
  6. Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van de vordering tot schorsing de volgende zijn : Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 2004-2005 het tweede jaar van de derde graad ASO latijn-moderne talen aan het koninklijk atheneum 1 te Hasselt. De examens van juni leveren hem twee tekorten op, voor wiskunde en voor natuurwetenschappen. Voor diezelfde vakken heeft hij ook jaartekorten. De delibererende klassenraad beslist dat verzoeker bijkomende proeven moet afleggen voor wiskunde en natuurwetenschappen, met als motivering: “zware tekorten op jaarbasis”. Op 25 augustus 2005 legt verzoeker de bijkomende proef natuurwetenschappen af. Hij behaalt 63%. Op 26 augustus 2005 legt verzoeker de bijkomende proef wiskunde af. Hij zal vier vragen beantwoord hebben, wanneer de toezichthoudende leerkracht vaststelt dat op de hand van verzoeker een en ander geschreven staat. De leraar zal hierover later op de dag de volgende geschreven verklaring afleggen : “Spieken. Formule van het Binomium van Newton stond op zijn hand geschreven. Hij zegt dat hij deze formule niet kan onthouden! Ben vraagt wat de gevolgen zijn : antwoord : fraude ! Ben zegt dat verder werken dus geen zin heeft en geeft zijn papieren af.”. Ook diezelfde dag noteert de directrice van de school wat volgt : “De vader van B. Vanlook was op school aanwezig met een opdracht vanuit de scholengroep. Hij ontving tijdens ons onderhoud een telefonische oproep die hij opnam. XII-4542-2/20 Na zijn telefonisch onderhoud gaf hij me zijn GSM door met de melding dat dit me aanbelangde. Mevr. Vanlook meldde me dat haar zoon haar zonet gebeld had, Ben was tijdens het examen wiskunde met een formule in de binnenkant van zijn hand betrapt. Aan de heer Vanlook werd gevraagd of hij zijn zoon telefonisch kon bereiken om Ben te vragen om onmiddellijk naar mijn lokaal te komen. De vader vertrok, Ben werd gevraagd om zich in gang te zetten voor mijn lokaal. Ik ben naar het examenlokaal gegaan om uitleg van de toezichthoudende leerkracht. (zie verklaring leerkracht). Terug op mijn bureel vroeg Ben of zijn ouders kwaad waren. Ik heb Ben gevraagd zijn hand aan de binnenkant laten zien. Hij vertelde me dat hij vergeten was dat die gegevens nog aan de binnenkant van zijn hand stonden. Hij had dat erin gezet om na te kijken. Op mijn vragen wanneer hij dat in zijn hand had geschreven en waarom dat niet weg gewassen kreeg ik geen echt antwoord. Ben bleef maar vertellen over het feit dat hij zijn ouders weer eens ontgoocheld had en dat het erg was om door die stommiteit van hem zijn jaar te moeten overdoen”; De leerkracht wiskunde ten slotte verklaart nog dat het binomium van Newton “behoorde tot de te kennen leerstof voor deze bijkomende proef”. Na het gebeuren richten de ouders van verzoeker zich op 28 augustus 2005 schriftelijk tot de leden van de klassenraad. In die brief, die volgens de verwerende partij is voorgelezen tijdens de deliberatie van 30 augustus 2005, betogen zij omstandig, onder meer, “dat het om een geheugensteuntje gaat, dat hij de avond voor het examen in zijn hand schreef en dat hij niet of onvoldoende heeft afgewassen”, dat behalve de gewraakte formule, op zijn hand ook aantekeningen stonden geschreven waarmee hij toch niets kon aanvangen: “opp”, “verd”, “d en I” en “formules!”, dat dit het overzicht was van de lesonderdelen die hij nog wou nakijken de ochtend van het examen, dat verzoeker dit vergeefs heeft pogen uit te leggen aan de surveillant, wat leerlingen kunnen bevestigen, dat niet is vastgesteld dat hun zoon spiekte, dat de surveillant, “die zelfs geen deel uitmaakt van de delibererende klassenraad”, “uitspraken [doet] waardoor Ben denkt dat hij zijn examens niet verder mag afwerken”, dat de attestering de autonome bevoegdheid is van de delibererende klassenraad, dat die zich moet laten leiden door de resultaten van proeven, dat Ben onheus is beïnvloed, door te horen “je hebt in ieder geval nul”, om vroegtijdig af te geven, dat dit de correcte besluitvorming van de delibererende klassenraad bemoeilijkt, dat verzoeker een moeilijk schooljaar achter de rug heeft, dat hij op het eindexamen niettemin serieuze inspanningen deed, dat om redelijkheid verzocht mag worden. XII-4542-3/20 De delibererende klassenraad neemt op 30 augustus 2005 de beslissing om verzoeker te beschouwen als niet geslaagd en om hem een oriënteringsattest C te verlenen, met als “mededeling” : “Bijkomende proeven: niet geslaagd Reden . cfr gesprek klastitularis en directeur”. De directrice beslist, na overleg met de ouders, om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Op 6 september 2005 handhaaft de delibererende klassenraad het attest. Hij geeft als motivering : “De delibererende klassenraad heeft zich bij het nemen van een beslissing gebaseerd op de volgende elementen : 1) de binnen onze school geldende bepalingen rond spieken op een examen 2) de vaststelling dat er een wiskundige formule die tot de leerstof behoorde op de binnenkant van Bens hand geschreven stond op de uitgestelde proef wiskunde 3) de toepassing van de binnen onze school geldende afspraken - een nul voor het betreffende examen 4) niet geslaagd voor de uitgestelde proef wiskunde : 0% geslaagd voor de uitgestelde proef Natuurwetenschappen : 63% De delibererende klassenraad beslist autonoom om aan Ben een C-attest toe te kennen”; Verzoeker tekent bezwaar aan tegen deze beslissing. Het bezwaarschrift telt zeven bladzijden en herneemt de grieven die reeds in de brief van 28 augustus 2005 zijn vervat. Het bevat een eerste reeks bezwaren over “de motivering”, met name wordt toegelicht dat het feit “geen element [mag] zijn in de beoordeling van de examenresultaten”, dat er “geen bewijs [is] van fraude”, dat de sanctiebepaling “niet in haar gestrengheid [mag] worden toegepast” en dat de “doelstellingen van het leerplan [...] in voldoende mate [zijn] bereikt”. Voorts worden grieven ontwikkeld onder de hoofding “Elementen van onzorgvuldigheid, die de bestreden beslissing hadden kunnen voorkomen”: “Begeleiding van Ben Vanlook tijdens het schooljaar”, “De reactie van de surveillant tijdens het examen” en “Geen verbetering van het examen”. De beroepscommissie hoort verzoeker, zijn ouders en hun raadsman op 15 september
  7. XII-4542-4/20 Op diezelfde dag ontvangt de algemeen directeur het volgende verslag van de beroepscommissie : “14-09-05 Data: Ben Vanlook is een leerling van 6 L-mt. die als resultaat na EX2 tekorten had voor wiskunde (35,6%) en natuurwetenschappen (43,1%). De 1ste DKR na EX2 besluit op 27-6 tot een uitgestelde beslissing voor deze twee vakken. De leerling daagt op voor de herexamens maar bij wiskunde betrapt de leraar hem op het feit dat hij een formule van Newton in zijn handpalm had geschreven. Voor het examen natuurwetenschappen slaagt hij met 63%. Voor het examen wiskunde is de DKR van oordeel dat de leerling door te spieken de banvloek van nul voor het examen over zich heeft afgeroepen. Van Dale zegt over De inschatting van de DKR van 30-8 is correct wat de feiten betreft temeer daar de leerling spontaan toegaf dat hij een stommiteit had begaan en nu zeker zijn jaar zou moeten overzitten. De betwisting door de ouders Vanlook-Blevi komt de DKR andermaal bijeen op 06-9 en besluit: In een schrijven van 1-9-05 aan de Directie van K.A.1 beklagen Ben Vanlook en zijn ouders M. Vanlook & M. Blevi er zich over dat door het onpedagogisch optreden van de toeziende leraar Ben zijn examen niet verder afmaakte en het klaslokaal verliet. De ouders geven in deze brief wel toe dat de school het schoolreglement (bedoeld wordt het In een uitvoerig schrijven van 11 september 2005 aan de beroepscommissie zet advocatenbureau Monard-D’Hulst (Hasselt-Brussel-Kortrijk-vertegenwoordigd door Mr. Koen Geelen te Hasselt) uiteen beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de DKR van 06-9-05;
  8. de motivering in de bestreden beslissing schraagt de beslissing niet omdat - de beslissing gebaseerd is op een feit dat geen beoordelingsargument mag zijn - van het beweerde feit niet is afgewogen of dit als examenfraude moet worden weerhouden - de beslissing niet getuigt van redelijkheid en evenredigheid - de DKR ten onrechte meent dat de doelstellingen van het LP niet voldoende werden bereikt
  9. Er zijn enkele onzorgvuldigheden begaan die een meer compleet beeld voor de delibererende klassenraad op essentiële punten verhinderd hebben Bedenkingen - Mr. Koen Geelen vermeldt ten onrechte dat Ben Vanlook in juni niet slaagde voor wiskunde (38%) en voor natuurwetenschappen (47%). Dit is in werkelijkheid resp. 35,6% en 43,1% - Ben Vanlook kon met de genoteerde formule NIET gespiekt hebben vermits in geen van de vragen de formule kon gebruikt worden. - Wat Ben tot aan de constatering van de formule in zijn hand, op de examenkopij had genoteerd zou niet verbeterd zijn. Dit is niet correct: voor 4/9 van de beantwoorde vragen behaalde Ben 15/
  10. - Mr. Geelen is van oordeel dat beoordeling van gedragsaspecten geen invloed mag hebben op studiepunten. Dit is correct. Maar bepaalde feiten tijdens een examen overstijgen het louter ‘gedragsaspect’. Hoe kan men een leerling XII-4542-5/20 beoordelen die tijdens de examenproef spijbelt? Dit kan toch geen reden zijn om ondanks dit gedrag te slagen. Die leerling zou evenwel als onregelmatige leerling beschouwd moeten worden daar hij niet volledig aan alle proeven heeft deelgenomen. - Er is geen bewijs van fraude. Ben zette uiteen dat de formule in zijn hand niet bedoeld was om fraude te plegen. De bewering dat ze enkel als Het is waar dat inbrekersmateriaal in de auto van een medisch vertegenwoordiger nog niet bewijst dat betrokkene een inbreker is. Wel kan het aanleiding geven tot verdenking. Onnodige notities in de hand over examenstof echter zijn een niet conventionele plaats om zich te herinneren dat men nog iets niet mag vergeten. - De sanctie 0/100 mag niet worden toegepast omdat ze in redelijkheid veel te zwaar is. De ouders geven toe dat het studiereglement zeer strikt werd toegepast (brief 1-9-05 3de laatste §) Zij betwisten die maatregel niet als onredelijk.) [Voetnoot : De redelijkheid van de sanctie zou men kunnen afwegen aan de strafmaat die eraan vastzit : bijvoorbeeld wie in december bij een snelheidsbeperking tot 50 km/u aan 80 km voorbij rijdt en i 300 boete zou krijgen, zou op dezelfde plaats in dezelfde omstandigheden in juni i 600 (of + 2/3 van de maximale boete) betalen en in augustus i 900 (zoals bij weging van de punten 1/3-2/3-3/3) voor dezelfde overtreding. Er is hier dus geen proportionaliteit. Het zou nuttig zijn in de toekomst de sanctie te overwegen, in verhouding tot het tijdstip van het spieken of de poging tot.] - Dat de doelstellingen van het LP onvoldoende zijn bereikt moet in feite worden begrepen als doelstellingen van het vak wiskunde bereikt heeft’ - Hier citeer ik Mr. Geelen op p. 7 §7 : - Ten onrechte haalt Mr. Geelen een citaat uit de notulen van de DKR van 06- 09-05 punt 4): Ben heeft NIET in voldoende mate VOOR ALLE VAKKEN de doelstellingen die in het leerplan opgenomen zijn, bereikt’. - Dit is echter een onjuiste weergave in de notulen van de deliberatie, die slechts over twee herexamens ging. De andere vakken komen hierbij niet meer in vraag. Beter zou daar gestaan hebben: door het onvolledig examen van Ben was de DKR niet in de mogelijkheid te oordelen over het feit of hij voor wiskunde alle leerplandoelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen had bereikt (BVR 7-2-03 art 38 3/). Zijn poging tot spieken had volgens de ouders (zie hoger) een strikte toepassing van het studiereglement tot gevolg: een 0 voor het examen.[Voetnoot : Om in de toekomst de bewering dat - Mr. Geelen beweert ook herhaaldelijk dat in het K.A. zeker al leerlingen met één onvoldoende aan A-attest kregen (p.8 §1 in zijn nota). Mr. Geelen vergeet daarbij dat deze schoolexamens geen vergelijkende examens zijn en dat iedere leerling individueel beoordeeld wordt op zijn resultaten. XII-4542-6/20 - Hij wijst er bovendien op dat de leerplannen 2005-2006 werden gewijzigd naar 3 u. en lichtere doelstellingen, zodat Ben die doelstellingen zeker bereikt heeft (p.8 §2). Wie weet hoe de leerplannen wiskunde er volgend decennium zullen uitzien. Daarmee houdt men in 2004-2005 geen rekening. - Bij de opmerking over het van Gent). 15-9-05 De beroepscommissie: Bets Marcel lk. wisk 4-5-6 Schellings Guy lk. Fr.-gesch. 1ste en 2de j. Jamart Veerle lk. NL - Aa 2de en 3de j. Mevr. Ermin, directeur Brabants Th. pedagogisch adviseur Ben Vanlook, Moeder M. Blevi en hun raadsman worden gehoord en krijgen 1u30 tijd om de nota van Mr. Geelen toe te lichten. Zie hoger. Mevr. Blevi en haar zoon bevestigen nogmaals dat de formule op de hand van Ben niet de bedoeling had misbruik ervan te maken en dat het bovendien niet kon omdat niets van toepassing van de formule gevraagd werd bij het herexamen. Ik heb hem de raad gegeven zich voortaan te wassen eer hij naar een examen gaat. Advies: Om de reden dat in de notulen van de DKR van 06-09-05 geschreven staat over ‘het niet in voldoende mate bereiken van de leerplandoelstellingen van ALLE VAKKEN’, en omdat m.i. de strafmaat gerelateerd aan het tijdstip van de overtreding proportioneel in gewicht toeneemt adviseer ik dat de DKR opnieuw zou bijeenkomen en dit rechtzetten. Besluit van de commissie: De commissie is van oordeel met 4 stemmen tegen (directeur + drie leerkrachten) en 1 stem voor (P.A.) dat geadviseerd moet worden aan de IM dat de DKR NIET OPNIEUW moet samenkomen. De verdere afwikkeling ligt nu bij de Algemeen directeur. Het is niet overbodig dat hij wijst op de verdere juridische stappen die de ouders van Ben kunnen nemen (alhoewel zij dat waarschijnlijk al weten). En dan maar hopen dat betrokkenen in deze zaak een goede verzekering beroepsaansprakelijkheid hebben. Ben tenslotte zou, als de beslissing blijft wat ze is, uiteindelijk ook zijn diploma kunnen halen voor de centrale examencommissie. Th. Brabants Pedagogisch adviseur van het Gemeenschapsonderwijs”. Met een 20 september 2005 gedateerd schrijven deelt de algemeen directeur aan de ouders van verzoeker mee wat volgt : “Betreft: Bezwaar tegen de eindbeslissing. Rekening houdend met het onderzoek van de beroepscommissie die plaatsvond op 15 september 2005 en overwegend : - dat het schoolreglement een afdeling XII-4542-7/20 beroepsprocedures tegen een beslissing van de delibererende klassenraad zijn opgenomen; - dat het schoolreglement behoorlijk betekend werd aan de betrokken leerling en ouders; - dat de procedure en de termijnen inzake de klachtenbehandeling correct gevolgd werden; - dat binnen de procedure opnieuw een delibererende klassenraad werd samengeroepen op 6 september 2005 die de genomen beslissing gemotiveerd handhaafde; - dat deze delibererende klassenraden reglementair zijn samengesteld; - dat de delibererende klassenraden op een reglementaire manier de beslissingen hebben genomen; - dat de processen verbaal van de bedoelde delibererende klassenraden correct zijn opgemaakt; - dat uit de notulen blijkt dat de genomen beslissingen degelijk gemotiveerd zijn; - dat de beroepscommissie correct was samengesteld; - dat deze beroepscommissie zetelde binnen de termijnen; - dat de leerling, de moeder en de raadsman gehoord werden op de zitting van de beroepscommissie van 15 september 2005; - dat deze beroepscommissie adviseerde om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen; Besluit: Wordt door het College van Directeurs (secundair onderwijs) d.d. 19 september 2005 de beslissing genomen om de delibererende klassenraad NIET opnieuw samen te roepen.”. Het verslag van de beroepscommissie wordt, op vraag van verzoeker, per faxbericht aan hem bezorgd op 23 september 2005; Het voorwerp van de vordering 2.
  11. Overwegende dat verwerende partij op het eerste gezicht terecht opwerpt dat het advies van de beroepscommissie geen uitvoerbare administratieve rechtshandeling is, zodat de vordering daartegen niet ontvankelijk is; dat de exceptie in de huidige stand van het geding wordt aangenomen; 2.2.
  12. Overwegende dat verwerende partij voorts opwerpt dat, wanneer tegen een beslissing een georganiseerd beroep openstaat, alleen de in laatste aanleg genomen beslissing vatbaar is voor beroep bij de Raad, dat dit volgens haar betekent dat de beslissing van de delibererende klassenraad van 6 september 2005 de aanvechtbare eindbeslissing vormt, gelet op de latere beslissing van het college van directeurs om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen; XII-4542-8/20 2.2.
  13. Overwegende dat de artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatiebesluit) inderdaad een administratief beroep binnen de school organiseren tegen beslissingen van de delibererende klassenraad; dat de beslissing waarmee de desbetreffende procedure wordt afgesloten, de eindbeslissing lijkt, vatbaar voor beroep voor de Raad van State; dat die eindbeslissing kan zijn, ofwel de “definitieve beslissing ten aanzien van de betrokken leerling” van de delibererende klassenraad (artikel 74 van het organisatiebesluit), ofwel de beslissing van de inrichtende macht dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing (artikel 73, tweede lid, van het organisatiebesluit); Overwegende dat in deze zaak tegen de beslissing van 6 september 2005 van de delibererende klassenraad de beroepsprocedure is op gang gebracht, bedoeld bij de artikelen 68 en volgende van het organisatiebesluit; dat die procedure is uitgelopen op de eerste bestreden beslissing van 19 september 2005 van het college van directeurs, om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing; dat met een dergelijke definitieve beslissing de delibererende klassenraad en hij alleen de beslissing over het al dan niet slagen van verzoeker had kunnen herzien; dat nu hij niet opnieuw diende samen te komen met het oog op het nemen van een dergelijke definitieve beslissing, in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat de bestreden beslissing van het college van directeurs de eindbeslissing is in verzoekers zaak, en derhalve de beslissing vatbaar voor beroep bij de Raad van State; dat echter, zoals de Raad van State overigens ook reeds heeft opgemerkt in onder meer de arresten nr. 103.155, Labaere, van 5 februari 2002, nr. 123.773, Verfaillie, van 2 oktober 2003 en nr. 126.192, Jacobs, van 9 december 2003, de onwettigheden die verzoeker de beslissing van de delibererende klassenraad aanwrijft wel in aanmerking kunnen worden genomen voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing; dat, immers, uit artikel 6quater, tweede lid, van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959 en uit artikel 5, § 1, van het organisatiebesluit blijkt dat de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn; dat het organisatiebesluit inzake de bekrachtiging van de studies derhalve geen bevoegdheid toekent aan het onderwijsorganiserend bestuur zelf; dat het bevoegd gezag in artikel 73 -en in artikel 70- van het organisatiebesluit enkel de bevoegdheid krijgt om te beoordelen of er redenen zijn om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen, zonder zich met de inhoud van de te nemen XII-4542-9/20 beslissing te mogen mengen; dat de Raad van State voorlopig aanneemt dat ook voor de huidige zaak hieruit volgt dat wanneer de delibererende klassenraad onwettig heeft gehandeld, zulks voor het college van directeurs een reden moest zijn om die klassenraad opnieuw te doen samenkomen; 2.
  14. Overwegende dat het college van directeurs bij een eventuele nietigverklaring van zijn beslissing opnieuw zal dienen te oordelen, overeenkomstig artikel 73, tweede lid, van het organisatiebesluit, “of de delibererende klassenraad wel of niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing”; dat de omvang van het door het onderwijsorganiserend bestuur te verlenen rechtsherstel mede bepaald zal worden door de motieven op grond waarvan die nietigverklaring is uitgesproken; dat immers een nietigverklaring het gevolg kan zijn van een onwettigheid die eigen is aan het handelen van het schoolbestuur, bij voorbeeld indien dit beslist zonder het advies van de beroepscommissie af te wachten of zelfs maar te vragen; dat de nietigverklaring ook het gevolg kan zijn van een onwettigheid die teruggaat op de beslissing van de delibererende klassenraad; dat het bestuur afhankelijk van de met het dictum van de nietigverklaring verbonden motieven meer of minder beleidsruimte heeft om de klassenraad al dan niet opnieuw samen te roepen om zijn beslissing te heroverwegen; dat ook een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing, hoewel voorlopig van aard, toch ook als een aansporing moet worden opgevat aan het bestuur om zijn onwettig lijkende beslissing reeds onmiddellijk, zonder de verdere afwikkeling van de annulatieprocedure, te heroverwegen, en, mede ook gelet op het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag, om ze desgevallend in te trekken en door een nieuwe te vervangen; De schorsingsvoorwaarden
  15. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; XII-4542-10/20
  16. Overwegende, wat de eerste en de derde voorwaarde betreft, dat verzoeker in essentie wijst op het dreigende verlies van een schooljaar; dat verwerende partij in de nota uitdrukkelijk stelt deze voorwaarden niet te betwisten; dat ook de Raad daartoe geen reden ziet;
  17. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker een enig annulatiemiddel put uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 37 en 38 van het organisatiebesluit en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel; 6.
  18. Overwegende dat verzoeker in een eerste middelonderdeel toelicht waarom de bestreden beslissing inhoudelijk niet is gemotiveerd: het advies van de beroepscommissie gaat niet uit van de beroepscommissie maar is een document van pedagogisch adviseur Brabants, zoals blijkt uit het frequent gebruik van de ik-vorm; het formuleert de persoonlijke bedenkingen van T. Brabants; dit blijkt nog het sterkst uit het feit dat het advies dat hij geeft onder de hoofding ‘advies’ uiteindelijk niet gevolgd wordt door de beroepscommissie, waarna T. Brabants reageert met te hopen dat betrokkenen in deze zaak een goede verzekering beroepsaansprakelijkheid hebben; dit betekent dat er van de beroepscommissie geen inhoudelijk gemotiveerd advies voorhanden is; de beslissing van het college van directeurs houdt niet meer in dan het overlopen van de verschillende procedurestappen en de vaststelling dat deze correct zijn verlopen; er komt geen inhoudelijke motivering in deze beslissing voor; zelfs het advies van de beroepscommissie wordt enkel vermeld, zonder dat wordt aangegeven dat men zich de motieven hiervan eigen maakt; Overwegende dat verwerende partij repliceert : “Voormeld verslag werd geredigeerd door de heer Brabants, pedagogisch adviseur. De stelling van verzoeker als zou voormeld advies niet gegeven zijn door de beroepscommissie, doch wel door de heer Brabants is niet correct, wat blijkt uit de stukken. Het besluit van de beroepscommissie luidt als volgt: ‘De commissie is van oordeel met 4 stemmen tegen (directeur + drie leerkrachten) en 1 stem voor (P.A.) dat geadviseerd moet worden aan de IM dat de DKR niet opnieuw moet samenkomen (...)’”; Overwegende dat verwerende partij voorts argumenteert : XII-4542-11/20 “dat de beslissing van het college van directeurs wel inhoudelijk gemotiveerd was. In voormelde beslissing werd het advies van de beroepscommissie gevolgd: ‘(...) De leden van de vergadering zijn de mening toegedaan dat het advies van de beroepscommissie gehandhaafd blijft, zijnde: de delibererende klassenraad dient niet opnieuw samen te komen.’”; Overwegende dat verwerende partij ter terechtzitting nog ter overweging geeft dat het, hoewel ongebruikelijk, niet foutief is als in een advies de voor- en tegenargumenten worden afgewogen; dat zij toegeeft dat sommige bedenkingen irrelevant zijn en het advies niet schragen; dat dit volgens haar te verklaren is omdat het verslag is opgesteld door de pedagogisch adviseur, die anders heeft gestemd dan de meerderheid van de commissie; 6.
  19. Overwegende dat met verzoeker wordt vastgesteld dat de eindbeslissing van het college van directeurs enkel een feitelijk overzicht geeft van de gevolgde procedurestappen en aanstipt dat alles daarbij reglementair is verlopen, maar op het eerste gezicht geen andere, inhoudelijke motieven bevat; Overwegende dat met verwerende partij dan weer wordt aangenomen dat, wanneer een beslissing zelf de vereiste redengeving niet bevat, zij toch nog rechtsgeldig gemotiveerd is indien zij verwijst naar een voorbereidende beslissing; dat zulks echter maar kan, op voorwaarde dat die voorbereidende beslissing zelf afdoende gemotiveerd is, dat zij ter kennis van de betrokkene is gebracht, dat het eindbesluit daarop voortbouwt en dat er geen stukken bestaan die de beslissende overheid tot een andere beslissing konden brengen; Overwegende dat te dezen het college van directeurs zijn beslissing neemt “rekening houdend met het onderzoek van de beroepscommissie” en refererend aan het advies van de beroepscommissie “om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen”; dat dit advies aan verzoeker ter kennis is gebracht; Overwegende dat in de huidige stand van de procedure evenwel vruchteloos wordt gezocht naar de motieven van de beroepscommissie, op grond waarvan zij tot haar advies komt om de delibererende klassenraad niet meer samen te roepen; dat het inderdaad niet onwettig lijkt als het in artikel 73 van het organisatiebesluit bedoelde “resultaat van het door de beroepscommissie gevoerd onderzoek” ter voorlichting van het schoolbestuur zowel de argumenten voor als tegen bevat en eventueel een minderheidsopvatting weergeeft, wel integendeel; dat in deze zaak echter uitsluitend de minderheidsopvatting te lezen valt van de XII-4542-12/20 pedagogisch adviseur, gaande van zijn persoonlijke bedenkingen tot zijn advies “adviseer ik dat de DKR opnieuw zou bijeenkomen en dit rechtzetten”; dat die passages van het verslag van de beroepscommissie de beweegredenen lijken te zijn voor één lid van de commissie om tégen het besluit te stemmen; dat zij dan ook niet dienstig dat met vier stemmen tegen één genomen besluit van de commissie kunnen schragen, zo lijkt, “dat geadviseerd moet worden aan de IM dat de DKR niet opnieuw moet samenkomen”; dat de vier anderen hun motieven niet veruitwendigd lijken te hebben; dat aldus het advies van de beroepscommissie waarop de eindbeslissing voortbouwt niet zelf afdoende gemotiveerd lijkt; dat het eerste middelonderdeel ernstig is;
  20. Overwegende dat verzoeker in een tweede middelonderdeel aanvoert dat de beroepscommissie moet controleren of de beslissing van de delibererende klassenraad genomen is op de feitelijk en juridisch correcte motieven die objectief en relevant zijn en die de beslissing schragen; dat volgens hem een deugdelijk onderzoek moest onthullen dat de beslissing van de delibererende klassenraad niet behoorlijk gemotiveerd was; dat verzoeker, die dit middelonderdeel toelicht in een nader aantal onderdelen, aldus in wezen een reeks onwettigheden aanvoert tegen de beslissing van de delibererende klassenraad; dat het zinvol is, ook al is hiervoor reeds een eerste middelonderdeel ernstig bevonden, om ook dit middelonderdeel te beoordelen; dat immers indien de Raad op grond van een zodanig middel vaststelt dat de beslissing van de delibererende klassenraad onwettig is of, in de huidige stand van de procedure, lijkt, in beginsel ook meteen is vastgesteld dat de klassenraad een nieuwe beslissing diende te nemen; 8.
  21. Overwegende dat verzoeker vooreerst uiteenzet, met verwijzing naar de artikelen 37 en 38 van het organisatiebesluit, dat de delibererende klassenraad zich niet heeft gekweten van zijn taak om te beoordelen of hij het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en bekwaam is om zijn studie succesvol verder te zetten; dat verzoeker toelicht: de delibererende klassenraad heeft van hem geëist dat hij in voldoende mate voor álle vakken de doelstellingen die in het leerplan opgenomen zijn moet bereiken; dat gaat in tegen het organisatiebesluit en overigens ook tegen de evaluatienota voor het gemeenschapsonderwijs die uitdrukkelijk vermeldt dat het oordeel van de delibererende klassenraad niet inhoudt dat de leerling voor alle vakken de doelstellingen bereikt moet hebben; de delibererende klassenraad heeft zijn beoordeling enkel gemotiveerd vanuit het toegekende resultaat op de bijkomende proef wiskunde (0/100) zodat het oriënteringsattest C enkel werd toegekend na een XII-4542-13/20 beoordeling voor de bijkomende proef wiskunde en niet na een beoordeling of hij de leerplandoelstellingen voor het geheel van de vorming van het betreffende leerjaar heeft bereikt; de term “geheel” betekent dat de klassenraad de globale situatie van de leerling moet onderzoeken rekening houdende met de resultaten behaald tijdens het hele schooljaar; dit betekent dat een motivering die enkel gestoeld is op het resultaat van één bijkomende proef op zich reeds ontoereikend is; de puntentoekenning voor de bijkomende proef wiskunde is overigens geen resultaat dat verzoeker op de proef behaalde maar een loutere toepassing van het reglement wegens fraude; de klassenraad heeft niet nagegaan of de beweerde fraude de bekwaamheid van verzoeker om de studie succesvol verder te zetten negatief kan beïnvloeden; Overwegende dat verwerende partij in de nota antwoordt dat artikel 38 van het organisatiebesluit niet uitsluit dat de delibererende klassenraad mag oordelen dat men voor alle vakken de doelstellingen van het leerplan moet bereiken, dat verzoeker op zijn rapport voor dagelijks werk wiskunde en voor de examens telkens tussen de 20% en de 42% behaalde, dat hij op acht herhalingstoetsen steeds onvoldoende had en zelfs tweemaal nul; dat het schoolreglement bepaalt “Om een A- attest te bekomen, dient men te slagen voor alle bijkomende proeven”, dat verzoeker de doelstellingen van het leerplan wat betreft het vak wiskunde duidelijk niet heeft bereikt; Overwegende dat verwerende partij voorts betoogt dat verzoeker door zijn leerhouding en gedrag tijdens de bijkomende proef wiskunde bovendien aantoont dat hij niet voldaan heeft aan het geheel van de vorming en niet bekwaam is om hogere studies aan te vatten; dat volgens haar niet-cognitieve doelstellingen die behoren tot het studiedomein uiteraard een element kunnen zijn in de beoordeling, mits het studiereglement dit duidelijk bepaalt, dat er immers een duidelijke scheiding gewaarborgd moet worden tussen een disciplinaire beoordeling -toepassing van het tuchtreglement- en een studiebeoordeling -toepassing van het studiereglement, dat het op eerlijke wijze afleggen van examens een niet-cognitieve doestelling is die geacht moet worden te behoren tot het studiedomein, waarbij het schoolreglement bepaalt “Bij het vaststellen van spieken in augustus, volgt automatisch een C-attest”; 8.
  22. Overwegende dat de bepaling in het schoolreglement dat bij spieken in augustus automatisch een C-attest volgt, vooreerst lijkt samen te hangen met en automatisch te volgen uit de andere bepalingen van het schoolreglement die, eensdeels, aan spieken een nul op het examen koppelen en, anderdeels, aan een XII-4542-14/20 onvoldoende voor een bijkomende proef in het laatste jaar een C-attest koppelt aangezien men voor een A-attest (versta, wat het laatste jaar betreft: een diploma) dient te slagen voor alle bijkomende proeven en een B-attest in zulk jaar niet wordt verleend; dat voorts verwerende partij terecht wijst op het onderscheid tussen tuchtmaatregelen en studiebeoordeling; dat het daarom niet zonder meer duidelijk is of het op een oneerlijke wijze afleggen van een examen, wanneer dit zoals te dezen reeds met een nul “gehonoreerd” wordt en waarbij die nul wordt verrekend in de resultaten zonder kans op een nieuwe proef, eveneens als “een niet-cognitieve doelstelling die geacht moet worden te behoren tot het studiedomein” mag worden beschouwd; dat de Raad vooralsnog die vraag niet nader moet onderzoeken; dat immers in de beslissing van de klassenraad van 6 september 2005 prima facie nergens dit motief te berde wordt gebracht; dat het spieken enkel wordt vermeld, zo lijkt, om de nul voor het betreffende examen te verantwoorden; dat voorts de punten worden vermeld voor de twee uitgestelde proeven; dat vooralsnog aangenomen wordt dat het C-attest enkel wordt verantwoord door het niet slagen op de uitgestelde proef wiskunde; dat zelfs de thans voor de Raad te berde gebrachte eerdere resultaten voor dat vak en de inhaaltoetsen in de beslissing niet uitdrukkelijk zijn vermeld; dat nochtans ter beoordeling van de motieven van de delibererende klassenraad in beginsel enkel rekening mag worden gehouden met hetgeen hijzelf heeft genotuleerd; dat alleszins door de Raad van State geen rekening mag worden gehouden met bijkomende argumenten van verwerende partij in haar nota in de schorsingsprocedure, wanneer niet blijkt dat die argumenten uitgaan van de delibererende klassenraad en bijgevolg geen motieven lijken te zijn die toegeschreven kunnen worden aan het daartoe als enige bevoegd zijnde orgaan, op het ogenblik van zijn beslissing; Overwegende dat de delibererende klassenraad, wat het gewoon secundair onderwijs betreft, zijn bevoegdheid ontleent aan artikel 6quater van de schoolpactwet van 29 mei 1959; dat die bepaling hem aanwijst “als enig orgaan op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn” en voorts preciseert dat hij “oordeelt of een regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt om al dan niet te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar en/of een van rechtswege geldend studiebewijs behaalt dat een bepaald civiel effect impliceert”; dat de delibererende klassenraad luidens artikel 37, § 1, van het organisatiebesluit beslist of de leerling het leerjaar al dan niet “met vrucht” heeft beëindigd; dat meer bepaald een leerling van het tweede jaar van de derde graad ASO luidens artikel 38, 3/, van het organisatiebesluit het leerjaar met XII-4542-15/20 vrucht beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs”; dat de wet of het organisatiebesluit niet vereist dat de betrokken leerling voor alle of welbepaalde vakken voldaan moet hebben, of een minimaal percentage voor het geheel van de vakken behaald moet hebben; dat artikel 57 integendeel leert dat, onverminderd het voor deze zaak niet relevante artikel 56, “het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden [is] aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming”; dat artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit preciseert : “De delibererende klassenraad zal zich bij zijn beslissingen laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Dit dossier bevat, in voorkomend geval: - resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen; - de resultaten van de geïntegreerde proef; - de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad”; Overwegende dat uit de vermelde bepalingen volgt, zo lijkt, dat de delibererende klassenraad op grond van zijn opdracht en werking over een autonome en ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij de beoordeling van de leerling, maar dat hij zich hierbij wel dient te steunen op alle relevante concrete gegevens van het dossier waarbij, onder meer, de volledige resultaten van alle proeven, toetsen of examens en de evolutie zoals die door alle leerkrachten als begeleidende klassenraad gedurende een volledig schooljaar is ervaren; dat de resultaten behaald voor andere vakken bijgevolg niet buiten beschouwing mogen blijven; dat dit niet anders is wanneer de delibererende klassenraad zijn beslissing met toepassing van artikel 37, § 2, van het organisatiebesluit uitstelt om een leerling bijkomende proeven te laten afleggen, zij het dat in zo een geval de resultaten voor die proeven ook een gegeven van het dossier worden; dat het behaalde resultaat op de bijkomende proeven echter slechts één element van het dossier betreft; dat de beslissing van 6 september 2005 niet toelaat te besluiten dat de delibererende klassenraad bij zijn beraadslaging de andere concrete gegevens van het dossier van verzoeker, en in het bijzonder zijn studieresultaten voor de andere proeven, toetsen of examens of zijn globale jaarresultaten, heeft afgewogen tegenover dit tekort voor de bijkomende proef van het vak wiskunde; dat integendeel verwerende partij niet eens beweert zo te hebben gehandeld; dat uit de neergeschreven motieven enkel blijkt dat zij zich uitsluitend op XII-4542-16/20 het resultaat van één -van de twee- bijkomende proeven heeft gesteund; dat dit niet zonder meer lijkt te kunnen volstaan om het toekennen van een C-attest te motiveren; dat de delibererende klassenraad niet tot de vereiste afweging is gekomen; Overwegende dat verwerende partij vergeefs steun zoekt in de bepaling van het schoolreglement dat de leerling dient te slagen voor alle bijkomende proeven om een A-attest te krijgen; dat dit schoolreglement de negatie lijkt van de besproken wettelijke en reglementaire bepalingen, en bijgevolg buiten toepassing moet blijven; Overwegende dat het middelonderdeel, wat de besproken grief betreft, ernstig is; 9.
  23. Overwegende dat verzoeker vervolgens uiteenzet dat de delibererende klassenraad ten onrechte het bewijs van fraude aanvaardde, dat de motivering enkel stelt dat er een wiskundige formule op zijn hand stond geschreven, dat zulks niet wordt betwist maar niet volstaat om tot fraude te besluiten; dat verzoeker wijst op het relatief nutteloos karakter van de bedoelde formule en het ontbreken van de intentie tot frauderen, en hij voor de Raad de bezwaren herneemt met betrekking tot de wijze van optreden en de bevoegdheid van de surveillant; dat hij nog argumenteert dat wiskunde geen doorslaggevend vak is voor zijn studierichting; Overwegende dat verwerende partij antwoordt, onder meer, dat de beslissing misschien streng, maar daarom nog niet onwettig is, dat de klassenraad rechtmatig tot zijn voorstelling van de feiten is gekomen, dat de surveillant correct heeft gehandeld en dat het schoolreglement inzake spieken is toegepast; 9.
  24. Overwegende dat verzoeker met deze grieven in hoofdorde de juiste beoordeling door de klassenraad, in rechte en in feite, van het gebeuren als fraude betwist en dat hij ondergeschikt de redelijkheid en evenredigheid in vraag stelt van de getroffen sanctie; Overwegende dat de Raad zich in de voorliggende procedure niet uitspreekt over de vraag of de delibererende klassenraad rechtmatig tot zijn voor- stelling van de feiten is gekomen; dat de Raad wél vaststelt dat de vragen die verzoeker zich daarbij stelt prima facie pertinent zijn en, wil de beslissing blijven XII-4542-17/20 zoals ze is, een antwoord of een weerlegging verdienen; dat dit antwoord of die weerlegging niet te lezen is in de beslissing van 6 september 2005, noch in de eerdere beslissing van 30 augustus 2005, de reeds uitvoerige brief van verzoekers ouders van 28 augustus 2005 ten spijt; dat het bijgevolg bij uitstek klachten zijn die een leerling in het kader van de beroepsprocedure die in het organisatiebesluit is geregeld, als bezwaar kan formuleren en waaromtrent dan de beroepscommissie een onderzoek moet voeren om hierover aan het schoolbestuur te rapporteren; dat verzoeker zulks ook heeft gedaan; dat dergelijke beroepsprocedure, wil zij zinvol zijn, er in ieder geval op gericht moet zijn om de klachten en de argumenten van de leerling te onderzoeken; dat verzoeker te dezen dan ook een antwoord op zijn klachten diende te vinden in het advies van de beroepscommissie of in de eindbeslissing van het college van directeurs; dat als zo een antwoord de “bedenkingen” van de pedagogisch adviseur niet in aanmerking lijken te komen, aangezien die als gezien slechts de mening van een enkeling zijn en niet het oordeel van de beroepscommissie weergeven, laat staan van het college van directeurs; dat er ook geen ander antwoord is; dat het middelonderdeel in de besproken mate ernstig is; Overwegende dat nog ten overvloede mag worden opgemerkt wat volgt; dat, indien mag worden aangenomen dat de fraude genoegzaam vaststaat, in die hypothese een loutere verwijzing naar het schoolreglement niet lijkt te volstaan om een nul te verantwoorden; dat dergelijk laakbaar gedrag terecht niet zonder gevolg moet blijven; dat het ook niet onwettig lijkt om aan te nemen dat fraude op een examen het vermoeden wekt van of gelijk gesteld wordt met complete onkunde van de frauderende student, en in een nul voor die proef resulteert; dat evenwel een en ander niet mag uitsluiten dat de delibererende klassenraad, als gezien, over een autonome en ruime appreciatiebevoegdheid beschikt; dat die bevoegdheid geval per geval moet worden uitgeoefend, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak; dat zulks vereist dat een onderzoek wordt gewijd aan de eigen en particuliere omstandigheden van elke zaak en te dien aanzien voldoende verantwoord is; dat het voorgaande er niet aan in de weg lijkt te staan dat de klassenraad, in het algemeen en vooraf, nader bepaalt door welke principes hij zinnens is zich in geval van examenfraude te zullen laten leiden bij de uitoefening van de hem door de wet toegekende appreciatiebevoegdheid en dat hij zulks aan de leerlingen kenbaar maakt in een “schoolreglement”; dat een dergelijke gedragslijn kan bijdragen tot een eenvormige toepassing van de discretionaire bevoegdheid; dat zij evenwel niet het karakter mag aannemen van een strakke en absoluut bindende regel waardoor de inhoud van de te nemen particuliere beslissing over een leerling in wezen reeds van XII-4542-18/20 tevoren wordt vastgesteld, meer bepaald reeds vóór het onderzoek en de beoordeling van de eigen merites -álle merites- van elke concrete zaak afzonderlijk; dat de stukken van het overgelegde administratief dossier op het eerste gezicht niet toelaten te concluderen dat de delibererende klassenraad het zo heeft gezien en er naar heeft gehandeld; dat prima facie niet blijkt dat de vereiste in concreto afweging is gemaakt, weze het in het licht van het schoolreglement, en de klassenraad zich niet zelf een gebonden bevoegdheid heeft opgelegd;
  25. Overwegende dat verzoeker ten slotte in een derde middel- onderdeel grieven formuleert bij de “bedenkingen” in het advies van de beroepscommissie die volgens hem fouten bevatten; dat hij die grieven heeft “voorzover de ‘bedenkingen’ die voorkomen in het document van de beroepscommissie zouden worden voorgesteld als de motieven van de beroepscommissie (quod non - aangezien het om persoonlijke bedenkingen van de pedagogisch advise[u]r gaat)”; dat hiervoor om de door verzoeker genoemde reden is aangenomen dat de bedoelde “bedenkingen” niet rechtens relevant zijn; dat dit middelonderdeel, voor zover nog ontvankelijk, dan hoe dan ook niet tot nietigverklaring kan leiden; dat het bijgevolg niet ernstig is;
  26. Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, XII-4542-19/20 BESLUIT: Artikel
  27. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 september 2005 van het college van directeurs van de scholengroep 16 van het Gemeenschapsonderwijs, om de over Ben Vanlook delibererende klassenraad van het tweede jaar van de derde graad van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt niet opnieuw samen te roepen. Artikel
  28. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen voor het overige. Artikel
  29. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes oktober 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4542-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.871 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.357 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.