id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.907 Rolnummer: A. 118218/XIV-9093 Zaak: Arrest 149907 - - 06/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 01:43 Fiche Arrest nr 149.907 van 6 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.907 van 6 oktober 2005 in de zaak A. 118.218/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 15 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 22 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-9093-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat P. MEULEMANS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 20 december 2000 en zich vluchteling verklaart op 22 december 2000; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 23 juli 2001 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 20 februari 2002 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u de toegang tot het grondgebied werd geweigerd. De dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 06 december 2001 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 52, § 2, 4/ en van artikel 57/16, vierde en vijfde lid opwerpt en dit als volgt toelicht: “(...) Aangezien het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen bij beslissing van 20 februari 2002 besluit tot de weigering van verblijf door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 23 juli
- Dat deze beslissing haar grondslag zou moeten vinden in artikel 52 dat voorziet dat een vluchteling niet zal toegelaten worden in het Rijk te verblijven wanneer deze binnen de maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven. Dat verzoekster in december 2001 werd opgeroepen om een interview af te leggen terwijl de voormalige raadsman bij brief van 4 januari 2002 aangetekend een aantal middelen heeft toegelicht (stuk 3). XIV-9093-2/5 Dat verzoekster dus tijdig reageerde conform artikel 52 van de Vreemdelingenwet doch het CGVS zonder enige motivering een negatieve beslissing betekende met de melding ‘Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op december 2001 op uw gekozen woonplaats’ (stuk 1). Dat verzoekster vermoed dat het schrijven van haar voormalig raadsman niet is toegekomen. Dat m.a.w. doordat de brief van de vorige raadsman op 4 januari 2002 aangetekend werd verzonden en er dus binnen de maand werd gereageerd vanaf de verzending kan gesteld worden dat aan artikel 52 par 2 van alinea 4 werd voldaan. Dat verzoekster immers wel degelijk belang hecht aan de afwikkeling van haar procedure. Zie R.v.St. nr 58.090, 9 februari 1996, Rev. Dr. Etr. 1996, met noot 73, T. Vreemd. 1996,
- Aangezien het artikel 52 par. 2, al 4 trouwens werd ingevoegd om aan te tonen dat de asielzoeker een blijvende belangstelling moet vertonen voor de aangevatte asielprocedure. Zie Memorie van Toelichting Zie Vluchtelingen, Dirk Vanheule, blz 153, nr 379,
- Aangezien enkel de bewuste onttrekking aan de procedure getuigt van een gebrek aan belangstelling in het resultaat van de erkenningsaanvraag. Zie Vluchtelingen, Dirk Vanheule, blz 153, nr 380, uitgave
- Aangezien m.a.w. artikel 52, par 2 al 4 werd geschonden, minstens aan de motiveringsplicht die het CGVS heeft wanneer zij een bevestigende weigeringsbeslissing uitspreekt zonder enige vermelding naar het interview afgelegd voor de DV of de inhoud van de brief van haar vorig raadsman.”; 2.1.
- Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) ‘4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal op 6 december 2001 een oproeping voor een verhoor op 4 januari 2002 om 08.30u naar de verzoekende partij heeft gestuurd; dat het duidelijk om een oproeping in de zin van het voornoemde artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet gaat; dat in die oproeping tevens een verzoek om inlichtingen vervat zit, voor het geval de verzoekende partij door overmacht geen gevolg zou kunnen geven aan de oproeping voor het verhoor; dat de raadsman van de verzoekende partij met een ter post aangetekend schrijven van 4 januari 2002 aan het commissariaat-generaal de ontvangst van die oproeping bevestigt en meedeelt dat de verzoekende partij hem heeft gevraagd “per onderhavig schrijven kwestieuze middelen toe te lichten, met het vriendelijk (verzoek) ermede rekening te willen houden, waarvoor mijn dank”; dat de raadsman van de verzoekende partij in dezelfde brief in het kort en op algemene wijze het asielrelaas herhaalt; Overwegende dat de verzoekende partij met dat schrijven of op enige andere wijze geen reden aanhaalt waarom zij niet op het verhoor aanwezig kon zijn; dat zij XIV-9093-3/5 aldus geen geldige reden aantoont om geen gevolg te geven aan een oproeping voor een verhoor; dat die vaststelling volstaat als weigeringsmotief; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door de korte herhaling van het asielrelaas in de brief van 4 januari 2002; dat de meegedeelde inlichtingen zeer summier zijn en niets nieuws bijbrengen; dat de verzoekende partij het de commissaris-generaal in wezen onmogelijk maakt om middels een verhoor op grondige wijze zijn wettelijke opdracht te kunnen uitvoeren; dat het de verzoekende partij niet toekomt om zelf een keuze te maken tussen een verhoor of het opsturen van inlichtingen; dat de verzoekende partij aldus niet aantoont dat de bestreden beslissing met schending van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet is genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat in de bestreden beslissing de feitelijke elementen worden aangegeven die de commissaris-generaal tot de toepassing van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet hebben gebracht en dat naar dat artikel wordt verwezen; dat uit het voorgaande blijkt dat de verzoekende partij zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping voor het verhoor noch aan het verzoek om inlichtingen; dat de commissaris-generaal, gezien de duidelijke verwijzingen in zijn brief van 6 december 2001, te dezen impliciet doch zeker kon veronderstellen dat een asielzoeker, die, zonder daarvoor een geldige reden te kunnen inroepen, geen belangstelling toont voor het onderzoek van zijn asielaanvraag, het risico loopt dat zijn aanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard; dat dergelijk evident gevolg, dat overigens in een uitdrukkelijke wettekst is neergelegd, geen nadere motivering behoeft; dat het middel met betrekking tot de voorgehouden schending van de formele motiveringsplicht ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet op welke wijze artikel 57/16, vierde en vijfde lid, van de Vreemdelingenwet zouden zijn geschonden; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- XIV-9093-4/5 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9093-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.907 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.