id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.908 Rolnummer: A. 121419/VII-35180 Zaak: Arrest 149908 - - 06/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-04 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 01:43 Fiche Arrest nr 149.908 van 6 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.908 van 6 oktober 2005 in de zaak A. 121.419/XIV-10.
- In zake : XXX, die woonplaats kiet bij advocaat Ch. SERMON, kantoor houdende te 1180 BRUSSEL, Jacques Pasteurlaan 6A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 23 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 april 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-10.122-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat Ch. SERMON, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 27 december 1999 en zich vluchteling verklaart op 6 januari 2000; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 20 april 2000 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 25 april 2002 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 20 maart 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.). U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.";
- Betreffende de toepassing van artikel 26 van voornoemd koninklijk besluit van 9 juli
- 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel een “manifest gebrek aan motivering” en de schending van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “(...) XIV-10.122-2/6 Overwegende dat de bestreden beslissing zich baseert op het artikel 52 van de wet van 15 december 1980 om de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen waarbij haar het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Dat de bestreden beslissing stelt dat de eiseres zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die haar aangetekend werd verstuurd op 20 maart 2002 op haar gekozen woonplaats. Dat de eiseres was opgeroepen voor een verhoor op het commissariaat-generaal op 4 april 2002, maar dat zij niet aanwezig kon zijn voor medische redenen. Dat de raadsman van de eiseres een medisch attest heeft neergelegd op het commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en staatlozen op 4 april 2002 (stuk 2), wat telefonisch werd aanvaard als voldoende om haar afwezigheid te excuseren. Dat er eveneens aan de eiseres per telefoon werd gevraagd om de motieven van haar asielrelaas schriftelijk uiteen te zetten en dit aangetekend te bezorgen aan de commissaris- generaal, wat zij ook heeft gedaan (stukken 3 en 4). Dat de eiseres de vraag om inlichtingen heeft ontvangen op 22 maart 2002 en haar antwoord aangetekend heeft verzonden op 22 april
- Dat het erg verbazend is dat er geen spoor terug te vinden is van dit antwoord van de eiseres in het dossier van het commissariaat-generaal. Dat uit de stukken van het administratief dossier dus blijkt dat de eiseres wel degelijk een gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen en dit binnen de maand en per aangetekend schrijven. Dat er derhalve sprake is van een schending van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, nu de eiseres wel degelijk aangetekend en binnen de maand na het versturen van een aanvraag om inlichtingen er gevolg heeft aan gegeven. Dat de raadsman van de eiseres zelfs op 4 april 2002 een medisch attest heeft neergelegd op het commissariaat-generaal, wat op zich alleen al moet beschouwd worden als een antwoord op de aanvraag om inlichtingen.”; 2.
- Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) ‘4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven.”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal op 20 maart 2002 een oproeping voor een verhoor op 4 april 2002 om 08.30u aan de verzoekende partij heeft gestuurd; dat onderaan de oproeping wordt vermeld: “Indien een geval van overmacht u belet gevolg te geven aan deze oproeping, dient u mij binnen de maand die volgt op dit schrijven, de reden hiervoor alsook een document dat hiervan het bewijs levert, per aangetekend schrijven te bezorgen. In dat geval zal ik uw dossier onderzoeken zonder dat ik verplicht ben u opnieuw op te roepen. In geval van overmacht moet u bijgevolg eveneens antwoorden op het volgende verzoek om inlichtingen: is de commissaris-generaal in het bezit van alle elementen die u ter ondersteuning van uw aanvraag wenst neer te leggen met het oog op het nemen van een beslissing? Indien u meent dat dit het geval is, bent u verplicht mij dit te bevestigen. Indien u meent andere elementen (bijvoorbeeld documenten, verduidelijkingen van of aanvullingen bij uw vroegere verklaringen) te hebben die u nog niet hebt ingeroepen, verzoek ik u mij die zo snel mogelijk te bezorgen. Zonder antwoord van uwentwege binnen een maand na het verzenden van deze brief mag ik u de status weigeren wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen ondanks het bewijs van overmacht.”; XIV-10.122-3/6 Overwegende dat uit die formulering duidelijk blijkt dat het niet enkel om een “oproeping” doch tevens om een “verzoek om inlichtingen” in de zin van het voormelde artikel 52, § 2, 4/ gaat; Overwegende dat de raadsman van de verzoekende partij op het commissariaat-generaal een medisch attest van dr. A. Hermans van 3 april 2002 heeft neergelegd, dat zich in het administratief dossier bevindt; dat dit medisch attest vermeldt dat de verzoekende partij zich van 3 tot 5 april 2002 om medische redenen niet kan verplaatsen, meer bepaald omwille van een “affection digestive virale”; dat de asielaanvraag van de verzoekende partij met de bestreden beslissing echter niet wordt verworpen omdat zij zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping voor het verhoor, maar wel omdat zij geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen; dat de verzoekende partij nochtans op 22 april 2002 een aangetekend schrijven naar het commissariaat-generaal blijkt te hebben verzonden, waarvan zij het bewijs van verzending bijbrengt doch dat zich niet in het administratief dossier bevindt; dat de brief van de verzoekende partij weliswaar twee dagen na de termijn van één maand vanaf de verzending van het verzoek om inlichtingen is verzonden, doch dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de verzoekende partij in normale omstandigheden op 4 april 2002 naar het verhoor zou zijn gekomen en alsdan geen schriftelijk relaas zou hebben moeten opsturen; dat de tussentijdse ziekte van de verzoekende partij, die door de verwerende partij als dusdanig niet wordt betwist, een geldige reden lijkt te vormen voor het feit dat zij de gevraagde inlichtingen slechts twee dagen na het verstrijken van de termijn van één maand heeft verstuurd; dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet slechts een “geldige reden” doch geen overmacht stricto sensu vereist; dat een en ander des te meer klemt nu de commissaris-generaal de aangetekende brief van 22 april 2002 moet hebben ontvangen vooraleer hij de bestreden beslissing op 25 april 2002 nam; dat het middel niet kennelijk ongegrond is in de mate dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet wordt opgeworpen, meer bepaald voor wat betreft § 2, 4/ van deze bepaling;
- Betreffende de vordering tot schorsing. 3.
- Overwegende dat het auditoraat in het verslag oordeelt dat indien de kamer geen toepassing maakt van meergenoemd artikel 26, de vordering tot schorsing moet worden verworpen wegens gebrek aan ernstige middelen, met toepassing van artikel 7, § 2 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000; Gezien de nota’s van de eerste en van de tweede verwerende partij; XIV-10.122-4/6 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
- Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat hierboven sub 2.2, laatste considerans werd geoordeeld dat het enige middel niet ongegrond lijkt; dat uit de bespreking ervan integendeel blijkt dat het middel op het eerste gezicht gegrond kan zijn en derhalve ernstig is; 3.2.
- Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat de verzoekende partij aanvoert dat zij bij een gedwongen terugkeer naar Iran het risico loopt te worden vervolgd omwille van haar politieke mening en haar maatschappelijke positie als vrouw die zich verzet tegen uithuwelijking, dat zij aldus een te groot risico loopt te worden onderworpen aan mensonterende en vernederende behandelingen, hetgeen in strijd is met artikel 3 van het E.V.R.M., dat de commissaris-generaal geen oordeel over dit risico heeft geveld zodat niet kan worden uitgesloten dat het risico bestaat, dat de verzoekende partij geen gevaar vormt voor de openbare orde en dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel derhalve als bewezen moet worden beschouwd; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot een zeer algemene herhaling van haar vluchtmotief, zonder nadere gegevens aan te brengen ter staving van de aangevoerde feiten; dat zij daarmee geen werkelijk noch een dreigend persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel aannemelijk maakt; dat zij met haar uiteenzetting niet aantoont dat aan de tweede schorsingsvoorwaarde is voldaan, zodat de vordering tot schorsing moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen Artikel
- De behandeling van het beroep tot nietigverklaring zal worden verdergezet overeenkomstig de artikelen 21 tot
- XIV-10.122-5/6 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-10.122-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.908 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.