← België

Arrest 149909 - - 06/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.909 Rolnummer: A. 166554/XIV-23713 Zaak: Arrest 149909 - - 06/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-11 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-03 01:43 Fiche Arrest nr 149.909 van 6 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.909 van 6 oktober 2005 in de zaak A. 166.554/XIV-23.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende 1050 BRUSSEL, Franklin Roooseveltlaan 156 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Armeense nationaliteit, op 3 oktober 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 september 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2005 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-23.713-1/3 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de derde voorwaarde aanvoert dat het bevel om het grondgebied te verlaten ieder ogenblik kan worden uitgevoerd, dat een gedwongen deportatie op zichzelf een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt, zeker wanneer deze gepaard gaat met de schending van het familiale leven van de verzoekende partij, dat de echtgenote en kinderen van de verzoekende partij niet in het centrum met het oog op repatriëring zijn geplaatst, dat de echtgenote van de verzoekende partij evenmin vrijwillig gevolg kan geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten daar zij onder medische controle staat en in behandeling is, dat het bevel om het grondgebied te verlaten betekent dat de kinderen een schooljaar zullen verliezen en dat dit eveneens een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoeken- de partij en haar echtgenoot zich op 30 december 1999 vluchteling hebben verklaard doch dat hun asielaanvraag met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 maart 2001 is verworpen; dat het schorsings- en annulatieberoep van de verzoekende partij en haar echtgenoot tegen die beslissing is verworpen met ‘s Raads arrest nr. 116.093 van 18 februari 2003; dat de verzoekende partij sedert de betekening van de voornoemde beslissing van de commissaris-generaal van 22 maart 2001 over geen enkele verblijfstitel beschikt en dat zij nooit gevolg heeft gegeven aan het op 3 juli 2000 door de minister van Binnenlandse Zaken gegeven bevel om het grondgebied te verlaten; dat de verzoekende partij integendeel heeft geopteerd voor een onwettig verblijf; dat zij slechts op 3 juni 2003 een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft ingediend; dat de verzoekende partij door op die wijze gedurende meer dan twee jaar een precair verblijf te organiseren alvorens zelfs maar een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen, het XIV-23.713-2/3 voorgehouden nadeel aan haar eigen handelen heeft te wijten en niet aan de tenuitvoerleg- ging van de thans bestreden beslissingen; dat derhalve niet is voldaan aan de derde schorsingsvoorwaarde; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-23.713-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.909 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.