id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.922 Rolnummer: A. 162505/IX-4893 Zaak: Arrest 149922 - - 10/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-18 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-03 01:48 Fiche Arrest nr 149.922 van 10 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.922 van 10 oktober 2005 in de zaak A. 162.505/IX-
- In zake : Tom DE GRAVE, die woonplaats kiest bij advocaat I. EXELMANS, kantoor houdende te KALMTHOUT, Kapellaan 9, bus 1 tegen : de politiezone AALTER - KNESSELARE, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Tom DE GRAVE op 14 mei 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 11 maart 2005 van het politiecollege van de politiezone AALTER- KNESSELARE waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4893-1/23 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. EXELMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Th. EYSKENS die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker was inspecteur van politie bij de politiezone AALTER- KNESSELARE. 1.
- Met een brief van 27 augustus 2004 wordt de voorzitter van het politiecollege van de zone door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent ingelicht over twee feiten waaromtrent de procureur des Konings te Gent een onderzoek instelt lastens verzoeker. De mededeling luidt als volgt : “Mijnheer de Burgemeester, Zonder de verdere afhandeling van de strafprocedure af te wachten, heb ik de eer u nu reeds twee feiten lastens DE GRAVE Tom mede te delen teneinde u toe te laten, zo nodig, een definitieve passende tuchtmaatregel te nemen. Feit 1 : Naar aanleiding van een verhoor van DE GRAVE Tom op 28.6.2004 in een andere zaak (= feit 2) gaf betrokkene toe van op 5.11.2003 een verkeersongeval met stoffelijke schade te hebben veroorzaakt in een staat van strafbare alcoholintoxicatie te Kortrijk. Aldaar ramde hij twee gestationeerde voertuigen. Dit ongeval blijkt zich te situeren in het kader van relatieproblemen. Deze feiten konden niet vroeger worden meegedeeld nu betrokkene aan de politie Kortrijk zijn beroep niet opgaf. Bij navraag bij mijn ambtgenoot te Kortrijk blijkt dit dossier nog in vooronder- zoek te zijn. Feit 2 : Naar aanleiding van de aanhouding te Ursel van een persoon ingevolge een bevel tot gevangenneming verklaarde deze persoon o.a. : ‘een van de vaststellers, een zekere Tom en bestuurder van een Golf 3 en wonende in Eeklo is zelf gebruiker van verdovende middelen. Hij doet dit onder het weekend in het uitgangsmilieu’. Deze Tom werd geïdentificeerd als DE GRAVE Tom, politieinspecteur, in de zone Aalter-Ursel. Uit het verhoor van DE GRAVE Tom blijkt dat hij toegeeft in de loop van 2001 tot 2002 regelmatig in dancings speed te hebben gesnoven. Op vandaag bekent hij ook regelmatig thuis bij een vriend een joint te roken om tot rust te komen (!). Een recent urinetest wijst op gebruik van cannabis. IX-4893-2/23 Door deze handelwijze komt betrokkene te kort aan zijn beroepsplichten en schaadt hij het vertrouwen dat het publiek in de politiediensten moet hebben. Daarenboven, zijn druggebruik druist duidelijk in tegen de wet. Overeenkomstig de delegatie mijn ambt gegeven door het ambt van de procureur-generaal laat ik u hierbij kopie geworden van de processen-verbaal betrekking hebbende op deze 2 feiten.” 1.
- Op 17 september 2004 beslist het politiecollege van de politiezone Aalter-Knesselare - de hogere tuchtoverheid voor verzoeker - een voorafgaand onderzoek te laten gebeuren en commissaris van politie BLANCKE als voorafgaand onderzoeker aan te wijzen; Op 7 oktober 2004 bezorgt de voorafgaand onderzoeker het verslag van het voorafgaand onderzoek en het proces-verbaal van het door hem op 6 oktober 2004 van verzoeker afgenomen verhoor aan het politiecollege. Blijkens dat proces-verbaal van verhoor
(1)verklaart verzoeker dat hij, wat betreft het eerste feit (veroorzaken van een verkeersongeval met stoffelijke schade in staat van strafbare alcoholintoxicatie), niets meer kan verklaren dan wat in de twee opgestelde PV’s vermeld staat en
(2)geeft hij, wat betreft het tweede feit (gebruik van speed en het roken van joints) toe vanaf 2000 tot eind 2002 sporadisch speed te hebben gebruikt en vanaf begin 2002 tot juni 2004 joints te hebben gerookt. 1.
- Middels een ongedateerd document “DOC DISCI 44”, dat zowel bestemd is voor verzoeker als voor zijn korpschef (de gewone tuchtoverheid) en dat verzoeker voor kennisneming en ontvangst aftekent op 15 oktober 2004, deelt de hogere tuchtoverheid mee dat zij beslist heeft zich rechtstreeks met de feiten te belasten en dat de gewone tuchtoverheid ontlast is van die feiten. 1.5.
- Op 15 oktober 2004 beslist de hogere tuchtoverheid, na kennis te hebben genomen van het voorafgaand onderzoek, een inleidend verslag op te stellen waarin de zware tuchtstraf “ontslag van ambtswege” wordt voorgesteld en dat inleidend verslag aan verzoeker te betekenen. Op 9 november 2004 dient de tuchtverdediger van verzoeker een verweerschrift in, waarin onder meer : IX-4893-3/23 - met betrekking tot het eerste feit (verkeersongeval) wordt aangevoerd dat verzoeker binnen de week na het ongeval zijn korpschef van het ongeval heeft ingelicht, met inbegrip van het afleggen van een positieve ademtest; - met betrekking tot het tweede feit (druggebruik) wordt aangevoerd dat de korpschef op 28 januari 2003 een functioneringsgesprek met verzoeker had, dat de korpschef hem op het einde van dat gesprek interpelleerde over zijn privé uitgangsleven en hem vroeg of hij harddrugs gebruikt, en dat verzoeker antwoordde dat hij reeds één jaar was gestopt. 1.5.
- Op 19 november 2004 wordt verzoeker, in aanwezigheid van zijn tuchtverdediger, door de hogere tuchtoverheid gehoord. Tijdens die hoorzitting, waarop ook de korpschef aanwezig is, verklaart verzoeker dat hij een tuchtstraf verdient maar dat hij het sanctievoorstel zwaar vindt; zijn tuchtverdediger voegt daaraan toe dat er naast de feiten ook gekeken moet worden naar de persoon zelf, en naar een aantal verzachtende omstandigheden. 1.
- Op 23 november 2004 beslist de hogere tuchtoverheid de zware tuchtstraf “ontslag van ambtswege” voor te stellen. 1.
- Op 25 november 2004 richt verzoeker een verzoek tot herover- weging aan de tuchtraad. 1.
- Op 12 januari 2005 geeft de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie zijn beschouwingen. Onder voorbehoud van een aantal opmerkingen en vragen met betrekking tot de gevolgde procedure, sluit hij zich aan bij het door de hogere tuchtoverheid geformuleerde strafvoorstel. 1.
- Op 13 januari 2005 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn tuchtverdediger, door de tuchtraad gehoord. De tuchtverdediger van verzoeker legt een verweerschrift neer. Blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting : - vraagt de tuchtverdediger of de korpschef (tevens gewone tuchtoverheid) aanwezig was op de zitting van het politiecollege waarbij de eindbeslissing werd IX-4893-4/23 genomen inzake het voorstel tot zware tuchtsanctie, repliceert de voorzitter van het politiecollege dat de korpschef van ambtswege deel uitmaakt van het politiecollege tenzij hij zich laat vervangen en vraagt de tuchtverdediger daarop de vernietiging van het stuk dat werd opgemaakt naar aanleiding van die zitting van het politiecollege; - bevestigt verzoeker dat hij binnen een week het eerste feit (verkeersongeval) is gaan melden aan zijn korpschef; - wordt beslist dat de zitting wordt voortgezet op 1 februari 2005 en dat de hogere tuchtoverheid de gewenste stukken en toelichtingen schriftelijk zal overmaken. 1.10.
- Met een brief van 25 januari 2005 bezorgt de hogere tuchtoverheid de gewenste stukken en toelichtingen aan de tuchtraad. Met betrekking tot de kennisname van de feiten door de korpschef stelt de hogere tuchtoverheid wat volgt :
(1)de korpschef blijft erbij dat de feiten zoals omschreven in het dossier in verband met het druggebruik van verzoeker hem voor de eerste keer werden bekendgemaakt in het politiecollege van 17 september 2004 waar de brief van de advocaat-generaal werd behandeld; in de functionerings- nota van 28 januari 2003 wordt geen melding gemaakt van druggebruik door verzoeker; die nota werd opgesteld ingevolge meerdere klachten van collega’s inzake zijn slecht functioneren; daarnaast werd door sommige collega’s het gerucht verspreid dat verzoeker drugs zou gebruiken tijdens zijn vermaakuitstappen in het weekend; na het functioneringsgesprek heeft de korpschef verzoeker in kennis gesteld van deze geruchten; verzoeker ontkende drugs te gebruiken; er werd over geen enkel product gesproken en ook de term “harddrugs” werd niet gebruikt; de korpschef heeft ook niet verder aangedrongen gezien er noch getuigen, noch enig bewijs was;
(2)verzoeker heeft na zijn verkeersongeval de korpschef van dat ongeval in kennis gesteld; de korpschef was van mening dat dit, met toepassing van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van het personeel van de politiediensten (hierna : de tuchtwet), kon behandeld worden na een gerechtelijke uitspraak; het politiecollege heeft naar aanleiding van de brief van de advocaat-generaal geoordeeld niet te moeten wachten op het gerechtelijk onderzoek en de twee feiten zelf te kunnen behandelen. Met betrekking tot de ontlasting van de gewone tuchtoverheid stelt de hogere tuchtoverheid wat volgt: de korpschef woonde het politiecollege bij op 17 september 2004 en was aldus op de hoogte van het dossier ten laste van IX-4893-5/23 verzoeker; middels het document “Tucht- Kennisgeving van de ontlasting van de gewone tuchtoverheid” heeft het politiecollege aan de korpschef (en ook aan verzoeker) kennis gegeven dat zij het dossier zelf zal behandelen, ook al was dat document niet absoluut noodzakelijk. Wat betreft de aanwezigheid van de korpschef op de hoorzitting van 19 november 2004 stelt de hogere tuchtoverheid wat volgt: de korpsschef werd uitgenodigd om de hoorzitting bij te wonen, enerzijds gelet op artikel 29 van de wet op de geïntegreerde politie, luidens hetwelk de korpschef de vergaderingen van het politiecollege bijwoont, anderzijds omdat in het verweerschrift werd aangevoerd dat de korpschef op de hoogte zou zijn geweest van de ten laste gelegde feiten; indien dit tijdens de hoorzitting zou worden opgeworpen, was het de bedoeling de korpschef hierover te horen in de vorm van een confrontatie; noch verzoeker, noch zijn verdediger hebben hierover op de zitting gesproken. 1.10.
- Naar aanleiding van de brief van 25 januari 2005, legt de tucht- verdediger van verzoeker een verweerschrift neer. 1.
- Op 1 februari 2005 vergadert de tuchtraad opnieuw. Blijkens het proces-verbaal van die hoorzitting : - stelt de voorzitter van het politiecollege dat de korpschef ambtshalve deel uitmaakt van het politiecollege, dat noch verzoeker, noch zijn verdediger bezwaar hebben gemaakt tegen zijn aanwezigheid tijdens de hoorzitting, dat een onderscheid moet gemaakt worden tussen de zitting en de beraadslaging, en dat de korpschef niet aanwezig was bij de beraadslaging en beslissing inzake het op 23 november 2004 genomen voorstel tot zware tuchtstraf; - repliceert de tuchtverdediger van verzoeker dat de korpschef niet ambtshalve tot het politiecollege hoort, en dat de korpschef en het politiecollege twee aparte organen zijn, elk met hun eigen bevoegdheden; - verklaart de korpschef dat verzoeker het verkeersongeval onder invloed aan hem heeft gemeld en dat zij na een goed gesprek besloten hebben het dossier van de procureur des Konings af te wachten; - bevestigt verzoeker dat hij ook zijn druggebruik heeft toegegeven. 1.
- Op 28 februari 2005 geeft de tuchtraad zijn advies. IX-4893-6/23 1.12.
- Wat betreft de procedure, is de tuchtraad vooreerst van mening dat de tuchtvordering regelmatig werd ingesteld overeenkomstig de termijnbepaling van artikel 56 tuchtwet; met name is hij van mening
(1)dat er, wat betreft feit 1, mocht gewacht worden op de afloop van de strafprocedure en
(2)dat, wat betreft feit 2, noch de gewone, noch de hogere tuchtoverheid kennis had van concrete aanwijzingen van het bestaan van door verzoeker gepleegde drugmisdrijven vóór de kennisname van de brief van de procureur-generaal van 27 augustus
- 1.12.2.. Wat betreft het optreden van de korpschef, wordt onder het luik “de procedure” gesteld wat volgt : “De verdediging houdt voor dat de korpschef zich in deze zaak een bevoegdheid zou toegeëigend hebben die strijdig is met de wettelijke bepalingen inzake de tuchtrechtelijke bevoegdheid van de korpschef en van het politiecolle- ge. Volgens de hogere tuchtoverheid heeft HCP Debaets nooit deelgenomen aan de beraadslagingen van het politiecollege. Zijn enige activiteit binnen het politiecollege beperkte zich (volgens de heer De Crem, voorzitter van het politiecollege) tot de voorbereiding van de zaak die aan het college werd voorgelegd. Artikel 29, tweede lid WGP luidt als volgt : ‘De korpschef van de lokale politie is belast met de voorbereiding van de zaken die aan de politieraad of aan het politiecollege worden voorgelegd en woont de vergaderingen van de raad en het college bij.’ Naar de letter van de wet, was het de korpschef toegelaten te handelen zoals is geschied. De vraag stelt zich of de wetgever bij de goedkeuring van de wet van 7 december 1998 (WGP) in deze bepaling voor ogen heeft gehad dat de korpschef ook op dezelfde wijze zou handelen in tuchtzaken. Immers is de tuchtwet pas tot stand gekomen op 13 mei 1999 en heeft deze tuchtwet tot bijzonderheid dat de korpschef ook de bevoegdheid uitoefent van ‘gewone tuchtoverheid’ die zich in verschillende opzichten onderscheidt van de ‘hogere tuchtoverheid’. Het lag in de bedoeling van de wetgever deze onder- scheiden verantwoordelijkheden strikt van elkaar gescheiden te houden en elke vermenging en/of interferentie tussen beide bevoegdheidsniveaus te vermijden.” 1.12.
- Ten gronde adviseert de tuchtraad dat aan verzoeker het ontslag van ambtswege zou worden opgelegd. 1.
- Op 11 maart 2005 beslist het politiecollege als hogere tuchtover- heid aan verzoeker de zware tuchtstraf “ontslag van ambtswege” op te leggen. Middels een 11 maart 2005 gedateerd document “DOC DISCI 53" wordt die beslissing ter kennis van verzoeker gebracht. IX-4893-7/23
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij opmerkt dat de middelen niet behoorlijk en complex geformuleerd zijn, dat zij niet of nauwelijks gekoppeld kunnen worden aan bepaalde rechtsnormen en dat zij geen deugdelijk verweer mogelijk maken; dat zij voorts betoogt dat de bestreden tuchtstraf opgelegd is voor “feit 2” en dat bijgevolg elke verwijzing naar het oorspronkelijk in de tenlastelegging betrokken “feit 1” buiten de discussie gehouden moet worden; 3.2.
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag erop gewezen heeft dat “reeds bij een eerste lezing en zonder dat de verwerende partij zich op dat vlak heeft kunnen vergissen” blijkt dat het verzoekschrift wel degelijk rechtsmiddelen -de zes hierna onderzochte- bevat; dat de verwerende partij de uiteenzetting van de auditeur niet meer betwist heeft; dat de exceptie niet wordt aangenomen; 3.2.
- Overwegende dat het bestreden besluit stelt dat het ontslag van ambtswege wordt opgelegd “voor de feiten vervat in punt 2” van de consideransen; dat in tegenstelling tot wat de verwerende partij stelt, dat punt twee feiten bevat, te weten de betrokkenheid van verzoeker, met alcoholintoxicatie, in een auto-ongeval en zijn druggebruik; dat de opmerking van de verwerende partij steunt op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing; 4.
- Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in een eerste middel aanvoert wat volgt : ter zitting van de tuchtraad bevestigde de korpschef -de gewone tuchtoverheid voor verzoeker- dat hij door verzoeker werd ingelicht over feit 1 (verkeersongeval met alcoholintoxicatie); wat betreft feit 2 (druggebruik) werd hij, naar aanleiding van een functioneringsgesprek, door de korpschef geïnterpelleerd over zijn privé-uitgangsleven en over zijn druggebruik en werd hij hiervoor op een vaderlijke wijze gewaarschuwd; het feit dat deze waarschuwing niet geformaliseerd werd kan niet aan verzoeker verweten worden; indien de gewone tuchtoverheid - zoals zij zelf heeft aangegeven - op 28 februari IX-4893-8/23 (lees : januari) 2003 reeds geruchten over druggebruik had vernomen, had zij moeten aangeven dat zij die geruchten onvoldoende achtte om een tuchtprocedure op te starten en dat zij eventueel een strafprocedure wenste af te wachten; door verzoeker daarentegen op een vaderlijke wijze een waarschuwing te geven, heeft de gewone tuchtoverheid haar bevoegdheid uitgeput en heeft zij verzoeker “gestraft” voor de feiten van druggebruik tot 28 februari (lees : januari) 2003; ook feit 1 was toen reeds gekend; verzoeker was dan ook van mening dat hij door middel van een officieuze waarschuwing terechtgewezen was voor deze feiten, wat betekend dat hij reeds een tuchtstraf heeft gekregen, zodat de bestreden beslissing ingaat tegen artikel 279 en volgende van het Wetboek van Strafvordering en het beginsel “non bis in idem”. 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met op- merkingen antwoordt wat volgt : artikel 4 van de tuchtwet somt de lichte en de zware tuchtsancties op; de “aanmaning” is geen tuchtsanctie; artikel 4, 1/ van de Tuchtwet kent wel de “waarschuwing”, maar een tuchtsanctie wordt niet vermoed; in zijn advies was de tuchtraad van mening dat de interpellatie van de korpschef moet beschouwd worden als een “vaderlijk informeren” naar niet nader omschreven insinuaties die blijkbaar binnen het korps over de tongen gingen; de tuchtraad heeft daarbij ongetwijfeld rekening gehouden met de consequente en geloofwaardige verklaringen die de korpschef terzake steeds heeft aangehouden, maar nergens is er sprake van een tuchtsanctie, ook niet van een ongeschreven waarschuwing; het is on- duidelijk - en verzoeker verklaart terzake ook niets nader - in welke mate hij de schending van artikel 279 en volgende van het Wetboek van Strafvordering in verband meent te kunnen brengen met het middel; 4.3.
- Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel “non bis in idem”, betrokken op het tuchtrecht, er zich tegen verzet dat iemand voor dezelfde feiten verschillende tuchtstraffen opgelegd krijgt; Overwegende dat verzoeker, om aan te tonen dat hij vóór het bestreden besluit reeds een andere tuchtstraf -een officieuze vermaning- had gekregen, verwijst naar het functioneringsgespek dat hij met zijn korpschef begin 2003 gehad heeft en waarin gesproken zou zijn over zijn druggebruik; dat evenwel de functioneringsnota van 28 januari 2003, die de neerslag vormt van dat gesprek, met geen woord spreekt over de drugproblematiek, laat staan dat er melding zou zijn gemaakt van een terechtwijzing vanwege de korpschef; dat ook geen ander stuk van het dossier erop wijst dat verzoeker ooit voor zijn druggebruik terechtgewezen zou IX-4893-9/23 zijn en dat daarmee de zaak op tuchtrechtelijk vlak als afgehandeld werd beschouwd; dat het opleggen van een tuchtstraf niet vermoed wordt; Overwegende, wat het verkeersongeval met alcoholintoxicatie op 5 november 2003 betreft, dat uit het dossier blijkt dat de korpschef daarover wel degelijk ingelicht is, maar dat hij toen aan verzoeker medegedeeld heeft dat hij het resultaat van het strafonderzoek wenste af te wachten, hetgeen bezwaarlijk kan gezien worden als een beslissing waarmee een tuchtprocedure wordt afgesloten; Overwegende dat het middel, in zoverre het steunt op het beginsel “non bis in idem”, niet ernstig is; 4.3.
- Overwegende dat de verwerende partij terecht erop wijst dat verzoeker niet verduidelijkt op welke wijze het bestreden besluit “artikel 279 en volgende van het Wetboek van Strafvordering” zou miskennen; dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel, waarin in wezen de verjaring van de strafvordering en het onzorgvuldig optreden van de korpschef, zijn gewone tuchtoverheid, aan de orde wordt gesteld, uiteenzet wat volgt : - verzoeker lichtte een week na het verkeersongeval met alcoholintoxicatie zijn korpschef in over dat voorval; indien zij meende op dat ogenblik niet over alle gegevens te beschikken om een tuchtprocedure op te starten, had zij verzoeker op dat ogenblik op formele wijze ter kennis moeten brengen dat zij beslist had de strafprocedure af te wachten, of te wachten totdat zij meende over voldoende gegevens te beschikken; door enerzijds voor te houden dat zij op de hoogte was van feit 1 en door anderzijds voor te houden dat zij niet voldoende op de hoogte was van dat feit, niettegenstaande verzoeker alle nodige inlichtingen en gegevens verschafte, heeft de gewone tuchtoverheid niet enkel artikel 56 van de tuchtwet, maar ook de zorgvuldigheidsplicht geschonden; - indien de korpschef verzoeker schriftelijk had ingelicht dat hij meende over onvoldoende gegevens te beschikken om te beslissen over het al dan niet opstarten van een tuchtprocedure met betrekking tot feit 1, had hij de gewone tuchtoverheid meer gegevens kunnen bezorgen (bijvoorbeeld een kopie van het desbetreffend proces-verbaal); door zonder enige formalisering te beslissen het opsporingsonder- zoek af te wachten, heeft de gewone tuchtoverheid de zorgvuldigheidsplicht geschonden; IX-4893-10/23 - aan de andere kant was de hogere tuchtoverheid blijkbaar niet van oordeel dat toepassing moest gemaakt worden van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet, met andere woorden, dat zij wenste te wachten totdat er een gerechtelijke eind- beslissing werd genomen aangezien zij de tuchtprocedure heeft voortgezet zonder een uitspraak van de strafrechter af te wachten; het staat aldus vast dat noch de gewone, noch de hogere tuchtoverheid toepassing hebben gemaakt van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet, maar wel van artikel 56, eerste lid van de tuchtwet, luidens hetwelk de betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet gebeuren binnen de zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid; aangezien de gewone tuchtoverheid bevestigde dat zij een week na het verkeersongeval kennis nam van feit 1 en eveneens bevestigde dat zij tijdens het functioneringsgesprek verzoeker interpelleerde omtrent feit 2, had zij, zoals voorzien in artikel 32 van de tuchtwet, een vooraf- gaand onderzoeker moeten aanstellen, hetgeen zij niet heeft gedaan, wat een schending inhoudt van enerzijds de zorgvuldigheidsplicht en anderzijds van artikel 32 en artikel 56, eerste lid van de tuchtwet, doordat de tuchtvordering voor zowel feit 1 als voor feit 2 verjaard is; - het feit dat de hogere tuchtoverheid de gewone tuchtoverheid ontlast, betekent uiteraard dat de gewone tuchtoverheid in eerste instantie belast was, met andere woorden, dat de gewone tuchtoverheid eveneens kennis heeft genomen van de feiten; nergens in het inleidend verslag wordt melding gemaakt van de datum van kennisname van de feiten door de gewone tuchtoverheid - hetgeen uiteraard eveneens de nietigheid van het inleidend verslag met zich meebrengt-, met als rechtstreeks gevolg dat verzoeker gerechtigd is op te werpen dat de tucht- vordering vervallen is conform artikel 56, eerste lid van de tuchtwet; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt wat volgt : de bewering van verzoeker dat hij zijn korpschef op 28 januari 2003 op de hoogte zou gesteld hebben van zijn harddrug- verleden wordt, daargelaten het feit dat verzoeker sinds die datum volgens eigen bewering een geregeld cannabisgebruiker is, tegengesproken door de bevindingen van de tuchtraad en wordt met klem ontkend; artikel 56, tweede lid van de tuchtwet is duidelijk gesteld en behoeft als zodanig geen interpretatie; de wet maakt de toepassing van die uitstelregeling niet afhankelijk van een voorafgaande verwittiging door het bestuur; voor de toepassing van die uitstelregeling, is het van geen belang of het bestuur de tuchtzaak op grond van een eigen onderzoek op gang kan brengen; overeenkomstig artikel 38 van de tuchtwet heeft de hogere tuchtoverheid de eigen IX-4893-11/23 bevoegdheid om met betrekking tot feiten waarvan zij kennis krijgt een vooronder- zoek te bevelen en een inleidend verslag te laten opstellen, bevoegdheid waarvan zij in casu gebruik heeft gemaakt; verzoeker ontkracht het advies van de tuchtraad niet waarop de bestreden beslissing steunt; 5.3.
- Overwegende dat artikel 32, eerste lid van de tuchtwet luidt als volgt : “De gewone tuchtoverheid die feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er kennis van krijgt, stelt een inleidend verslag op na eventueel een onderzoek te hebben bevolen”; Overwegende dat artikel 56 van de tuchtwet luidt als volgt : “De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is”; Overwegende dat artikel 56, tweede lid, het ingaan van de vervaltermijn voor het instellen van de tuchtvordering in de daar genoemde gevallen uitstelt tot op het ogenblik van de kennisneming van de eindbeslissing van de gerechtelijke overheid; dat de wet de toepassing van die bepaling niet afhankelijk stelt van een voorafgaande verwittiging door het bestuur; 5.3.
- Overwegende, wat feit 1 betreft, dat uit het dossier blijkt dat verzoeker de gewone tuchtoverheid ingelicht heeft over de feiten, maar dat hij zijn korpschef evenzeer ingelicht heeft van de tussenkomst van de politie zodat deze toen, in acht genomen artikel 56, tweede lid van de tuchtwet, terecht kon besluiten dat hij met de redactie van het inleidend verslag mocht wachten tot aan de kennisneming van de uitslag van het opsporingsonderzoek waartoe het politieoptreden aanleiding gaf; dat, net zo min als de tuchtoverheid er absoluut toe verplicht is een tuchtzaak uit te stellen wanneer een strafonderzoek loopt, de tuchtwet de tuchtoverheid niet lijkt te beletten om, nadat zij besloten heeft de uitspraak op strafrechtelijk vlak af te wachten, de uitspraak op strafrechtelijk vlak toch niet langer af te wachten omdat zij over voldoende gegevens beschikt om de tuchtprocedure af te handelen; dat derhalve IX-4893-12/23 uit het instellen van de tuchtvordering vooraleer op strafrechtelijk vlak een uitspraak gedaan is, niet afgeleid mag worden dat het bestuur als het ware verzaakt aan de bescherming die artikel 56, tweede lid, biedt en dat de berekening van de verjaring- stermijn opnieuw zou gebeuren overeenkomstig artikel 56, eerste lid; Overwegende dat, met betrekking tot de tuchtvervolging voor het eerste feit, er geen schending wordt vastgesteld van artikel 56 van de tuchtwet of van het zorgvuldigheidsbeginsel; 5.3.
- Overwegende, wat het tweede feit betreft, dat er geen formeel bewijs voorligt dat de korpschef in januari 2003 een voldoende kennis zou gehad hebben van het druggebruik van verzoeker om hem dat in een tuchtprocedure ten laste te leggen; dat met name enkel blijkt dat de korpschef naar aanleiding van het functioneringsgesprek in januari 2003 met verzoeker gesproken heeft over binnen het korps levende geruchten over zijn druggebruik; dat de kennisneming van dergelijke geruchten op zich evident de verjaringstermijn, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet niet kunnen doen ingaan; dat, gelet op zijn discretionaire bevoegdheid ter zake, aan de korpschef ook niet verweten kan worden dat hij, in de omstandig- heden zoals die blijken uit het voorgelegd dossier, louter op basis van geruchten binnen het korps geen gebruik gemaakt heeft van hem door artikel 32 van de tuchtwet geboden mogelijkheid om een voorafgaand onderzoek te bevelen; dat ook te dien aanzien geen schending wordt vastgesteld van de artikelen 32 en 56 van de tuchtwet, noch van het zorgvuldigheidsbeginsel; Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; 6.
- Overwegende dat verzoeker een derde middel richt tegen het bijwonen, door de korpschef, van de zittingen van het politiecollege over zijn tuchtzaak; dat hij uiteenzet wat volgt : de gewone tuchtoverheid was op de zittingen van het politiecollege van 19 november 2004 en 23 november 2004 aanwezig, hoewel zij toen reeds van het dossier ontlast was; de verwerende partij toont niet aan dat de korpschef, hoewel hij niet tot het politiecollege behoort, niet aan de besluitvorming deelgenomen heeft; in artikel 17 van de tuchtwet wordt bepaald dat de gewone tuchtoverheid de lichte tuchtstraffen oplegt en de hogere tuchtoverheid de zware tuchtstraffen; de artikelen 19 en 20 van de tuchtwet bepalen aan welke ambten de hoedanigheid van gewone of hogere tuchtoverheid wordt verleend; beide tuchtover- heden putten hun strafbevoegdheid rechtstreeks uit de wet; die bevoegdheid kan niet IX-4893-13/23 worden gedelegeerd; ook de tuchtraad heeft daarover opmerkingen geformuleerd; door de bevoegdheden van de gewone en de hogere tuchtoverheid met de voeten te treden, zijn niet enkel de rechten van verdediging geschonden maar is er eveneens sprake van machtsafwending en schending van de objectiviteit; bovendien is de bestreden beslissing aldus genomen in strijd met de artikelen 17, 19 en 20 van de tuchtwet, met de artikelen 11 en 23 van de wet op de geïntegreerde politie en met het zorgvuldigheidsbeginsel; 6.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen antwoordt wat volgt : de korpschef heeft niet deelgenomen aan de besluitvorming van het politiecollege; de tuchtraad heeft bevestigd dat die aanwezig- heid besloten ligt in artikel 29 van de Octopuswet, hij heeft daar wel een kanttekening bij geplaatst, maar die kanttekening kan niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden; het valt niet in te zien op welke wijze het naleven van de wet kan leiden tot de gegrondheid van het middel; verzoeker werpt geen belangenvermenging op in hoofde van de korpschef en hij heeft tijdens de hoorzitting van 19 november 2004 geen opmerking gemaakt over de aanwezigheid van de korpschef; in ieder geval heeft de tuchtraad als onafhankelijke instantie een volledig onderzoek aan de zaak gewijd en een advies verleend, verzoeker heeft zijn rechten van verdediging, zijn recht op ‘objectiviteit’ en zijn recht op de naleving van het zorgvuldigheidsbeginsel perfect kunnen laten gelden voor de tuchtraad; het is een open vraag met welk oogmerk de verwerende partij haar macht zou hebben afgewend en het is onduidelijk op welke wijze al de ingeroepen beginselen zouden geschonden zijn voor de heroverwegingsprocedure bij de tuchtraad; 6.3.
- Overwegende dat uit het dossier blijkt dat de korpschef niet aanwezig was op de vergaderingen van 23 november 2004 en van 11 maart 2005 waarop het politiecollege besliste aan verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen, maar dat hij wel aanwezig was toen het politiecollege besloot een vooraf- gaand onderzoek in te stellen -vergadering 17 september 2004- en een inleidend tuchtverslag op te stellen met het voorstel tot ambtshalve ontslag -vergadering 15 oktober 2004- evenals op de hoorzitting van 19 november 2004; 6.3.
- Overwegende dat krachtens artikel 29, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP), de korpschef de vergaderingen van het politiecollege bijwoont; dat, nu de tuchtwet die algemene bepalingen niet expliciet aangepast heeft IX-4893-14/23 voor de vergaderingen van het politiecollege in tuchtaangelegenheden, de aanwezig- heid van de korpschef niet strijdig is met de wet; dat verzoeker ook geen algemeen rechtsbeginsel aanwijst dat zich ertegen zou verzetten dat, principieel, de korpschef de vergaderingen van het politiecollege zetelend als tuchtorgaan bijwoont; dat evidenter de korpschef geen lid is van het politiecollege zodat zijn aanwezigheid er wel niet toe mag leiden dat hij op de besluitvorming zelf gaat wegen en daarmee de bevoegdheden van de leden van het college aantast; dat zulks evenwel in de onderhavige zaak niet het geval geweest blijkt te zijn; Overwegende dat het middel, ontleend aan de schending van de artikelen 17, 19 en 20 van de tuchtwet en de artikelen 11 en 23 WPG niet ernstig is; dat verzoeker niet concreet aanwijst op welke wijze de overige normen die hij in zijn verzoekschrift aanvoert door de verwerende partij miskend zouden zijn; Overwegende dat het derde middel niet ernstig is; 7.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel betoogt dat het door de hogere tuchtoverheid bevolen voorafgaand onderzoek nietig is; dat hij te dien aanzien erop wijst dat de aanstelling van de voorafgaand onderzoeker gebeurde op een vergadering van het politiecollege waar de gewone tuchtoverheid bij aanwezig was en dat het aanstellingsbesluit daarom onregelmatig is; dat hij voorts betoogt dat de voorafgaand onderzoeker geen echt onderzoek gevoerd heeft, met name een onderzoek ten laste en ten ontlaste, dat hij zich bijgevolg in het kader van dat voorafgaand onderzoek niet heeft kunnen verdedigen waardoor zijn rechten van verdediging, artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2000 tot uitvoering van de tuchtwet (hierna : het tuchtbesluit) en de artikelen 32 en 38 van de tuchtwet geschonden zijn; 7.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt dat verzoeker wel degelijk door de voorafgaand onderzoeker gehoord is -op 6 oktober 2004-, dat hij niet concreet maakt hoe zij artikel 10 van het tuchtbesluit miskend zou hebben; dat zij vervolgens verwijst naar de bespreking van het derde middel; 7.
- Overwegende dat, zoals bij de bespreking van het derde middel reeds is aangegeven, de aanwezigheid van de korpschef op de vergadering waarop het politiecollege besloten heeft een voorafgaand onderzoek in te stellen, op zich IX-4893-15/23 geen onregelmatigheid vormt; dat verzoeker ook in concreto niet aanduidt waarom, in dit geval, de aanwezigheid van de korpschef wel als een onregelmatigheid zou moeten worden beschouwd die de genomen beslissing vitieert; Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat het politiecollege op 17 september 2004 besloten heeft een voorafgaand onderzoek te laten gebeuren en een voorafgaand onderzoeker aan te stellen en dat aan verzoeker formeel medegedeeld is dat het onderzoek ten laste en ten ontlaste zou worden gevoerd binnen de grenzen van artikel 25 van de tuchtwet en artikel 10 van het tuchtbesluit; dat de voorafgaand onderzoeker een onderzoek ingesteld heeft over alle punten die hij verhelderd wenste te zien en die in een aantal gevallen ook in het voordeel van verzoeker waren; dat verzoeker uiteindelijk verklaard heeft dat hij, wat feit 1 betreft, niets meer kan toevoegen aan de processen-verbaal en dat hij, wat feit 2 betreft, toegeeft tussen 2000 en eind 2002 sporadisch speed te hebben gebruikt en van begin 2002 tot juni 2004 joints te hebben gerookt maar nooit in groep of in aanwezigheid van minderjarigen; dat niet wordt ingezien op welk vlak in het voorafgaand onderzoek het aspect ten ontlaste verwaarloosd zou zijn en de rechten van verdediging van verzoeker geschonden; Overwegende dat het middel niet ernstig is; 8.
- Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel de schending aanvoert van de formele en de materiële motiveringsverplichting; dat in het zesde middel, dat daarmee verweven is, de schending van het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel wordt aangevoerd; Overwegende dat verzoeker in het kader van het vijfde middel betoogt wat volgt : de zeer zware tuchtstraf die opgelegd is verantwoordt een nauwkeurige en precieze motivering; de bestreden beslissing is algemeen gebaseerd op de mening van de tuchtoverheid dat verzoeker zich als politieambtenaar moet onthouden van de gedragingen die hem ten laste worden gelegd; die mening wordt tegengesproken door het standpunt van de procureur, die uiteindelijk een gerechtelijke eindbeslissing heeft genomen waarbij de strafvordering is komen te vervallen; de verwijzing naar de ernst van de feiten volstaat niet als motivatie in concreto, zeker niet nu verzoeker ondertussen heeft aangetoond dat hij zijn gedrag heeft bijgestuurd en nu de hogere tuchtoverheid zelf de feiten niet als zeer ernstig heeft gekwalificeerd, vermits zij verzoeker toegelaten heeft om tijdens de tuchtproce- IX-4893-16/23 dure zijn interventies te blijven uitoefenen, zonder ooit enige opmerking te maken, enige voorwaarde te stellen of verzoeker in het bijzonder “in het oog te houden”; daaruit kan rechtstreeks afgeleid worden dat de hogere tuchtoverheid van mening was dat verzoeker nog over de vereiste kwaliteiten beschikte om zijn status van politieambtenaar te handhaven; hij had dan ook niet verwacht dat er aan zijn gedrag zulk een zware sanctie zou worden verbonden; de dubbelzinnige houding van het bestuur heeft verzoeker verschalkt en maakt, naast een schending van de motiveringsplicht, tevens een schending van de zorgvuldigheidsplicht uit; Overwegende dat verzoeker zijn zesde middel als volgt toelicht : in een advies van de tuchtraad baseerde deze zich ooit op het feit dat de betrokkene, na het tuchtfeit, niet voorlopig werd geschorst om tot de conclusie te komen dat het gedrag en de aanwezigheid niet in strijd werden geacht met het belang van de dienst en dat hij aldus verder kon worden ingeschakeld bij de taakuitoefening van het politiekorps; uit een arrest van de Raad van State blijkt dat een ontslag van ambtswege kan worden opgelegd niettegenstaande er geen voorlopige schorsing was aan voorafgegaan, indien de betrokkene sinds de feiten nauwgezet in de gaten moest worden gehouden, hetgeen aantoont dat hij zijn taak als politiecommissaris niet naar behoren kan uitoefenen; in casu werd verzoeker niet speciaal geviseerd, noch werd er gewag gemaakt van het feit dat hij nauwgezet in de gaten moest worden gehouden; hij ontving integendeel tijdens deze periode nog felicitaties en voerde hij zijn functie uit naar ieders tevredenheid; verzoeker betwist niet dat de feiten ernstig zijn; hij is evenwel tot inkeer gekomen en de strafrechter heeft beslist de zaak te seponeren; de hogere tuchtoverheid moet bij het opleggen van de tuchtsanctie rekening houden met de mening van de strafrechter, die oordeelde dat de feiten niet zodanig ernstig waren dat hij vervolgd diende te worden; verzoeker heeft er in zijn verdediging voor de tuchtraad meermaals op gewezen dat hij ten tijde van het plegen van de feiten een zeer moeilijke relationele periode doormaakte, hij heeft een onberispelijk tuchtverleden en hij heeft na het plegen van de feiten en na de kennis- name ervan door de overheid zijn functie zoals voorheen uitgevoerd, zodat bezwaarlijk kan worden gesteld dat de feiten, die zich situeerden in zijn privé-leven, een weerslag zouden gehad hebben op de dienst; de kans op recidive is nihil; hij werd na kennisname van de feiten noch door de gewone tuchtoverheid, noch door de hogere tuchtoverheid geschorst, en dus lijken de feiten niet van aard dat ze alle professionele samenwerking verhinderen; hij ontving overigens positieve evaluaties en zijn collega’s zijn zeer positief over zijn beroepsuitoefening; de feiten hebben geen definitieve verstoring ten aanzien van zijn beroep met zich meegebracht en doen geen IX-4893-17/23 afbreuk aan zijn professionele kwaliteiten, zeker niet nu hij tot inkeer gekomen is; eerder dan de feiten in te schatten enkel op grond van de strafrechtelijke kwalificaties, moet de tuchtstraf bepaald worden in functie van de concrete beoordeling; ten titel van bijzonder strenge waarschuwing zou het aangewezen geweest zijn een sanctie uit te spreken die zich situeert onmiddellijk lager dan de bestreden sanctie; gelet op het voorgaande staat het vast dat de opgelegde straf apodictisch is; 8.
- Overwegende dat de verwerende partij opmerkt wat volgt : de feiten die voorliggen zijn duidelijk door het bestuur vastgesteld én zijn niet betwist; de ernst van de feiten is evenmin betwist in de mate dat verzoeker bevestigt dat zij een zware tuchtsanctie rechtvaardigen; verzoeker betwist enkel de strafmaat binnen de categorie van de zware tuchtsancties; de Raad van State kan enkel een kennelijk onredelijke verhouding tussen de vastgestelde feiten en de strafmaat sanctioneren, maar verzoeker beweert niet dat er terzake een “kennelijke onredelijkheid” is; blijkens het advies van de tuchtraad is wel degelijk rekening gehouden met het gegeven dat verzoeker na 28 juni 2004 geen drugs heeft gebruikt, heeft de tuchtraad eveneens oog gehad voor het gegeven dat de strafvordering geresulteerd heeft in een minnelijke schikking en is verzoekers druggebruik wel degelijk publiek gekend geworden en daarom ook uitermate laakbaar; uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt helemaal niet dat het bestuur enkel een zware tuchtsanctie kan opleggen aan een personeelslid dat niet preventief geschorst is, voor zover het bestuur dat personeelslid al die tijd nauwgezet in het oog heeft gehouden. 8.3.
- Overwegende dat de tuchtraad in zijn advies aangegeven heeft dat de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege slechts mogelijk is voor zwaarwichtige feiten die elke vorm van samenwerking met het personeelslid onmogelijk maken omdat het vertrouwen in de betrokkene onherstelbaar geschonden is en dat dergelijke zware sanctie niet terdege verantwoord wordt door de loutere affirmatie dat het vertrouwen niet meer hersteld kan worden en dat elke vorm van samenwerking definitief onmogelijk is; dat, in het kader van de vraag naar de motivering van het tuchtstrafbesluit, de Raad van State die redenering onderschrijft; dat de tuchtraad vervolgens uit de stukken van het dossier dat hem voorlag een aantal elementen heeft gehaald die volgens hem het ambtshalve ontslag wel degelijk konden rechtvaardigen; dat die uiteenzetting luidt als volgt : “Oordelend op grond van de voorliggende stukken komt de tuchtraad tot volgende overwegingen : - wat Feit 1 betreft : (...) IX-4893-18/23 Sturen in staat van alcoholintoxicatie is laakbaar, doch de concrete omstan- digheden van dit vergrijp (verkeersongeval met materiële schade) zijn niet van aard dat hierdoor de vertrouwensband met de overheid in vraag werd gesteld. - wat Feit 2 betreft : Het is duidelijk dat de zwaarwichtigheid van de op te leggen tuchtsanctie in overgrote mate wordt bepaald door deze tenlastelegging. In de brief van de procureur des Konings te Gent van 23 augustus 2004, waarbij deze feiten ten laste van INP DE GRAVE werden aangebracht, staat te lezen dat een persoon ter gelegenheid van zijn gevangenneming verklaarde dat ‘één van de vaststellers zelf gebruiker is van verdovende middelen’ (stuk 3 en de verklaring van deze persoon, stuk 42). Uiteindelijk moet vastgesteld worden dat de strafvordering van de procureur des Konings voor deze feiten resulteerde in een minnelijke schikking van 300 euro die op 19 januari 2005 door INP DE GRAVE werd betaald. Indien de strafrechter een gunstmaatregel toestaat moet de tuchtrechter die desondanks een zware tuchtstraf oplegt, bijzonder motiveren op grond waarvan deze zware straf wordt opgelegd. Hetzelfde principe moet worden gevolgd wanneer het parket de strafvordering beëindigt met een voorstel tot minnelijke schikking. INP DE GRAVE geeft toe dat hij bij herhaling drugs heeft gebruikt (van begin 2001 tot 28 juni 2004). Dit langdurig gebuik situeert zich niet uitsluitend in de privé-sfeer. Betrokkene verklaart zelf dat dit ook gebeurde gedurende zijn uitgangsleven (op een fuif, in dancings). Daar deze feiten plaatsvonden op verschillende locaties, die zelfs buiten de omschrijving van de Politiezone Aalter-Knesselare gesitueerd zijn, hypothe- keert een dergelijk gedrag de goede naam van de politiediensten in het algemeen en beperkt de impact ervan zich niet enkel binnen de eigen lokale werksfeer. De personen behorende tot de kennissenkring van INP DE GRAVE (die zeker op de hoogte waren van zijn beroepsbezigheden) hebben derhalve moeten vaststellen dat betrokkene zich niet heeft gedragen zoals het een politieambtenaar past. Dat deze vaststelling de kennissenkring overstijgt, bewijst de verklaring van DE SMET Steven die bij zijn aanhouding INP DE GRAVE aanduidt als een gebruiker van verdovende middelen. Door deze laatste verklaring wordt niet alleen INP DE GRAVE in opspraak gebracht, maar ook de politiedienst als dusdanig. De feiten op zich tonen aan in welke mate het druggebruik van INP DE GRAVE door derden in verband wordt gebracht met zijn ambtsuit- voering. Het is duidelijk dat DE SMET zich afvraagt in welke mate bij zijn aanhouding kan worden opgetreden door een politieambtenaar die ‘tijdens het weekend in het uitgangsleven’ drugs gebruikt. Door zijn laakbaar gedrag heeft INP DE GRAVE zonder twijfel de eerbaarheid en de reputatie van de politiediensten in diskrediet gebracht. Vanuit het standpunt van de overheid moet de politieambtenaar voldoen aan een verwachtingspatroon op grond waarvan aan deze ambtenaar op elk ogenblik politietaken kunnen worden opgedragen, zonder dat de gerechtelijke overheden of de burger zich vragen moeten stellen met betrekking tot zijn betrouwbaarheid. Burgers en gerechtelijke overheden moeten er onvoorwaardelijk kunnen op vertrouwen dat elke politieambtenaar de belangen van de rechtsorde dient en dat de politiediensten hierbij personeelsleden inzet die dit vertrouwen waard zijn. De verzachtende omstandigheden zijn volgens de tuchtraad niet van aard om af te wijken van het strafvoorstel. IX-4893-19/23 Indien op grond van deze verzachtende omstandigheden een mildere tuchtstraf zou worden opgelegd, zou dit tot gevolg hebben dat het ver- trouwen dat de overheid moet uitstralen niet langer onvoorwaardelijk wordt gegarandeerd. De overheid heeft tot taak alles in het werk te stellen om dat vertrouwen ongeschonden te houden. Het ontslag van ambtswege, dat door de tuchtoverheid werd voorgesteld op grond van haar discretionaire bevoegdheid, is volgens de tuchtraad kennelijk in redelijke verhouding tot de begane fouten”; Overwegende dat het bestreden besluit dan het ontslag van verzoeker als volgt verantwoordt : “Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier : (...) meen ik dat deze feiten een tuchtvergrijp uitmaken. Het statuut van de politieambtenaar waarborgt dat de personeelsleden hun houding en hun gedrag, zowel in de uitoefening van hun ambt als daarbuiten, permanent afstemmen op de essentiële deontologische normen en er zorg voor dragen dat zij nooit aanleiding geven tot enige dubbelzinnigheid op dit vlak. Van de personeelsleden wordt verwacht dat zij blijk geven van een volstrekte onkreukbaarheid en integriteit. De goede werking van de politiediensten en het welslagen van haar acties vereisen dat haar personeelsleden de deontologische plichten en (wetten) inherent aan hun staat onvoorwaardelijk naleven. Tijdens de hoorzitting van de tuchtraad bevestigde INP DE GRAVE dat gedurende zijn basisopleiding deze deontologische normen uitdrukkelijk werden besproken. Er kan derhalve geen enkele twijfel overblijven over het feit dat INP DE GRAVE wist hoe hij zich als politieambtenaar moest gedragen of bepaalde gedragingen moest vermijden. Krachtens art. 132 WGP vermijdt het personeelslid elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of strijdig is met de waardigheid van het ambt. Als politieambtenaar had INP DE GRAVE de verplichting te allen tijde en in alle omstandigheden bij te dragen tot het doen naleven van de wet. Omdat de personeelsleden van de politiediensten instaan voor de bescherming van de rechtsorde, dienen deze zich ook in hun privé-leven zodanig te gedragen dat hun gedrag geen negatieve weerslag heeft op hun ambtsuitoefening. De waardigheid van het ambt wordt geschonden wanneer een personeelslid zich zelf plichtig maakt aan strafbare feiten die door dat personeelslid moeten worden opgespoord. Met betrekking tot feit 1 : Door het besturen van een voertuig op de openbare weg in staat van alcoholintoxicatie, zelfs buiten dienstverband, heeft INP DE GRAVE zich niet gedragen zoals het een personeelslid van een politiedienst past. De niet aflatende inspanningen van de betrokken overheden tegen het sturen onder invloed van alcohol en de inzet van de politiediensten bij dergelijke acties staan in schril contrast met het gedrag van INP DE GRAVE, die zelf werd geverbaliseerd als bestuurder van een voertuig op een ogenblik dat de ademtes- tanalyse wees op een intoxicatie van 0,41 mG/L, zijnde een resultaat dat in belangrijke mate de toelaatbare grens overschreed. De goede naam van de politiediensten komt in het gedrang indien de burger wordt gecontroleerd en geverbaliseerd door een politieambtenaar die zelf verzuimt de meest elementaire normen inzake verkeersveiligheid te respecteren. Met betrekking tot feit 2 : IX-4893-20/23 Door zich schuldig te maken aan druggebruik heeft INP DE GRAVE manifest gehandeld en in strijd met de wet en in strijd met de regels inzake zijn statuut. De drugvergrijpen verdienen een bijzondere afkeuring. Meer dan wie ook moest INP DE GRAVE weten welke inspanningen door de gerechtelijke overheden en door de politiediensten worden geleverd om de drugmisdrijven te bestrijden. Door zich als politieambtenaar niet te storen aan deze doelstellingen heeft INP DE GRAVE deze elementaire regels in ernstige mate overtreden. De gepleegde feiten zijn in strijd met de minimale behoorlijke levenswandel die van elke politieambtenaar wordt vereist. Ook deze feiten vertonen een nauwe band met het ambt in die mate dat van de politiediensten een bijzondere inspanning wordt verwacht om deze vorm van criminaliteit te beteugelen. Bij de beoordeling van de zwaarwichtigheid van dit specifieke tuchtvergrijp moet daarenboven opgemerkt worden dat INP DE GRAVE tijdens de uitoefening van zijn ambt door een aangehouden persoon werd aangewezen als druggebruiker, omstandigheid die op zich bewijst dat door het gedrag van INP DE GRAVE het vertrouwen in de politiediensten in ernstige mate werd geschonden. INP DE GRAVE is personeelslid van een politiedienst. Die hoedanigheid houdt in dat hij zich ertoe verbindt om alles in het werk te stellen met het oog op het doen naleven van de orde en de wet. Door zijn gedrag heeft hij het verwachtingspatroon dermate geschonden dat hij het vertrouwen in zijn persoon en in de politiediensten onherstelbaar heeft beschaamd”; 8.3.
- Overwegende dat die genuanceerde uiteenzettingen, concreet toegespitst op de zaak van verzoeker, een deugdelijke verantwoording vormen voor het ontslag van verzoeker; 8.3.
- Overwegende dat de overheid, bij het bepalen van de strafmaat, rekening moet houden met de persoonlijke situatie van de ambtenaar, maar ook, en in de eerste plaats zelfs, met het belang van de dienst waarvoor zij instaat; dat het in dit geval gaat om een dienst die in de eerste plaats belast is met het voorkomen en het opsporen van misdrijven; dat vanuit dat oogpunt en ook omdat elke misdraging van de personeelsleden onmiddellijk afstraalt op de gehele dienst, de politieambtenaar een voorbeeldfunctie heeft zodat het bestuur met betrekking tot elk van hen een streng verwachtingspatroon mag hanteren, ook ten aanzien van hun levenswandel buiten de dienst; dat zulks gevolgen heeft voor de beoordeling van de strafmaat voor een tuchtinbreuk, inzonderheid ten aanzien de vraag of de noodzakelijke vertrouwens- relatie tussen de ambtenaar en het bestuur onherroepelijk verstoord is; dat, in dat kader, het niet onredelijk is om, zelfs al situeert het gebeuren zich in een strikte privé- sfeer, het gebruik van drugs te beschouwen als een gegeven dat de betrouwbaarheid van de betrokkene ernstig aantast, inzonderheid omdat het gebruik van drugs onmogelijk is zonder dat de betrokkene zich ten overstaan van de milieus die de drugs verhandelen in een zwakke positie plaatst; dat te dezen overigens vastgesteld wordt dat het druggebruik van verzoeker in het verleden zelfs niet beperkt was tot IX-4893-21/23 de strikte privé-sfeer; dat verzoeker ook ten onrechte verwijst naar het feit dat de verwerende partij hem na de kennisneming van de feiten gewoon in dienst gehouden heeft, dat zij hem met andere woorden, niet preventief geschorst heeft; dat zulks op zich evenwel de onwettigheid van de ontslagmaatregel niet aantoont; dat de wet van de preventieve schorsing ook geen voorafgaande voorwaarde heeft gemaakt om een personeelslid definitief uit de dienst te verwijderen; dat het niet gebruik maken van de mogelijkheid om een personeelslid preventief uit de dienst te verwijderen omdat zijn aanwezigheid tijdens het tuchtonderzoek niet geduld kan worden, het bestuur niet belet om, na diepgaand onderzoek van de zaak en het aanhoren van de verdediging -ook ten aanzien van de impact van de feiten op de werking van de dienst- toch te besluiten dat de betrokkene daar niet langer kan functioneren; 8.3.
- Overwegende dat ook het vijfde en zesde middel niet ernstig zijn;
- Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig zijn, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-4893-22/23 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien oktober 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4893-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.922 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.290 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div