← België

Arrest 149923 - - 10/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.923 Rolnummer: A. 162323/IX-4885 Zaak: Arrest 149923 - - 10/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 01:49 Fiche Arrest nr 149.923 van 10 oktober 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.923 van 10 oktober 2005 in de zaak A. 162.323/IX-

  1. In zake : Peter DE BEUCKELAERE, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55/A 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter DE BEUCKELAERE op 9 mei 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 10 maart 2005 waarbij zijn schorsing bij ordemaatregel wordt verlengd tot uiterlijk zes maanden na het einde van de rechtsvordering; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DE KETELAERE die, loco advocaat P. MALUMGRE verschijnt voor de verzoekende partij, en van IX-4885-1/7 luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak uiteengezet zijn in het arrest nr. 144.780 van 23 mei 2005 waarbij de vordering tot schorsing van het ministerieel besluit van 8 november 2004 houdende de schorsing bij ordemaatregel van verzoeker voor de duur van drie maanden wordt verworpen; dat met het thans bestreden koninklijk besluit nr. 5414 van 10 maart 2005, de verwerende partij de preventieve schorsing van verzoeker verlengt “tot uiterlijk zes maanden na het einde van de rechtsvordering”; dat dit besluit de volgende motivering bevat : “Overwegende dat betrokkene bij ministerieel besluit nummer 86117 van 8 november 2004 geschorst werd bij ordemaatregel voor een duur van drie maanden; Overwegende dat de schorsing bij ordemaatregel een aanvang nam op 14 december 2004; Overwegende dat deze beslissing voorzag dat de schorsing bij noodzaak eventueel verlengd kon worden; Overwegende dat het gerechtelijk onderzoek nog steeds lopende is en dat de aanwezigheid van betrokkene nog steeds nadelig kan zijn voor de tucht binnen de eenheid en de goede naam van de krijgsmacht, zoals reeds uiteengezet in het ministerieel besluit nummer 86117 van 8 november 2004”;
  3. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  4. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker betoogt dat, behoudens het feit dat hij op 14 december 2004 door een informatiecommissie gehoord is, zijn toestand sinds zijn initiële schorsing niet gewijzigd is en dat de bestreden verlenging van zijn preventieve schorsing hem een moeilijk te herstellen ernstig moreel nadeel berokkent doordat zijn krediet bij IX-4885-2/7 collega’s en publiek kan teloorgaan terwijl een eventueel vernietigingsarrest, rekening houdend met de opeenvolgende schorsingen die hem reeds werden opgelegd en met het feit dat de hier bestreden schorsing van lange duur zal zijn, de morele schade niet zal herstellen; dat hij herhaalt dat het onduldbaar is dat hij zonder enig bewijs als een corrupt officier gestigmatiseerd wordt en dat een vernietigingsarrest alleen, het nadeel dat hij ondervindt niet zal herstellen; dat hij besluit dat de bezoedeling van zijn reputatie, door een onwettige beslissing, een nadeel is dat toelaat voorbij te gaan aan de gebruikelijke opvatting dat een preventieve schorsing voor de betrokkene geen moeilijk te herstellen nadeel met zich brengt; 3.
  5. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet dat verzoeker niet concreet aanduidt welke elementen in zijn geval toch het tot het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen doen besluiten, dat reeds geoordeeld werd dat een preventieve schorsing geen uitspraak bevat over zijn schuld en dat de schorsingsvoorwaarden dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangetoond moet worden en dat ernstige middelen aangevoerd moeten worden, niet verward mogen worden; 3.3.
  6. Overwegende dat, zoals reeds in het arrest nr. 144.780 van 23 mei 2005 gesteld, een preventieve schorsing in het belang van de dienst, ook wanneer zij verbonden is met een strafvervolging tegen de betrokken ambtenaar, een ordemaatregel is zonder tuchtrechtelijk karakter waarin geen standpunt wordt ingenomen over de schuld van de betrokkene; dat daarom aangenomen wordt dat het nadeel dat dergelijke maatregel veroorzaakt goedgemaakt wordt door een vernietigingsarrest, tenzij de betrokkene aantoont dat zijn geval buiten het gewone ligt; 3.3.
  7. Overwegende dat het verlengen van een preventieve schorsing om een striktere beoordeling van het nadeel vraagt, zeker wanneer de schorsing gekoppeld wordt aan een nog niet afgerond strafonderzoek; dat immers de verlenging slechts mogelijk is in het bijzonder geval dat het bestuur, na actualisering van de toestand, van oordeel is dat het dienstbelang nog altijd vereist dat de betrokkene het werk niet herneemt, terwijl het nog niet in staat is de tuchtzaak af te handelen omdat het de gegevens van het strafonderzoek nog niet kent; dat, met dat gegeven voor ogen, het wel aannemelijker wordt dat de omgeving van de betrokkene en de buitenwereld in de enkele verlenging van de preventieve schorsing tot het einde van de rechtsvordering, méér gaan zien dan wat zij eigenlijk inhoudt en dat aldus toch een IX-4885-3/7 verband gelegd wordt tussen de preventieve schorsing en de daadwerkelijke betrokkenheid bij de feiten waarover de media geschreven hebben; dat in die zin de Raad van State thans verzoeker kan volgen in zijn uiteenzetting dat hij, wegens de verlenging, in zijn omgeving gestigmatiseerd wordt als een corrupt officier; dat een bijkomend beoordelingselement is dat de preventieve schorsing nu voor een onbepaalde duur wordt opgelegd, waarmee de verwerende partij elke verdere discussie over de gepastheid van de werkhervatting van verzoeker uitsluit en het nadeel bestendigt; dat om die reden wordt aangenomen dat de verlenging van de preventieve schorsing aan verzoeker een moreel nadeel berokkent dat door een vernietigingsarrest alleen niet hersteld zal worden; 4.
  8. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in het eerste middel, geput uit de schending van de formele motiveringswet, onder meer aanvoert dat de overwegingen van het bestreden besluit vaag zijn en dat het een passe-partout-motivering bevat die ook in andere schorsingsdossiers aangewend is; dat hij in het tweede middel de schending aanvoert van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de krijgsmacht doordat artikel 18 van die wet de preventieve schorsing van een officier mogelijk maakt wanneer de minister oordeelt dat zijn aanwezigheid in de krijgsmacht nadelig is voor de tucht of de goede naam van het leger, terwijl in dit geval reeds door vertegenwoordigers van de krijgsmacht in het parlement gezegd is dat verzoeker niet verwikkeld was in de fraude en de korpscommandant van verzoeker ook uitdrukkelijk verklaard heeft dat hij de tucht in de eenheid niet in het gedrang bracht, zodat het motief dat de aanwezigheid van verzoeker nog steeds nadelig kan zijn voor de tucht ‘een gratuite bewering en veronderstelling is’ en ook de goede naam van het leger niet in het gedrang is, aangezien de naam van verzoeker nooit in de media vernoemd is en er hem geen ernstige feiten ten laste werden gelegd; dat hij in het derde middel onder meer aanvoert dat de maatregel onredelijk en buitensporig is doordat zijn preventieve schorsing verlengd is zonder dat hij daarover gehoord werd, terwijl een informatiecommissie toch tot het besluit gekomen was dat er op grond van de beschikbare gegevens geen reden was om verzoeker met het oog op zijn ambtshalve ontslag naar een onderzoeksraad te verwijzen; 4.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen de aangevoerde middelen niet beantwoord heeft; IX-4885-4/7 4.3.
  10. Overwegende dat een preventieve schorsing onregelmatig is wanneer het bestuur geen deugdelijke reden heeft om de ambtenaar te beletten zijn dienst te vervullen; dat die reden verband moet houden met de goede werking van de dienst, hetgeen in artikel 18 van de wet van 1 maart 1958 -zoals die bepaling bestond ten tijde van de bestreden beslissing- voor de officieren van de krijgsmacht nader omschreven is als “de tucht of de goede naam van het leger”; dat het instellen van een strafonderzoek tegen een militair niet belet dat het bestuur toch in elk concreet geval dient uit te maken of, rekening houdend met de gegevens waarover het op dat ogenblik kan beschikken, de feiten waarvan de militair verdacht wordt van die aard zijn dat zijn aanwezigheid op de dienst het hiervoor omschreven dienstbelang aantast; dat bij de verlenging van de preventieve schorsing dezelfde afweging gemaakt moet worden en dat de motieven die het bestuur uiteindelijk tot de verlenging van de schorsing doen besluiten krachtens de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurhandelingen in het besluit zelf vermeld moeten worden; 4.3.
  11. Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar de motieven vermeld in het ministerieel besluit van 8 november 2004 waarbij verzoeker initieel werd geschorst; dat de verwerende partij van oordeel is dat die motieven nog altijd opgaan; dat aldus de verlenging steunt op de vaststelling dat er een gerechtelijk onderzoek tegen verzoeker is ingesteld voor feiten die door de media in de bekendheid zijn gebracht, dat een gerechtelijk onderzoek een voorlopige schorsing kan rechtvaardigen, dat ondanks het gunstig advies van de korpscommandant van verzoeker om hem weer op te nemen in de eenheid, zijn aanwezigheid aldaar toch de tucht in het gedrang kan brengen wegens de terughoudendheid die de militairen welke met verzoeker moeten samenwerken of met wie hij professionele contacten heeft, aan de dag kunnen leggen, terwijl het ook niet uitgesloten is dat een deel van de burgerbevolking en van de militairen niet zal begrijpen waarom verzoeker, ondanks de feiten die uitgebreid in de publieke bekendheid zijn gekomen, nog aanwezig is in de schoot van de krijgsmacht, hetgeen afbreuk doet aan de goede naam van het departement zolang de feiten hem ten laste gelegd worden; IX-4885-5/7 4.3.
  12. Overwegende dat, daargelaten de vraag of de vermelde motieven volstonden om verzoeker op 8 november 2004 preventief te schorsen, in ieder geval niet blijkt dat de verwerende partij, met het oog op de verlenging van de preventieve schorsing, de feitelijke gegevens geactualiseerd heeft; dat met name niet blijkt dat de verwerende partij een inspanning gedaan heeft om de feiten die het voorwerp vormen van het gerechtelijk onderzoek en het aandeel van verzoeker daarin, desgevallend na raadpleging van de gerechtelijke overheden, beter te omschrijven, hoewel dit haar had kunnen toelaten haar initiële en op persberichten gestoelde vrees voor negatieve reacties binnen de eenheid van verzoeker, binnen het leger en ook bij de buitenwereld, concreter in te schatten en te waarderen; dat de verwerende partij zich ook niet de moeite heeft getroost om de korpscommandant van verzoeker, die reeds eerder had gesteld dat hij geen probleem had met de verdere dienstuitoefening van verzoeker maar dat het precies de preventieve schorsing was die bekendheid aan de zaak gaf, om een nieuwe inschatting te vragen, ook over de bereidheid van de collega’s om verzoeker weer in de dienst te laten functioneren; dat ook de omstandigheid dat de informatiecommissie blijkens haar proces-verbaal van 11 februari 2005 na verhoor van verzoeker tot het besluit gekomen is dat de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikte niet volstonden om verzoeker naar een onderzoeksraad te verwijzen met het oog op zijn verwijdering uit het leger de conclusie wettigt dat het dossier ten laste van verzoeker toch geëvolueerd was; dat al die gegevens tezamen de overtuiging doen ontstaan dat de verwerende partij in gebreke gebleven is de evolutie van het dossier sinds de schorsingsbeslissing van 8 november 2004 -zowel wat betreft de feiten die oorspronkelijk aan verzoeker ten laste werden gelegd als wat de integratiemogelijkheden in de dienst betreft- na te gaan en in haar besluitvorming te betrekken; dat in dat verband het ook opvalt dat de verwerende partij, hoewel een behoorlijke besluitvorming veronderstelt dat zij zich vooraf ten aanzien van alle aspecten van de zaak terdege inlicht en zij overeenkomstig artikel 18 van de wet van 1 maart 1958 geen andere mogelijkheid meer had dan verzoeker voor lange tijd -tot aan de afloop van de strafvordering- buiten de dienst te plaatsen, het niet nodig geoordeeld heeft verzoeker te horen; 4.3.
  13. Overwegende dat in de voormelde zin verzoeker middelen aanvoert die tot de vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden;
  14. Overwegende dat de voorwaarden voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit vervuld zijn, IX-4885-6/7 BESLUIT: Artikel
  15. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 10 maart 2005 waarbij de schorsing bij ordemaatregel van Peter DE BEUCKELAERE wordt verlengd tot uiterlijk zes maanden na het einde van de rechtsvordering. Artikel
  16. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien oktober 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4885-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.923 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.289 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.