id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.970 Rolnummer: A. 142088/IX-3944 Zaak: Arrest 149970 - - 10/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 01:57 Fiche Arrest nr 149.970 van 10 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.970 van 10 oktober 2005 in de zaak A. 142.088/IX-
- In zake :
- Hendrik VAN DER AUWERA,
- Jean-Jacques VAN DER AUWERA,
- de VZW STICHTING TER DONCK, die woonplaats kiezen bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Grotehertstraat 12 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hendrik VAN DER AUWERA, Jean-Jacques VAN DER AUWERA en de VZW STICHTING TER DONCK op 26 september 2003 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van 18 juli 2003 van de Vlaamse regering betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partijen de vernietiging vorderen van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK op 5 juli 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 augustus 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2005; IX-3944-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A.-M. SWINNEN die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekers uiteenzetten dat ze eigenaars zijn van bossen en weilanden in de Muizenhoek, gelegen in de Dijlevallei te Mechelen; dat met het bestreden besluit de jacht in het Vlaamse Gewest geregeld wordt voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen aanvoeren dat zij hun eigendommen met grote zorg onderhouden, beschermd en hersteld hebben zodat er nu een unieke fauna en flora bestaat, maar dat het bestreden besluit hen kennelijk onredelijke beperkingen op de jacht op waterwild, patrijzen, hazen, fazanten, vossen, konijnen en houtduiven oplegt, hetgeen zij ervaren als een bestraffing van de inspanningen die zij hebben geleverd om het gebied buiten de bebouwing of het intensief landbouwgebruik te houden en het verder te ontwikkelen; dat zij in het bestreden besluit een jachtverbod onderkennen, dat zij wijzen op een financieel verlies doordat jachtgezelschappen, die nu met hen een pachtovereenkomst hebben, elders zullen gaan jagen en voorts stellen dat het domein zal verloederen aangezien zij geen beroep meer zullen kunnen doen op “het jachtgezelschap” voor het onderhoud van het domein, dat zij de hoge kosten die zij IX-3944-2/5 gemaakt hebben en de energie zij in het beheer gestoken hebben niet zullen zien renderen en zelf andere jachtgebieden zullen moeten zoeken; dat zij daar aan toevoegen dat de inspanningen die zij leveren voor het behoud van de natuurpracht in het gebied, sterk bemoeilijkt zullen worden en dat het moeilijker wordt om het evenwicht tussen mens en natuur en binnen het wildbestand te bereiken, terwijl er dichtbij nog een natuurreservaat gelegen is dat evenzeer schade zal ondervinden van de bestreden maatregelen; dat zij besluiten dat zij de gronden voor niets anders kunnen gebruiken dan voor de jacht, en dat, als die nu ook nog sterk beperkt wordt, zij van elke exploitatiemogelijkheid beroofd worden terwijl het gebied, wegens het verdwijnen van het toezicht door het jachtgezelschap, overgelaten wordt aan de stropers; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet wat volgt: het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel is niet ernstig en wat bepaalde aspecten betreft zelfs onbestaande: zo kan het verlies aan jachtgenot bezwaarlijk als ernstig worden beschouwd en belet de “beperkte” jachtmogelijkheid die het bestreden besluit instelt, geenszins dat nog ten volle van de gronden kan genoten worden; het nadeel is hypothetisch, het is zeer algemeen, het vloeit voort uit het jachtdecreet dat een principieel verbod op de jacht instelt, terwijl het bestreden besluit dat verbod versoepelt; dat de inspanningen die de verzoekende partijen voor het instandhouden van het gebied gedaan hebben teloorgaan is, in redelijkheid niet aan te nemen, nu blijkt dat nog andere gebieden in Vlaanderen hun biologische waarde behouden terwijl ook daar niet gejaagd wordt; een ecologisch nadeel als gevolg van de vermindering van haar beheersinspanningen wordt niet aangetoond en is overigens onredelijk, nu het niet aan de jacht te danken is dat er nog natte weiden bestaan; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in algemeen geformuleerde bemerkingen, kritiek uitbrengen op de nieuwe regeling; dat wegens die algemeenheid de kritiek inderdaad hypothetisch is; dat de verzoekende partijen inzonderheid niet op geloofwaardige wijze aantonen dat de jacht, wanneer hij zou kunnen gebeuren zonder de beperkingen die het bestreden besluit oplegt voor het gebied waarin hun eigendommen gelegen zijn, een doorslaggevend element uitmaakt voor het beheer en het behoud van de ecologische waarde van hun eigendommen; Overwegende dat, wat betreft de stelling dat het bestreden besluit de verzoekende partijen eigenlijk straft voor de inspanningen die zij geleverd hebben, IX-3944-3/5 dat subjectief aanvoelen zeker gecompenseerd zal worden door een vernietigingsarrest; Overwegende dat, wat betreft de versoepeling van de regeling die de verzoekende partijen blijkbaar nastreven, met de verwerende partij opgemerkt dient te worden dat het jachtdecreet een principieel jaagverbod instelt, zodat de schorsing van het bestreden besluit, die niet tot gevolg heeft dat de vroegere bestaande regeling herleeft, er alleen maar toe kan leiden dat zij helemaal niet meer kunnen jagen; Overwegende dat de verwerende partij terecht opmerkt dat in redelijkheid niet aanvaard kan worden dat de verminderde aantrekkingskracht die de eigendommen van de verzoekende partijen kan hebben op de jagers, de waarde ervan -ook op ecologisch vlak- zal verminderen, terwijl de verzoekende partijen ook niet aantonen dat de minderinkomsten, die zij wegens die verminderde interesse zouden kunnen hebben, hun financiële situatie dermate zal beïnvloeden dat zij niet kunnen wachten op een vernietigingsarrest om die schade rechtgezet te zien; dat hetzelfde geldt voor de bemerking dat de beperking van hun jachtmogelijkheden het genotsrecht van hun eigendom aantast; Overwegende dat het nadeel, dat de beperkingen aan de jacht op hun eigendommen een negatieve invloed zal hebben op de situatie in een nabijgelegen natuurreservaat, geen persoonlijk nadeel vormt voor de verzoekende partijen; Overwegende dat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aannemelijk gemaakt wordt, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-3944-4/5 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien oktober 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-3944-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.970 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.