id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.039 Rolnummer: A. 139174/XIV-15955 Zaak: Arrest 150039 - - 11/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 02:00 Fiche Arrest nr 150.039 van 11 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.039 van 11 oktober 2005 in de zaak A.139.174/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Britselei 76 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1960 en van Marokkaanse nationaliteit, op 15 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 20 juni 2003; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag dd. 6 april 2005, opgemaakt door M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 september 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-15.955-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. DECAIGNY, die, loco Advocaat W. MERTENS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. COOLSAET, die, loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- XXX heeft op 25 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
- Verzoeker is op 16 januari 2003 door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een raadsman, gehoord. 1.
- De Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 24 januari 2003 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. 1.
- Op 28 februari 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Verzoeker diende tegen voormelde weigeringsbeslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Deze zaak is gekend onder het nr. 137.680/XIV-15.
- Bij arrest nr. 150.038 van 11 oktober 2005, uitgesproken door de XIVde kamer van de Raad van State werd dit beroep verworpen. 1.
- Op 20 juni 2003 werd aan verzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de thans bestreden beslissing.
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het advies van de Commissie voor regularisatie onvolledig en foutief is, aangezien het ten onrechte stelt dat verzoeker XIV-15.955-2/5 geen enkel stuk voortbrengt waaruit blijkt dat hij gekend is, zoals voorgeschreven door artikel 9, 1/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat verzoeker uiteenzet dat hij bij zijn regularisatieaanvraag meldde dat hij was gekend onder de aliassen Mahamedi EL HASNAOUI en Hassan AIRAD, en dat hij een origineel attest van gevangenschap neerlegde voor de periode van 1 januari 1990 tot 25 januari 1990, op naam van EL HASNAOUI; dat verzoeker stelt dat hij aldus wel degelijk aantoont dat hij is gekend overeenkomstig artikel 9, 1/ van de Regularisatiewet; dat verzoeker daaraan toevoegt dat hij stukken heeft aangebracht waaruit blijkt dat hij op het grondgebied verbleef vóór en op 1 oktober 1999, overeenkomstig artikel 9, 2/ van de Regularisatiewet; dat verzoeker besluit dat het bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, eveneens de motiveringsplicht schendt, vermits het integraal verwijst naar de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 28 februari 2003; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van “de beginselen van behoorlijk bestuur”; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het bestreden bevel de beginselen van behoorlijk bestuur schendt, doordat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, in uitvoering waarvan het bestreden bevel werd genomen, meer dan drie jaar nadat de aanvraag werd ingediend, het advies van de Commissie voor regularisatie volgt, zonder de gegrondheid van de aanvraag te onderzoeken; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord op beide middelen repliceert dat uit de lezing van verzoekers kritiek blijkt dat deze enkel is gericht tegen de beslissing van 28 februari 2003 van de Minister van Binnenlandse Zaken, houdende de verwerping van de regularisatieaanvraag van verzoeker, in toepassing van de Regularisatiewet, en het daaraan verbonden advies van de Kamer van de Commissie voor regularisatie; dat de verwerende partij uiteenzet dat, behoudens de summiere vermelding dat het bevel is genomen in uitvoering van de voornoemde beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, geen enkele beschouwing, vervat in de middelen van verzoeker, is gericht tegen het in casu bestreden bevel om het grondgebied te verlaten; dat de verwerende partij stelt dat de middelen van verzoeker uitsluitend verband houden met de beoordeling van diens regularisatieaanvraag; dat de verwerende partij besluit dat middelen die geen betrekking hebben op de bestreden akte, onontvankelijk zijn; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten werd genomen in uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 28 februari 2003, en niet afzonderlijk werd gemotiveerd; dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten XIV-15.955-3/5 de motivering van de Minister van Binnenlandse Zaken overneemt, zodat de kritiek van verzoeker ook daartegen dient te zijn gericht; Overwegende dat uit het verzoekschrift blijkt dat het beroep is gericht tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat verzoeker een afzonderlijk beroep heeft ingesteld tegen de beslissing tot weigering van regularisatie, dat is gekend ter griffie onder het nr. 137.680/XIV-15.452; dat de twee middelen die verzoeker aanvoert niet zijn gericht tegen het bestreden bevel, maar tegen het advies van de Commissie voor regularisatie en tegen de navolgende beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van regularisatie; dat deze middelen bijgevolg thans niet dienstig worden aangevoerd; dat verzoeker ten onrechte stelt dat het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten niet afzonderlijk werd gemotiveerd; dat het bestreden bevel wel degelijk een eigen motivering bevat, met name dat verzoeker “langer in het Rijk (verblijft) dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of (...) het bewijs niet (kan) leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980)”, en dat “de regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22/12/1999 (...) definitief (werd) verworpen door een beslissing van de Minister op 28/02/2003."; dat verzoeker deze motieven niet aanvecht; Overwegende dat de middelen onontvankelijk zijn, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.955-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-15.955-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.