← België

Arrest 150040 - - 11/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.040 Rolnummer: A. 137031/XIV-15236 Zaak: Arrest 150040 - - 11/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-03 02:00 Fiche Arrest nr 150.040 van 11 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.040 van 11 oktober 2005 in de zaak A.137.031/XIV-15.236. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Britselei 76 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1970 en van Marokkaanse nationaliteit, op 22 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 februari 2003 tot weigering van regularisatie, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan verzoeker ter kennis gebracht op 19 april 2003; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag dd. 11 april 2005 opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 september 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-15.236-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. DECAIGNY, die, loco Advocaat W. MERTENS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. COOLSAET, die loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. XXX heeft op 25 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.2. Op 16 januari 2003 is verzoeker door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een raadsman, gehoord. 1.3. De Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 24 januari 2003 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat volgende overwegingen: “(...) De regularisatieaanvraag is tijdig en rechtsgeldig ingediend op grond van art. 2,4/ van de regularisatiewet van 22 december 1999. De Kamer stelt vast dat betrokkene naast zijn raadsman, ook zijn broer, E-H, aanwezig is op de zitting. Vooraf verzoekt betrokkene de kamer een fout in de geboortedatum te laten rechtzetten: hij zou zijn geboren in 1970 en niet in 1966, zoals vermeld door de Commissie. De Voorzitter merkt op dat betrokkene op zijn aanvraagformulier nochtans elk blad heeft geparafeerd en achteraan ook heeft ondertekend, waardoor hij ook de "verkeerde" geboortedatum heeft goedgekeurd. Ter zitting bewijst de aanvrager zijn identiteit en Marokkaanse nationaliteit door het tonen van een originele identiteitskaart geldig van 9.3.00 tot 8.3.01 en van een origineel paspoort uitgereikt door het Consulaat-generaal van Marokko in Antwerpen en geldig van 17.12.02 tot 16.12.03. De betwisting van de identiteit of nationaliteit destijds door het Onderzoekssecretariaat bij gebrek aan stukken is hiermee dan ook van de baan. Verder beschikt de Commissie niet over negatieve elementen hieromtrent. De Kamer stelt vast dat verzoeker geen stuk kan bijbrengen waaruit zou moeten blijken dat hij gekend is door een Belgische openbare instelling of dienst, overeenkomstig art. 9, l/ van de regularisatiewet. Dit feit had verzoekers raadsman overigens reeds meegedeeld aan de Commissie in een brief van 25.1.00. De raadsman argumenteert dat betrokkene steeds in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien en bijvoorbeeld geen OCMW-steun heeft aangevraagd. Ter zitting blijkt ook dat betrokkene nooit een asielaanvraag heeft ingediend. Zijn DVZ-dossier kon niet ter zitting worden geraadpleegd, aangezien de Dienst in een e-mail van 15.1.03 aan de griffier meedeelt dat betrokkene er niet bekend is. Uit de vermelding van het Consulaat-generaal op het paspoort blijkt dat aan betrokkene op 28.1.00 een immatriculatienummer is toegekend, dus na de regularisatieaanvraag (bijkomende stukken 1). Desgevraagd ter zitting vermeldt betrokkene zwartwerk in een verfwinkel VERFRAAI in de loop van 1990 (stuk l), en de aankoop van een huis in 1997 door zijn broer, die aanwezig is ter zitting (stukken 2-3). Tevens legt hij een doktersattest neer (Dr. Elarbi op 19.10.99: XIV-15.236-2/7 "aanwezig van 1993 tot nu"), attesten van een apotheker (Van Puyvelde op 14.1.03: "reeds enkele jaren klant" resp. apotheek Sint-Jan op 2.1.03: "sinds ± 1998", bijkomende stukken 2) en ten slotte van een tandarts (Dr. Marcelis zonder datum: "patiënt van 1. 10.99", bijkomende stukken 2). Ook legt betrokkene een attest neer van de v.z.w. KEBDANA uit Borgerhout (met identificatienummer 3280/90), waarin wordt vermeld dat betrokkene lid is van deze vereniging "sinds februari 1994' (bijkomend stuk 5). De Kamer moet art. 9, l/ van de regularisatiewet stipt naleven, waarin ondubbelzinnig is bepaald dat het bij de aanvraag gevoegde dossier inderdaad een bewijsstuk moet bevatten waaruit betrokkene blijkt gekend te zijn. Het begrip "bestuur of openbare dienst' zoals vermeld in art. 9, l/,

  1. a)is duidelijk en dus niet voor interpretatie vatbaar. Bovendien zijn de voorbeelden ervan limitatief opgesomd. Het begrip "instelling" is minder eenduidig. Het Proces-Verbaal van de Algemene Vergadering van 18.11.00 geeft een bredere lezing van de wetsbepalingen. Dienovereenkomstig zou een "instelling" voor de Kamers kunnen zijn: "leder orgaan, erkend of gesubsidieerd door een overheid in België". Het moet dus over een erkend of gesubsidieerd organisme gaan. Als voorbeelden kunnen dan gelden: vakbonden, ziekteverenigingen, medische centra, wijkopvanghuizen, integratiecentra, ... (de lijst blijkt niet limitatief). Feitelijke verenigingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten evenals privé-personen zijn dat niet. De Kamer wenst op te merken dat het stuk in tegenspraak is met de bewering van verzoekers raadsman dat hij niet gekend is in het Rijk. Uiteraard staat het verzoeker vrij om later nog bewijsstukken te verzamelen gedurende de regularisatieprocedure in het algemeen en tijdens het verloop van de behandeling van zijn concrete dossier in het bijzonder. Uit een opzoeking bij de diensten van het Belgisch Staatsblad blijkt echter dat de door verzoeker vermelde v.z.w. Kebdana niet onder het op het stuk zelf vermelde identificatienummer te vinden is (stuk toegevoegd aan het dossier). Deze v.z.w. draagt een ander nummer (stuk toegevoegd in het dossier). Om deze redenen wenst de Kamer het stuk dan ook niet in aanmerking te nemen als overtuigend bewijsstuk van het feit dat betrokkene in het Rijk gekend zou zijn. Aldus moet de Kamer vaststellen dat betrokkene niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden zoals gesteld in art. 9, l/ regularisatiewet. Het feit dat betrokkene erin is geslaagd om te bewijzen dat hij vóór en op 1.10.99 daadwerkelijk in het Rijk verbleef, overeenkomstig art. 9, 2/ van de regularisatiewet, doet hieraan niets af. De Commissie heeft begrip voor de lage scholingsgraad van betrokkene die als ongeschoolde landbouwer hoofdzakelijk uit een orale (berber)cultuur stamt. Zij kan echter niet voorbijgaan aan het feit dat zij geconfronteerd wordt met een gebrek aan stukken waarvan de wet de aanwezigheid oplegt. OM DEZE REDENEN meent de Kamer dat het regularisatieverzoek van XXX in de huidige omstandigheden niet ontvankelijk kan worden verklaard. Zij acht het dan ook overbodig om het verzoek ten gronde te onderzoeken, dat gebaseerd is op art. 2, 4/ regularisatiewet. Zij adviseert unaniem ongunstig over deze regularisatieaanvraag. (...)”. 1.4. Op 28 februari 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.5. Op 20 maart 2003 heeft de Advocaat van verzoeker een schrijven met bijkomend stuk gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.6. Op 19 april 2003 werd aan verzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing. 1.7. Op 19 juni 2003 werd aan verzoeker nogmaals een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. Verzoeker diende tegen dit bevel een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Deze zaak is gekend onder het nr. 137.170/XIV-15.954. 2. Over de gegrondheid van de zaak. XIV-15.236-3/7 2.1. Overwegende dat uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat beide middelen zijn gericht tegen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 februari 2003; dat verzoeker geen middelen aanvoert tegen het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten, zodat dient te worden vastgesteld dat het beroep tegen het bestreden bevel niet ontvankelijk is bij gebrek aan middelen; 2.2. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het advies van de Commissie voor regularisatie onvolledig en foutief is, aangezien het ten onrechte stelt dat verzoeker geen enkel stuk aanbrengt waaruit blijkt dat hij gekend is, zoals is voorgeschreven door artikel 9, 1/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat verzoeker uiteenzet dat het advies ten onrechte stelt dat het identificatienummer van de VZW Kebdana, dat voorkomt op een door verzoeker neergelegd stuk, foutief is, zoals blijkt uit een kopie van de originele bijlage bij het Belgisch Staatsblad dd. 22 februari 1990, dat, als antwoord op het negatief advies, door verzoeker aan de Commissie voor regularisatie en aan de Minister van Binnenlandse Zaken werd overgemaakt; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de formele motivering geen ander doel heeft dan het in kennis stellen van de betrokkene van de motieven van de beslissing, zodat hij in staat is te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent; dat de verwerende partij uiteenzet dat de naleving van de formele motiveringsplicht geen verband houdt met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven; dat de verwerende partij betoogt dat waar de verzoeker klaarblijkelijk het tegenovergestelde aanneemt, zijn toelichting niet is afgestemd op de rechtsregels waarvan hij de schending aanvoert, zodat deze in rechte faalt; dat de verwerende partij besluit dat de concrete kritiek in verzoekers uiteenzetting bovendien niet aannemelijk is, vermits de VZW Kebdana geen bestuur, openbare dienst of instelling is, zoals bepaald in artikel 9, 1/ van de Regularisatiewet, zodat, zelfs indien het identificatienummer van de VZW Kebdana juist zou zijn, er in onderhavig geval alsnog tot de onontvankelijkheid van verzoekers regularisatieaanvraag moet worden besloten; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de motiveringsverplichting niet enkel vereist dat de motieven vermeld worden in de beslissing (formele motivering), maar tevens dat de motieven deugdelijk zijn XIV-15.236-4/7 (inhoudelijke motivering), hetgeen in casu niet het geval is, aangezien het advies van de Commissie voor regularisatie ten onrechte stelt dat verzoeker geen enkel stuk voortbrengt waaruit blijkt dat hij gekend is, zoals voorgeschreven door artikel 9, 1/ van de Regularisatiewet; dat verzoeker uiteenzet dat hij wel degelijk stukken heeft voortgebracht, zodat aan deze voorwaarde was voldaan; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken de overwegingen onderschrijft en overneemt van het bij de beslissing gevoegde advies van de kamer van de Commissie voor regularisatie van 24 januari 2003; dat het determinerende motief op grond waarvan tot de verwerping van de aanvraag wordt besloten, namelijk het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 9, 1/ van de Regularisatiewet, duidelijk wordt aangegeven; dat verzoeker aanvoert dat het advies van de Commissie voor regularisatie onvolledig en foutief is gemotiveerd, aangezien het ten onrechte stelt dat verzoeker geen enkel stuk voortbrengt waaruit blijkt dat hij gekend is zoals bepaald bij artikel 9, 1/ van de Regularisatiewet; dat uit de uiteenzetting van verzoeker blijkt dat hij zijn kritiek slechts richt tegen de overweging in het advies waarbij de Commissie voor regularisatie heeft besloten dat de VZW Kebdana in het Belgisch Staatsblad niet is terug te vinden onder het door verzoeker opgegeven identificatienummer; dat het identificatienummer volgens verzoeker wel degelijk correct is, en dat hij ter staving een kopie van de bijlage bij het Belgisch Staatsblad overlegt; dat verzoeker enerzijds niet betwist dat hij geen stuk heeft bijgebracht waaruit blijkt dat hij bekend is bij een bestuur of een openbare dienst, zoals bepaald bij artikel 9, 1/,
  2. a)van de Regularisatiewet; dat de vraag of de kritiek van verzoeker al dan niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing, anderzijds afhankelijk is van wat onder het begrip “instelling”, in de zin van artikel 9, 1/,
  3. b)van de Regularisatiewet, dient te worden verstaan; dat artikel 9, 1/, b), het begrip “instelling” preciseert als “(...) een instelling, zoals een ziekenhuis of een school”; dat uit de parlementaire werkzaamheden verder blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken heeft gepreciseerd dat “NGO’s en VZW’s (...) geen instellingen (zijn), in de zin van de wet”, alsook dat “onder instellingen wordt begrepen onder andere scholen, ziekenhuizen, intercommunales, bijvoorbeeld van gas- en /of waterdistributie en banken; dat het moet gaan over een erkend of gesubsidieerd organisme”; dat de VZW Kebdana derhalve niet kan XIV-15.236-5/7 worden beschouwd als een “instelling” in de zin van artikel 9, 1/,
  4. b)van de Regularisatiewet; dat de kritiek van verzoeker derhalve geen afbreuk doet aan het gegeven dat verzoeker niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarde opgelegd door artikel 9, 1/,
  5. b)van de Regularisatiewet, en dat het middel aldus niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; Overwegende dat het eerste middel niet kan worden aangenomen; 2.3. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van “de beginselen van behoorlijk bestuur”; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken de beginselen van behoorlijk bestuur schendt, doordat de Minister, meer dan drie jaar nadat de aanvraag werd ingediend, het advies van de Commissie voor regularisatie volgt, zonder de gegrondheid van de aanvraag te onderzoeken; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat verzoeker in gebreke blijft om in zijn verzoekschrift een voldoende duidelijke uiteenzetting te geven van het tweede middel; dat verwerende partij uiteenzet dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is, en dat de niet- naleving van deze vereiste de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft; dat de verwerende partij aanvoert dat zij het onmogelijk achtte uitspraak te doen over verzoekers regularisatieaanvraag, zonder het resultaat van het gerechtelijk onderzoek af te wachten; dat de verwerende partij opwerpt dat de duur van het gerechtelijk onderzoek niet aan de verwerende partij kan worden toegeschreven, en dat een dergelijke materie bovendien niet onder haar bevoegdheid valt; dat de verwerende partij erop wijst dat de Minister van Binnenlandse Zaken, na grondig onderzoek van de gegevens van het dossier, niet anders kon dan zich aan te sluiten bij het advies van de Commissie voor regularisatie, en over te nemen als het zijne, waardoor het advies van de Commissie van 24 januari 2003 integraal deel uitmaakt van de beslissing; dat de verwerende partij besluit dat de gegevens van het dossier niet anders toelaten dan te besluiten tot de onontvankelijkheid van de regularisatieaanvraag van verzoeker, waardoor niet kon worden overgegaan tot een beoordeling van de aanvraag ten gronde; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat hij in zijn verzoekschrift aan de overheid een overschrijding van de redelijke termijn verwijt; Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, maar dat op basis van de uiteenzetting van verzoeker niet kan XIV-15.236-6/7 worden vastgesteld welk beginsel hij geschonden acht; dat de verduidelijking in de memorie van wederantwoord niet kan worden aangenomen, aangezien een middel moet worden beoordeeld zoals het werd ontwikkeld in het verzoekschrift; dat een initieel onontvankelijk middel niet ontvankelijk kan worden gemaakt door aanvullingen in latere memories; Overwegende dat het tweede middel onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-15.236-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.