id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.059 Rolnummer: A. 152788/XIV-19864 Zaak: Arrest 150059 - - 12/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 02:02 Fiche Arrest nr 150.059 van 12 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.059 van 12 oktober 2005 in de zaak A. 152.788/XIV-19.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41 bus 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 december 1963 en XXX, geboren op 1 december 1964, beiden van Joegoslavische nationaliteit, op 15 juni 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 april 2003 tot weigering van regularisatie, en van de bevelen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen respectievelijk ter kennis gebracht op 17 mei 2004 en 25 mei 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 september 2005 om 10.00 uur; XIV-19.864-1/8 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. MANDELBLAT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat G. COOLSAET, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX heeft op 25 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 1/ en 2, 2/. Deze aanvraag werd ingediend voor hemzelf, zijn echtgenote XXX en hun drie minderjarige kinderen. 1.
- Op 29 oktober 2001 is verzoeker door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. Op de zitting werd de uitbreiding naar artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet gevraagd en werd afgezien van de aanvraag op basis van artikel 2, 1/. 1.
- Op 26 november 2001 heeft de derde Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker en zijn gezin. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) De regularisatieaanvraag is tijdig en rechtsgeldig ingediend op grond van artikel 2,1/ en 2,2/ van de regularisatiewet. Ter zitting wordt het regularisatieverzoek uitgebreid op grond van artikel 2,4/ van de regularisatiewet. XXX bewijst als Kosovaar zijn identiteit en nationaliteit door middel van een origineel nationaal paspoort dat is uitgegeven in Pristina op 12 mei 1994 en vervallen is sedert 12 mei
- XXX beweert haar paspoort niet meer te bezitten omdat het zeer recent gestolen zou zijn, hoewel er zich een kopie van dit paspoort in het bundel bijkomende stukken bevindt dat neergelegd wordt ter zitting. Haar paspoort is uitgegeven in Pristina op 20 januari 1992 en vervallen op 20 januari 1997 (bijkomend stuk 10). Zij wil een kopie van de huwelijksakte neerleggen, maar beschikt niet over een vertaling. De Commissie acht dit stuk dan ook niet nuttig. Het Onderzoekssecretariaat stelde overigens vast dat betrokkenen geldige identiteitsstuk- ken voorleggen en de Commissie ziet geen reden of beschikt niet over elementen om aan de geldigheid ervan te moeten twijfelen. Betrokkenen verbleven daadwerkelijk in het Rijk op 1 oktober 1999, aangezien het jongste kind in Antwerpen geboren is op 31 januari
- Een kopie van een uittreksel uit de geboorteakte wordt neergelegd ter zitting (bijkomend stuk 6). De oudere kinderen lopen school, XIV-19.864-2/8 Arian sedert 4 januari 1999, en Arjeta sinds 1 september 1999 in de stedelijke oefenschool in Antwerpen (bijkomende stukken neergelegd ter zitting). Verzoekers zijn tevens gekend door de Belgische overheid door onder meer door hun asielprocedure die nog hangende zou zijn voor de Raad van State. Artikel 2, l/ regularisatiewet: langdurige asielprocedure Het gezin woonde vroeger in Pristina, Kosovo. Uit het relaas van XXX blijkt dat hij met zijn (toen nog kleiner) gezin eerst in Duitsland heeft geleefd van 1993 tot 1998 en er asiel had aangevraagd. Op 28 april 1998 zouden zij gedwongen gerepatrieerd geweest zijn naar Pristina. In november 1998, na de bevrijding van XXX uit de gevangenis, zou het gehele gezin dan naar België gekomen zijn. Op 4 november 1998 formuleert het hier zijn asielaanvraag bij de DVZ. Een attest van immatriculatie is uitgereikt op 25 augustus 1999 en is geldig tot 5 januari 2000 (enig stuk gevoegd bij de regularisatieaanvraag). Een eerste negatieve beslissing van de DVZ wordt genomen op 1 februari 2000 en een bijlage 26 bis wordt betekend op 11 februari 2000 (zie wachtregister). XXX dient een beroep in bij het CGVS op 17 februari 2000 en ontvangt op 31 augustus 2000 een beslissing van onontvankelijkheid, die door de gemeente betekend wordt op 4 september
- In totaal verloopt deze asielprocedure over 1 jaar en 10 maanden. De Commissie merkt trouwens op dat zij niet op de hoogte is van de annulatieproce- dure bij de Raad van State, die niet meer vermeld staat op het uittreksel uit het wachtregister en waarover partijen het niet nuttig achtten enig stavingsstuk bij te brengen. Op basis van deze elementen meent de Commissie dat niet voldaan is aan het vereiste van artikel 2, l/ regularisatiewet, zodat een regularisatieverzoek op deze grond niet kan worden ingewilligd. Artikel 2, 2/ regularisatiewet: onmogelijke terugkeer onafhankelijk van de wil Uit de debatten blijkt dus dat het gezin van 4 november 1998 tot 30 januari 2000 gedurende een termijn van een jaar, twee maanden en vier weken in België verbleef. Zij leggen een attest neer van de UNO waarop vermeld staat dat hun huis is vernietigd als gevolg van het gewapend conflict (bijkomend stuk en foto van een verwoest huis). Verder is hen een voorstel gedaan voor een vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst met de hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie, aangezien de asielaanvraag werd afgewezen op grond van het gebrek aan een gegronde vrees voor persoonlijke vervolging in hoofde van betrokkenen. Zij hebben dit echter geweigerd. Deze weigering komt de Commissie vreemd voor, aangezien het gezin een niet te verwaarlozen bedrag werd voorgesteld bij deze vrijwillige terugkeer zodat zij in het dorp van herkomst opnieuw van start zouden kunnen gaan. Daarenboven blijkt uit de debatten dat betrokkenen nog steeds contact onderhouden met het gezin van de broer van de aanvrager in Kosovo. In juni 2000 rijdt XXX bijvoorbeeld met een (andere) broer uit Duitsland per vrachtwagen via Italië richting Kosovo om er huishoudelijke en elektrische apparaten te leveren vanuit ons land. De aanvrager rijdt mee tot aan de grens, zijn broer rijdt tot in Kosovo. Daarnaast stuurt de aanvrager soms geld naar zijn broer in Kosovo. XXX bekent dit pas na enig aandringen van de Commissie aangezien er een stempel van Italië daterend van juni 2000 staat in het inmiddels reeds vervallen paspoort. De Commissie voegt hiervan een bijkomend bewijsstuk aan het dossier. De Commissie moet dus unaniem vaststellen dat de aanvragers nog zeker banden hebben met hun voormalige woonplaats, en kan bezwaarlijk aannemen dat betrokkenen dan ook een gegronde vrees voor hun eigen leven kunnen blijven staven, terwijl de broer van XXX blijkbaar niet met die problemen kampt. Buiten de aankruising van artikel 2,2/ op het aanvraagformulier van 25 januari 2000 voor regularisatie, voegen betrokkenen geen enkele verklaring bij waaruit hun gegronde vrees zou moeten blijken. De asielaanvraag heeft geleid tot een afwijzing in de ontvankelijkheidsfase. Ook de Commissie kan een regularisatieaanvraag gesteund op een persoonlijke vrees voor vervolging niet gegrond verklaren. Uit het UNO-document over hun vernielde woning en de vage verklaringen ter zitting enerzijds, en het bezoek en de contacten met de broer die nog in Kosovo woont anderzijds, blijkt niet afdoende dat aan het vereiste van artikel 2, 2/ is voldaan. De regularisatieaanvraag moet dan ook worden afgewezen. Ten slotte roepen betrokkenen ter zitting artikel 2, 4/ regularisatiewet in: duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen. Het gezin kan zijn hoofdargument niet koppelen aan enig wettig verblijf, noch aan een aanwezigheid in het Rijk gedurende een periode van 5 jaar met zijn minderjarige kinderen, noch aan een verklaring dat het de laatste vijf jaren geen uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten heeft ontvangen. Het gezin heeft de uitnodiging om het land vrijwillig te verlaten genegeerd. Aldus wordt geen van de drie basisvoorwaarden van artikel 9,9/ regularisatiewet vervuld. Ter zitting leggen de aanvragers een aantal bijkomende stukken neer waaruit hun duurzame bindingen zouden moeten blijken als volgt: - Een voorlopige arbeidsvergunning in de horeca voor XXX aangevraagd op 24 januari 2001 en toegekend vanaf 12 februari 2001 (bijkomend stuk 11). Hij voegt daarvan 1 loonbriefje bij voor de maand augustus 2001 (bijkomend stuk 2). - Het oudste kind, A., is regelmatig ingeschreven voor het schooljaar 2001-2002 (bijkomend stuk 3). Tevoren was hij ingeschreven sedert 1 januari 1999 (bijkomend stuk 9). Zijn zus A. is XIV-19.864-3/8 ingeschreven sedert 1 september 1999 (bijkomend stuk 9) en is eveneens regelmatig ingeschreven voor dit schooljaar (bijkomend stuk 4). Het jongste kind, geboren in Antwerpen in 1999 (bijkomend stuk 6), loopt school in de kleuterschool sinds september dit jaar (bijkomend stuk 5). - Drie getuigenverklaringen verhalen over de integratiepogingen van het gezin (bijkomend stuk 12-14). In twee gevallen betreft het ouders van een schoolgaand kind in dezelfde klas als het dochtertje Arjeta. Het dossier bevat kennelijk geen enkel stuk over het zoeken naar werk vanwege XXX . Verder vindt de Commissie geen stuk over een inschrijving voor enige taalcursus voor beide ouders. XXX verklaart desgevraagd dat hij van plan is binnen een paar weken lessen Nederlands te volgen. Wanneer de Commissie vraagt of het hem zal lukken deze avondlessen te combineren met zijn voltijdse prestaties in de horeca van 15 tot 23 uur, antwoordt XXX eerder ontwijkend. De voorlaatste getuigenverklaring vermeldt dat XXX een gemengd, Duits-Nederlands spreekt en dat XXX geen Nederlands kan (bijkomend stuk 13). Over mevrouw is de Commissie niet eens in het bezit van een aanvraag van een voorlopige arbeidsvergunning of van een inschrijvingsbewijs als werkzoekende bij de VDAB. Ter zitting stelt de Commissie inderdaad vast dat XXX nauwelijks Nederlands praat. Het voornemen van XXX om Nederlands te leren, dat door geen stukken gestaafd wordt, komt de Commissie dan ook eerder voor als een zeer laattijdige en weinig oprechte poging tot integratie. Niettegenstaande enige recente aanduiding van integratie van de laatste twee jaar, doordat de kinderen school lopen en dat XXX sedert 8 maanden werkt, meent de Commissie dat de referteperiode niet uit het oog mag worden verloren. Over de periode van de asielaanvraag tot einde januari 2000 meent de Commissie dat betrokkenen integendeel geen blijk hebben gegeven van integratiewil in het Rijk. OM DEZE REDENEN brengt de derde Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies uit. (...).”. 1.
- Op 15 januari 2002 richtte de Advocaat van verzoekers een aangetekend schrijven aan de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij hij zijn opmerkingen gaf omtrent het negatief advies van de Commissie voor Regularisatie. 1.
- Op 7 april 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
- Op respectievelijk 17 mei 2004 en 25 mei 2004 werd aan verzoeker en verzoekster de bevelen van dezelfde data ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit zijn de tweede en de derde bestreden beslissing. 2.1.
- Overwegende dat verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van “het beginsel van behoorlijk bestuur”, meer bepaald de voorzichtigheid- en evenredigheidsplicht; dat verzoekers aanvoeren dat er tussen het nemen van de bestreden beslissing op 7 april 2003 en de kennisgeving ervan op 17 en 25 mei 2005 een hele tijd is verstreken; dat zij daarnaast eveneens aanvoeren dat er tussen het negatief advies van de Commissie voor Regularisatie van november 2001 en de beslissing tot weigering van regularisatie meer dan twee en een half jaar is verstreken en dat dit buiten de redelijke termijn is; dat verzoekers betogen dat in dit geval de Minister dient na te gaan of XIV-19.864-4/8 de situatie van de regularisatieaanvrager eventueel gewijzigd is; dat verzoekers aanvoeren dat in casu hun situatie aanzienlijk is gewijzigd nà het ongunstig advies van de Commissie; dat verzoeker op het moment van de bestreden beslissing reeds meer dan twee jaar en een half was tewerkgesteld; dat verzoeker ten tijde van de betekening meer dan drie jaar was tewerkgesteld; dat verzoekers intussentijd volledig geïntegreerd zijn en dat hun kinderen naar school gaan sinds januari 1999 en september 1999; dat verzoekers van oordeel zijn dat zij de gelegenheid hadden moeten hebben om opnieuw hun persoonlijke situatie uiteen te zetten, omdat zowel het nemen van de beslissing als de daaropvolgende kennisgeving, buiten een redelijke termijn zijn gebeurd; dat verzoekers verwijzen naar rechtspraak van de Raad van State; dat zij besluiten dat “een beslissing genomen op basis van lang geleden voorbij geschreden feitelijke omstandigheden, (...) niet (beantwoordt) aan de motiveringsplicht en (...) kennelijk (berust) op een niet adequate motivatie”; 2.1.
- Overwegende dat, wat de schending van de redelijke termijn betreft, er tussen het ongunstig advies van 26 november 2001 en de bestreden weigeringsbeslissing van 7 april 2003, één jaar en vier maanden zijn verstreken; dat er tussen de weigeringsbeslissing en de kennisgeving ervan in mei 2004, één jaar en ongeveer één maand is verstreken; dat overeenkomstig artikel 14 van de Regularisatiewet tussen de datum van indiening van de aanvraag en de datum van een negatieve beslissing, niet kan worden overgegaan tot verwijdering van de aanvragers; dat verzoekers in deze periode bijgevolg op legale wijze in het Rijk konden verblijven en werken; dat voornoemde termijnen de redelijkheidstoets doorstaan, gelet op het zeer groot aantal regularisatieaanvragen; dat er bovendien geen wetsbepaling is die de regularisatie voorschrijft wanneer de beslissing niet wordt genomen binnen een bepaalde termijn; Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) enkel betrekking heeft op beslissingen genomen in het kader van deze wet; dat dit artikel bijgevolg niet dienstig kan worden aangevoerd in het kader van een beroep tegen een beslissing genomen op grond van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdeling- en verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissing kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; XIV-19.864-5/8 Overwegende dat artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet als volgt luidt: “Onverminderd de toepassing van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is deze wet van toepassing op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag: (...) 4/ hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in hun land hebben ontwikkeld.” Overwegende dat uit deze bewoordingen blijkt dat aan de in dit artikel gestelde voorwaarden dient te zijn voldaan op het ogenblik van de aanvraag, in casu 25 januari 2000; dat de omstandigheid dat de Minister van Binnenlandse Zaken op 7 april 2003, zijnde één jaar en vier maanden na het ongunstig advies van de Commissie voor Regularisatie van 26 november 2001, ter kennis gebracht op 2 februari 2002, de bestreden weigeringsbeslissing nam, hieraan geen afbreuk doet; dat mocht dit niet het geval zijn, voorbijgegaan zou worden aan de bedoeling van de Regularisatiewet, die een gunstmaatregel inhoudt voor bepaalde categorieën van vreemdelingen; dat het uitblijven van een beslissing binnen een zekere termijn, niet rechtvaardigt dat rekening moet worden gehouden met de in die periode, na de regularisatieaanvraag eventueel opgebouwde integratie; dat er geen wetsbepaling is die voorschrijft dat de aanvrager opnieuw moet worden gehoord; dat de eerste bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd door een verwijzing naar het bijgevoegde advies van de Commissie voor Regularisatie; dat in dit advies uitgebreid wordt ingegaan waarom verzoekers niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 2, 1/ van de Regularisatiewet en evenmin aan artikel 2, 4/; dat in dit verband wordt overwogen dat verzoekers nog geen vijf jaar in het Rijk verbleven op het ogenblik van de aanvraag, en dat zij het voorwerp hadden uitgemaakt van een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, waardoor verzoekers niet voldoen aan de basisvoorwaarden van artikel 9, 9/ van voormelde wet; dat daaraan wordt toegevoegd dat “over de periode van de asielaanvraag tot einde januari 2000 de Commissie meent dat betrokkenen integendeel geen blijk hebben gegeven van integratiewil in het Rijk”; dat dit advies, en bijgevolg de weigeringsbeslissing van de Minister, afdoende zijn gemotiveerd; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat verzoekers aanvoeren dat aan een procedure strekkende tot regularisatie tal van burgerlijke rechten en verplichtingen zijn gekoppeld (tewerkstelling, gezondheidszorg, naar school gaan); dat zij daaraan toevoegen dat de redelijke termijn werd overschreden omdat er, na het ongunstig advies, zo lang werd gewacht met het betekenen van de eerste bestreden beslissing; XIV-19.864-6/8 Overwegende dat betwistingen in verband met de toegang, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen een publiekrechtelijk karakter hebben; dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 5 oktober 2000, in de zaak MAAOUIA tegen Frankrijk, dit heeft beslist; dat verzoekers bijgevolg artikel 6 van het E.V.R.M. niet kunnen inroepen; dat bijgevolg dit onderdeel van het tweede middel niet dienstig kan worden aangevoerd omdat het niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat in zoverre de schending van de redelijke termijn wordt ingeroepen, wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel;
- Overwegende dat verzoekers geen middelen aanvoeren tegen de tweede en de derde bestreden beslissingen;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-19.864-7/8 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-19.864-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.059 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.