id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.084 Rolnummer: A. 122698/VII-27000 Zaak: Arrest 150084 - - 12/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-25 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 02:03 Fiche Arrest nr 150.084 van 12 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.084 van 12 oktober 2005 in de zaak A. 122.698/VII-27.000 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat B. NOUWKENS, kantoor houdende te 3590 DIEPENBEEK, Kapelstraat 66, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ecuadoriaanse nationaliteit, op 12 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 april 2002 tot weigering van vestiging, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 13 mei 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 28 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-27.000-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. BIESEMANS, die, loco advocaat B. NOUWKENS, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 15 april 2000 en legde op 9 juni 2000 een aankomstverklaring af. 1.
- Op 19 juni 2000 diende de verzoekende partij een verzoek in tot voorlopig verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. 1.
- Op 5 oktober 2001 huwde de verzoekende partij met dhr. Paesen voor de burgerlijke stand van de stad Peer. Op 9 november 2001 diende de verzoekende partij een aanvraag tot vestiging in bij de burgemeester van de stad Peer. 1.
- Op 4 april 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van vestiging, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt als volgt: "(...) Betrokkene is in het bezit van een geldig paspoort. Uit dit reisdocument blijkt dat zij langer in het Rijk verblijft dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn (langer dan 3 maanden op 6). Zij heeft als dusdanig niet het recht op verblijf of vestiging in het Rijk als echtgenoot van een Belg. Het verblijfsdocument is vervallen sedert 02/07/2000 terwijl betrokkene het statuut van EU-gelijkgestelde inroept op 09/11/
- Artikel 7, alinea 2, wet 15.12.
- VII-27.000-2/4 Artikel 2, 41 alinea 2 en 42 alinea 1 wet 15.12.
- Artikel 43, 61 K.B. 8.10.1981 gewijzigd door K.B. 12.6.
- Artikel 3 alinea 2, artikel 4, 1/ en ten 3/ C van de EEG-Richtlijn nr. 68/360 van 15.10.
- Artikel 3, alinea 2 en artikel 6, punt a van de EEG-Richtlijn nr. 73/148 van 21 mei
- Artikel 3, punt 3 van de EEG-Richtlijn nr. 64/221 EEG.". 1.
- Op 14 mei 2002 diende de verzoekende partij bij de minister van Binnenlandse Zaken een verzoek tot herziening in van deze beslissing. Op 5 juni 2002 werd aan de verzoekende partij een verblijfsdocument afgegeven waarbij zij werd gemachtigd om in het Rijk te verblijven in afwachting van een beschikking over haar verzoek tot herziening.
- Overwegende dat artikel 67 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) het volgende bepaalt: "Tijdens de duur van het onderzoek van het verzoek tot herziening mag geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied uitgevoerd worden en mag geen zodanige maatregel ten opzichte van vreemdeling worden genomen wegens de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de beslissing waartegen dat verzoek is ingediend. In de gevallen waarin het verzoek gericht wordt tegen een maatregel tot verwijdering van het grondgebied, kan (de Minister) de vreemdeling verplichten in een bepaalde plaats te verblijven, of sommige plaatsen te verlaten, of nog, wanneer uitzonderlijk ernstige omstandigheden zulks wettigen, zijn opsluiting bevelen voor de duur van het onderzoek van het verzoek. Wanneer (de Minister) een tegen een besluit van terugwijzing ingediend verzoek tot herziening verwerpt, stelt hij overeenkomstig artikel 25 een nieuwe termijn vast binnen welke de vreemdeling het grondgebied moet verlaten."; dat niet wordt aangetoond dat het onderzoek van het verzoek tot herziening is beëindigd; dat de verzoekende partij derhalve geen belang heeft bij onderhavig beroep; dat het beroep onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- VII-27.000-3/4 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-27.000-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div