id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.087 Rolnummer: A. 139136/VII-30315 Zaak: Arrest 150087 - - 12/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-03 02:03 Fiche Arrest nr 150.087 van 12 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.087 van 12 oktober 2005 in de zaak A. 139.136/VII-30.315 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 27 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 28 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-30.315-1/5 Gelet op de beschikking van 19 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 28 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat F. LANDUYT, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 13 juli 2001 en verklaarde zich op 30 juli 2003 vluchteling. 1.
- Op 23 april 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. 1.
- Op 28 mei 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U, die verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van Teheran. U zou een Armeens christen zijn. Omdat u christen bent zou u sinds 1376 (Perzische kalender, k.o.m. 1997-98 Gregoriaanse kalender) problemen hebben gehad met de Bassidj. U zou op verschillende manieren zijn gepest. Zo werd onder andere uw werkatelier in brand gestoken in de elfde maand van 1379 (jan-febr. 2001). Omdat u hierop het Iraanse regime zou hebben vervloekt, zou u in de tweede maand van 1380 (apr-mei 2001) zijn gearresteerd en vier maanden zijn vastgehouden. Enkele dagen na uw vrijlating zou u Iran hebben verlaten. Op 21 september 2001 zou u in België zijn toegekomen en dezelfde dag heeft u hier een eerste maal asiel aangevraagd. De Dienst Vreemdelingenzaken nam hieromtrent een beslissing tot VII-30.315-2/5 weigering van verblijf die door de Commissaris-generaal werd bevestigd op 13 december
- Op 17 april 2003 vroeg u een tweede maal asiel aan. U zou niet zijn teruggekeerd naar Iran. U zou hebben vernomen dat uw broer, H., een dagvaarding van de rechtbank voor u had ontvangen. U legt deze dagvaarding voor ter ondersteuning van uw asielaanvraag. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat er, gezien het bedrieglijke karakter van uw verklaringen bij uw eerste asielaanvraag geen geloof kon worden gehecht aan uw vluchtrelaas. Er dient te worden vastgesteld dat het door u aangehaalde nieuwe element, met name de dagvaarding, rechtstreeks in verband staat met en gebaseerd is op het feitenrelaas aangehaald bij uw eerste asielaanvraag. U legt weliswaar een originele dagvaarding van de rechtbank voor, maar uw verklaringen hieromtrent zijn zeer vaag. U weet niet of u zich voor de algemene rechtbank of de revolutionaire rechtbank moest gaan aanmelden terwijl dit toch op de dagvaarding staat aangegeven (CG p.8). U heeft er ook geen idee van waarom u zich bij de rechtbank moest gaan aanmelden (CG p.8- 9). U verklaart uitdrukkelijk dat er op de dagvaarding geen motief is aangegeven, terwijl dit echter wel is aangegeven. Er staat immers als motief aangegeven: "uitvoering van het vonnis" (zie dagvaarding). U kan ook niet zeggen wanneer deze dagvaarding is uitgevaardigd, noch wanneer u zich moest gaan aanmelden (CG p.5 en 8). U weet wel dat uw broer het document in ontvangst heeft genomen, maar u weet niet precies waar het werd afgeleverd. U veronderstelt dat het in uw magazijn aan Maydan Ressalat is afgeleverd (CG p.6). Het feit dat u een originele dagvaarding voorlegt, weegt niet op tegen deze bemerkingen aangezien u dermate vaag blijft in uw verklaringen over dit document dat u als enige nieuwe element voor uw asielaanvraag aanhaalt. Tenslotte moet, met betrekking tot de dagvaarding, worden opgemerkt dat dit document louter vermeldt dat u zich voor de algemene rechtbank van Ressalat moet gaan aanmelden voor de uitvoering van het vonnis. Er wordt niets gezegd over de aard van de zaak en bevestigt bijgevolg niet de door u ingeroepen vluchtmotieven. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheid- en het zorgvuldigheidsbeginsel, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève) en van de artikelen 48, 49 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij stelt dat het door haar aangehaalde document rechtstreeks in verband staat met de feiten aangehaald in haar eerste asielaanvraag; dat zij eveneens tracht te VII-30.315-3/5 verklaren waarom zij weinig uitleg kon verschaffen nopens de gerechtelijke procedure waarvan zij het voorwerp zou zijn geweest; dat zij verwijst naar de notities die haar raadsman betreffende het verhoor bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft gemaakt; dat zij tenslotte de commissaris-generaal verwijt geen rekening te hebben gehouden met nieuwe elementen die door haar werden aangebracht; Overwegende dat de notities van de raadsman van de verzoekende partij wegens een mogelijk gebrek aan onpartijdigheid en objectiviteit niet in aanmerking kunnen worden genomen; dat de verzoekende partij wil aantonen dat de commissaris-generaal de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd heeft beoordeeld; dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats zaak is van de overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich bij het beoordelen van die feitelijke gegevens in de plaats te stellen van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, belast met de wettigheidscontrole, moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat het middel, waar het betrekking heeft op het niet in aanmerking nemen van alle gegevens, niet verder is uitgewerkt; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. VII-30.315-4/5 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-30.315-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.087 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div