id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.092 Rolnummer: A. 129474/VII-28390 Zaak: Arrest 150092 - - 12/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 02:04 Fiche Arrest nr 150.092 van 12 oktober 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.092 van 12 oktober 2005 in de zaak A. 129.474/VII-28.390 In zake : XXX, verblijvende te 2660 HOBOKEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bulgaarse nationaliteit, op 31 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 september 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk wordt verklaard en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 2 oktober 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 22 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 28 september 2005; VII-28.390-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat C. SLABBAERT, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 11 augustus 1999 in het bezit van een visum geldig tot 24 augustus
- 1.
- Op 13 maart 2001 vroeg de verzoekende partij een machtiging tot voorlopig verblijf aan op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. 1.
- Op 27 september 2002 verklaarde de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk en nam een beslissing houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide aan de verzoekende partij betekend op 2 oktober
- "(...) De aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend op 13/03/2001 bij de burgemeester van 2660 Hoboken door XXX geboren te DRAGOVO op 26/08/1968, onderdaan van Bulgarije, verblijvende Julius De Geyterstraat 52, 2660 Hoboken, in toepassing van art 9§3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is onontvankelijk. VII-28.390-2/5 Motivering: De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: medische redenen, nazorg en de strafrechtelijke behandeling van het ongeval, vormen geen beuitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Bijgevolg dient de vreemdeling gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten hem op heden bekend.". Het bestreden bevel is als volgt gemotiveerd: "(...) In uitvoering van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken genomen op datum van 19.09.2002 wordt aan: XXX, geboren te Dragovo op 26/08/, nationaliteit: Bulgarije, bevel gegeven het grondgebied van België, van Duitsland, van Spanje, van Frankrijk, van Italië, van Portugal, Denemarken, Oostenrijk, Finland, Ijsland, Noorwegen, Zweden en van Griekenland te verlaten binnen vijf dagen
(5)en uiterlijk op 7 oktober 2002 met verbod zich naar Nederland en/of Luxemburg te begeven. Reden van de beslissing: - artikel 7, al. 1-2/ van de wet van 15 december 1980; gewijzigd door de wet van 15 juli 1996; verblijft langer in het rijk dan overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn; regelmatig verblijf verstreken sedert 10/11/
- Indien hij/zij dit bevel niet opvolgt, loopt de voornoemde gevaar, onverminderd rechtsvervolging op grond van art. 75 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, overeenkomstig art. 27 van dezelfde wet.". Dit zijn de bestreden beslissingen.
- Wat betreft de toepassing van artikel
- 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij aanvoert dat uit de bestreden beslissing niet valt af te leiden of het oordeel van de minister van Binnenlandse Zaken is gebaseerd op het advies van een geneesheer, dat zij verschillende geneeskundige getuigschriften heeft aangebracht waaruit haar medische problematiek duidelijk blijkt en dat haar medische bewijsvoering op ongefundeerde wijze werd afgewezen door de minister van Binnenlandse Zaken; 2.
- Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet onontvankelijk verklaart op grond van het feit dat de door de verzoekende partij ingeroepen motieven, met name de medische reden, de nazorg en de strafrechtelijke behandeling van VII-28.390-3/5 het ongeval, geen buitengewone omstandigheden vormen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat in de bestreden beslissing niet wordt aangegeven op grond waarvan de minister van Binnenlandse Zaken tot de conclusie komt dat de ingeroepen medische reden niet weerhouden wordt als buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat de motivering van de bestreden beslissing niet afdoende genoeg lijkt om te besluiten tot de onontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf; dat de bestreden beslissing bijgevolg niet behoorlijk lijkt te zijn gemotiveerd en aldus de door de verzoekende partij in het middel aangehaalde rechtsregels blijkt te schenden; dat het middel ernstig is; dat, in tegenstelling tot de conclusies van het auditoraatsverslag, dergelijk middel, zoals het is geadstrueerd, niet in "korte debatten" kan worden afgedaan; 2.
- Overwegende dat, nu de kamer het niet eens is met de conclusies van het verslag, het beroep tot nietigverklaring, overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt voortgezet;
- Wat betreft de vordering tot schorsing. 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende dat hierboven werd vastgesteld dat het eerste middel niet ongegrond lijkt en derhalve ernstig is; 3.
- Overwegende dat, wat het nadeel betreft, de verzoekende partij stelt dat zij zware nazorg behoeft met het oog op de gedeeltelijke genezing van haar medische problemen; dat de verwerende partij dit als dusdanig niet betwist; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij steun vindt in het administratief dossier en derhalve overtuigt; dat de bestreden beslissing een rechtstreekse en ongunstige weerslag heeft op de behandeling van de medische problemen van de verzoekende partij; dat te dezen het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden aangenomen; VII-28.390-4/5
- Overwegende dat voldaan is aan de twee door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat bijgevolg aan de wettelijke voorwaarden voor een schorsing van de tenuitvoerlegging is voldaan, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 september 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk wordt verklaard en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt desgevallend voortgezet overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-28.390-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div