id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.100 Rolnummer: A. 142378/VII-30807 Zaak: Arrest 150100 - - 12/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 02:04 Fiche Arrest nr 150.100 van 12 oktober 2005 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.100 van 12 oktober 2005 in de zaak A. 142.378/VII-30.807 In zake :
- XXX,
- XXX, en 4 minderjarige kinderen, die woonplaats kiezen bij advocaat D. CHABOT, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Roterdamstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, afkomstig van voormalig Joegoslavië, op 6 oktober 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 augustus 2003 waarbij hun aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid zonder voorwerp werd verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 28 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-30.807-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. CHABOT, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen dienen op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op grond van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
- Op 25 april 2002 verwierp de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag. 1.
- Op 12 september 2001 dienen de verzoekende partijen een verzoek in om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Zij steunen hun aanvraag onder meer op de ziektetoestand van één van hun kinderen. 1.
- Op 11 augustus 2003 verwerpt de verwerende partij deze aanvraag op grond van volgende motivering: "(...) Volgens art. 16 van de regularisatiewet van 22/12/1980 is het verboden om beroep te doen op art. 9.3 van de wet van 15/12/
- Wanneer men bijgevolg beroep doet op de regularisatiecommissie (wat hier het geval is onder dossiernummer 2020-20000127- 03714) kan men tijdens of later geen beroep meer doen op art. 9.
- Dit verbod geldt niet alleen tot de eventuele verwerping van het verzoek obv de regularisatiewet, maar zolang de genoemde wet van 22/12/1999 van kracht is. Betrokkenen dienen contact op te nemen met de Servisch-Montenegrijnse vertegenwoordiging in België en/of de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) ten einde hun terugkeer voor te bereiden.". Dit is de bestreden beslissing. VII-30.807-2/5
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun tweede middel, dat handelt over "de toepassing van artikel 16 van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvende op het grondgebied van het rijk, en het nadien indienen van een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf overeenkomstig art. 9, derde lid van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen", het volgende stellen: “Zoals hiervoor werd aangegeven heeft het Arbitragehof zich reeds uitgesproken betreffende de toepassing van artikel 16 Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvende op het grondgebied van het Rijk, "B.S.", 10 januari 2000, err., "B.S.", 2 februari
- en de invloed van deze verbodsbepaling op de artikelen 10, 11 en eventueel 19 1 van de Grondwet; De conclusie van het arrest, was dat een verbod op het indienen van een aanvraag overeenkomstig art. 9, derde lid van de wet van 15/12/1980 na een aanvraag strekkende tot regularisatie (wet 22/12/1999) geen schending uitmaakt van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, omdat er gevaar bestaat voor repetitieve aanvragen waardoor een geïnstitutionaliseerd kunstmatig verblijfsrecht wordt gecreëerd; Dat het Arbitragehof aldus een oordeel heeft geveld over repetitieve regularisatieaanvragen, doch zich niet heeft gebogen over de situatie waarbij in hoofde van een vreemdeling die vroeger reeds een aanvraag overeenkomstig de regularisatiewet van 22/12/1999 heeft ingediend, zich thans geconfronteerd ziet met nieuwe feiten buiten zijn wil om die het hem op dat moment onmogelijk maken om terug te keren naar zijn land van herkomst, waarbij dus niet kan gesproken worden van een repetitieve aanvraag nu zwart op wit vaststaat dat de feiten en middelen niet voorheen (regularisatieaanvraag) werden ingediend; Dat verzoeker de mening -is toegedaan dat hij voldoet aan de visie zoals deze werd weergegeven door het Arbitragehof en meent dat het Arbitragearrest in dusdanige wijze kan geïnterpreteerd worden dat indien de aanvraag art. 9, derde lid van de wet van 15/12/1980 geen repetitieve aanvraag is en indien er werd bewezen dat men zich in de onmogelijkheid bevindt om zich langs de normale weg te voorzien van een machtiging tot verblijf (artikel 9, tweede lid) hij wet degelijk een aanvraag overeenkomstig art. 9§3 kan indienen; Het verbieden van een dergelijk aanvraag overeenkomstig art. 9§3 zou immers verzoeker discrimineren met de illegalen die nooit de moeite namen om een aanvraag in te dienen (noch art. 9, derde lid Vreemdelingenwet, noch regularisatie) en hier dus steeds illegaal vertoefden en thans ernstig ziek worden; Op generlei wijze kan het feit dat zijn dochtertje ernstig ziek werd aan verzoeker verweten worden; Indien de Raad van State echter de menig zou toegedaan zijn dat geen duidelijkheid bestaat met betrekking tot de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, wanneer een aanvraag strekkende tot het bekomen van een machtiging tot verblijf overeenkomstig art. 9, derde lid Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geweigerd wordt ondanks het aanvoeren van nieuwe elementen (ernstige ziekte) die buitengewone omstandigheden uitmaken, die zijn geschied buiten de wil om van de aanvrager en waarmee geen rekening gehouden werd of kon worden gehouden tijdens de aanvraag overeenkomstig de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvende op het grondgebied van het Rijk, "B.S.", 10 januari 2000, err., "B.S.", 2 februari 2000., dan verzoekt verzoeker de Raad van State eerbiedig een prejudiciële vraag te stellen als volgt: "Worden de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet geschonden door de toepassing van de verbodsbepaling opgenomen in art. 16 Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van VII-30.807-3/5 vreemdelingen verblijvende op het grondgebied van het Rijk, 10 januari 2000, err., 2 februari 2000, wanneer er na de regularisatieaanvraag een aanvraag strekkende tot het bekomen van een machtiging van verblijf wordt ingediend op grond van nieuwe feiten waarmee in de aanvraag tot regularisatie (wet 22/12/1999) geen rekening werd gehouden of kon worden gehouden, die zich voordeden buiten de wil van de aanvrager om, na het aflopen van de aanvraag strekkende tot regularisatie en die buitengewone omstandigheden uitmaken zoals vereist door artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende, met name ernstige ziekte?".”; Overwegende dat het in de gegeven omstandigheden past de door de verzoekende partijen geformuleerde vraag aan het Arbitragehof voor te leggen, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Aan het Arbitragehof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld: "Worden de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet geschonden door de toepassing van de verbodsbepaling opgenomen in art. 16 van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvende op het grondgebied van het Rijk, wanneer er na de regularisatieaanvraag een aanvraag strekkende tot het bekomen van een machtiging van verblijf wordt ingediend op grond van nieuwe feiten waarmee in de aanvraag tot regularisatie geen rekening werd gehouden of kon worden gehouden, die zich voordeden buiten de wil van de aanvrager om, na het aflopen van de aanvraag strekkende tot regularisatie en die buitengewone omstandigheden uitmaken zoals vereist door artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende, met name ernstige ziekte?". VII-30.807-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-30.807-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.