id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.107 Rolnummer: A. 128921/VII-28262 Zaak: Arrest 150107 - - 12/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-25 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 02:04 Fiche Arrest nr 150.107 van 12 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 150.107 van 12 oktober 2005 in de zaak A. 128.921/VII-28.262 In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat E. DELVAUX, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Stationsstraat 10 A, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Slowaakse nationaliteit, op 21 oktober 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 september 2002 waarbij hun aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 20 september 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 18 november 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-28.262-1/7 Gelet op de beschikking van 19 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 28 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. VRONINKS, die, loco advocaat E. DELVAUX, verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 12 december 2001 dienen de verzoekende partijen een verzoek in om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 12 september 2002 wordt de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt als volgt: "In toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mee dat dit verzoek onontvankelijk is. Redenen: De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen Indianen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud In het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. Dat verzoekers al het nodige zouden doen om zich te integreren, dat zij de Nederlandse taal zouden machtig rijn, en dat zij tal van relaties met Belgen zouden VII-28.262-2/7 onderhouden is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag In België wordt ingediend. Betrokkenen wisten dat hun verblijf in België van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van de asielaanvraag. Tevens waren zij gemachtigd gedurende 3 maanden in het rijk te verblijven obv hun geldig nationaal paspoort. Deze termijn is reeds lang verstreken. Daarenboven wisten ze dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land dienden te verlaten. De problemen In hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen cp 21/12/2000 en kennis gegraven op 27/12/
- Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden cm de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Het medisch motief -kan niet weerhouden worden aangezien het voorgelegde medisch attest niet van die aard is om een vorige negatieve beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te herzien (weigering van verblijf om medische redenen van 01/06/2001). Betrokkenen dienen contact op te nemen mat de Internationale organisatie voor Migratie (IOM) en/of de Slovaakse vertegenwoordiging in België ten einde hun terugkeer voor te bereiden.".
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel het volgende stellen: "M.b.t. het belang van verzoeker bij het verzoek tot nietigverklaring. Verzoekers hebben er alle belang bij om de nietigverklaring te vragen van de bestreden beslissing gezien, indien zij dit niet den, verplicht worden het Belgisch grondgebied te verlaten, niettegenstaande ondermeer de precaire gezondheidstoestand van Mevrouw L. Verzoekers hebben er belang bij om op het Belgisch grondgebied te mogen verblijven, gezien zij in België het centrum van hun belangen gevestigd hebben. Zij wonen sedert meer dan twee jaar in België. Zij zijn ondertussen goed geïntegreerd en hebben geen binding meer met hun land van herkomst. Verzoekers hebben aldus een geldig en voldoende belang. Hun belang is persoonlijk, rechtstreeks, actueel en wettig. M.b.t. de machtsoverschrijding en m.b.t. de niet-naleving van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. De beslissing die steunt op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven is met machtsoverschrijding genomen (R.v.St., 4 maart 1960, Brinkhuysen, nr. 7681; R.v.St., 30 september 1960, Janssens, nr. 8094; R.v.St., 23 november 1965, stad Oostende, nr. 11.519). Krachtens de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, is het een substantiële vormvereiste dat motivering - en dan nog noodzakelijkerwijze een juiste en juridisch aanvaardbare motivering - gebeurt van de door de overheid genomen beslissingen. Het zal blijken dat de bestreden beslissing niet juist of juridisch aanvaardbaar is en dat zij steunt op onjuiste, juridisch onaanvaardbare en onwettige motieven en dat zij derhalve niet behoorlijk naar recht gemotiveerd is. Door het verzoek onontvankelijk te verklaren schendt de Minister de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur. Het zorgvuldigheidsbeginsel wordt geschonden, nu vastgesteld wordt dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige manier dient voor te bereiden en de beslissing dient te stoelen op een correcte feitenvinding. Het bestuur dient zich zo nodig voldoende te informeren om met kennis van zaken een beslissing te nemen. Aan de bestuursbeslissing dient een nauwgezetten belangenafweging ten gronde te liggen. "Overzicht van het Belgisch administratief recht", Mast, 15de druk, 1999, p.
- VII-28.262-3/7 Het redelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Om na te gaan of het bestuur de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden, zal de rechter tot een marginale toetsing van het bestuursoptreden overgaan en de kennelijke wanverhouding tot de feiten waarop de beslissing is gebaseerd, sanctioneren. Wat het redelijkheidsbeginsel de rechter toestaat, is niet het oordeel over te doen maar is enkel dat oordeel onwettig te vinden wanneer het tegen alle redelijkheid ingaat, wanneer de door het bestuur geponeerde verhouding tussen beslissing en feiten in werkelijkheid volkomen ontbreekt. zie Mast, o.c., p.
- Dat de bestreden beslissing dan ook indruist tegen art. 6 E.V.R.M. doordat verzoeker op die wijze geen eerlijke behandeling krijgt van zijn zaak (beginsel van eerlijk proces - fair trial). Het Europees Hof van de Rechten van de Mens heeft zich op 7 juni 2001 uitgesproken over de procedure voor de administratieve rechtscolleges in Frankrijk. (Hof Mensenrechten, arrest Kress / Frankrijk - 7 juni 200 1, http://www.echr.coe.int). Aldus blijkt dat administratieve procedures getoetst - zoals een procedure asiel getoetst kunnen worden aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. M.b.t. de toepassing van art. 6 EVRM verwijst verzoeker naar het "Overzicht van het publiek recht, Van de Lanotte, die Keure, 1997, nr. 236, 389, 559, 721, 896, 987, 1158,
- "Opgemerkt kan worden dat artikel 6 EVRM enkel van toepassing is in burgerlijke zaken en strafzaken. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mag het begrip "burgerlijk recht" niet geïnterpreteerd worden door eenvoudige verwijzing naar het interne recht van de betrokken staten. Daarom is het mogelijk dat dit artikel ook van toepassing is op administratieve rechtscolleges. Sommige van deze beginselen werden bovendien door de rechtspraak als algemene rechtsbeginselen gekwalificeerd, zodat deze ook van toepassing zijn, zelfs wanneer geen enkele geschreven bepaling ze uitdrukkelijk voorziet." Van de Lanotte, o.c., nr.
- Het zal blijken dat de bestreden beslissing nietjuist of juridisch aanvaardbaar is en dat zij steunt op onjuiste, juridisch onaanvaardbare en onwettige motieven en dat zij derhalve niet behoorlijk naar recht gemotiveerd is (Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen). De minister heeft het verzoek onontvankelijk verklaard om reden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald worden waarom verzoekers de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Deze stelling gaat in tegen elke logica en redelijkheid en schendt aldus hoger vermelde wetten, algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekers halen in hun verzoekschrift dd. 12.12.2001 ondermeer aan dat het voor hen gezien de onveilige situatie in Slovakije en de volgehouden discriminatie aldaar en om financiële redenen het niet mogelijk is om terug te reizen naar Slovakije en aldaar een verblijfsmachtiging aan te vragen aan de Belgische diplomatieke post. Verzoekster verwijst om de uitzonderlijke omstandigheden te staven ondermeer nog naar het feit dat zij de Nederlandse taal spreken, dat zij al het nodige doen om zich te integreren; dat er nog een procedure hangende is voor de Raad van State tegen de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen door de CGVS; dat zij in Slovakije als Roma het mikpunt zijn van discriminatie en mishandeling, hetgeen bevestigd wordt door diverse mensenrechtenrapporten; dat degelijke medische zorgen onthouden wordt aan Roma; dat een gedwongen terugkeer naar Slovakijke een inbreuk zou betekenen op de artikelen 3 en 8 van het EVRM en aldus een inbreuk op het gezinsleven zou uitmaken en een bedreiging voor hun leven en hun fysieke integriteit; dat verzoekster op datum van verzoek tot machtiging tot verblijf onder medische behandeling stond, hetgeen voor haar een geval van overmacht uitmaakte waardoor zij in de onmogelijkheid verkeerde om terug te keren naar haar land van herkomst om aldaar de machtiging tot verblijf aan te vragen. Dat verzoekers verwezen naar gekende rechtspraak van de Raad van state waarbij vastgesteld werd dat er een belangenafweging dient te gebeuren tussen enerzijds het doel en de gevolgen van de administratieve voorschriften in art. 9.2 Vr.W. en anderzijds de min of meer gemakkelijke toepassing ervan en de ongemakken die dit veroorzaakt in een concreet VII-28.262-4/7 geval; Dat wanneer de ongemakken niet in verhouding staan tot het beoogde doel en de beoogde gevolgen, de administratieve beslissing "buitengewoon" nadelig voor de betrokkene is en bij buitengewone omstandigheden kan inroepen; Verzoekers hebben aldus de uitzonderlijke omstandigheden uitgebreid gemotiveerd en toegelicht. De Minister heeft evenwel in de bestreden beslissing de door verzoekers aangehaalde motieven niet volledig en nauwkeurig beantwoord; de bestreden beslissing is derhalve niet naar behoren van recht gemotiveerd; Gelet op de in het verzoekschrift toegelichte motieven was het voor verzoekers onmogelijk om naar Slovakije terug te keren en aldaar hun verzoek in te dienen. Aldus werden en worden de buitengewone omstandigheden wel degelijk bewezen. Het verzoek werd aldus ten onrechte onontvankelijk verklaard. Verzoekers wensen eveneens op te merken dat : De Minister schendt in de bestreden beslissing de bepalingen van de omzendbrief van 15 december 1998 over de toepassing van art. 9.3 van de Wet van 15.12.1998, waarbij als voorwaarde voor een gunstig gevolg aan het verzoek een dubbele motivering moet gegeven worden door de verzoeker, te weten het bestaan van buitengewone omstandigheden (ontvankelijkheid van de vordering), alsmede de redenen waarom men de machtiging aanvraagt (gegrondheid van de vordering). Verzoekers verwijzen naar rechtspraak van de Raad van State : R.v.St. nr. 73.025, 9 april 1998, rev.dr.étr. 1998, afl. 97,69, noot R.v.St. nr. 72.3 70, 11 maart 1998, T. Vreemd., 1998 (verkort), afl. 1 en 2,
- Het onderzoek van de aanvraag vanuit twee invalshoeken, nl. in het licht van de ontvankelijkheid en de gegrondheid, sluit geenszins uit dat éénzelfde feit tezelfdertijd een buitengewone omstandigheid kan zijn die het indienen van de aanvraag in België mogelijk maakt en een reden ter verantwoording van het toekennen van de verblijfsvergunning. Aangezien het om buitengewone omstandigheden gaat kan bezwaarlijk van de verzoekers worden vereist dat zij naar hun land van herkomst zouden terugkeren. Verzoekster hebben verwezen naar het feit dat zij de Nederlandse taal spreken, dat zij al het nodige doen om zich te integreren; dat er nog een procedure hangende is voor de Raad van State tegen de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen door de CGVS; dat zij in Slovakije als Roma het mikpunt zijn van discriminatie en mishandeling, hetgeen bevestigd wordt door diverse mensenrechtenrapporten; dat degelijke medische zorgen onthouden wordt aan Roma; dat een gedwongen terugkeer naar Slovakijke een inbreuk zou betekenen op de artikelen 3 en 8 van het EVRM en aldus een inbreuk op het gezinsleven zou uitmaken en een bedreiging voor hun leven en hun fysieke integriteit; dat verzoekster op datum van verzoek tot machtiging tot verblijf onder medische behandeling stond, hetgeen voor haar een geval van overmacht uitmaakte waardoor zij in de onmogelijkheid verkeerde om terug te keren naar haar land van herkomst om aldaar de machtiging tot verblijf aan te vragen. Dat verzoekers verwezen naar gekende rechtspraak van de Raad van state waarbij vastgesteld werd dat er een belangenafweging dient te gebeuren tussen enerzijds het doel en de gevolgen van de administratieve voorschriften in art. 9.2 Vr.W. en anderzijds de min of meer gemakkelijke toepassing ervan en de ongemakken die dit veroorzaakt in een concreet geval; Dat wanneer de ongemakken niet in verhouding staan tot het beoogde doel en de beoogde gevolgen, de administratieve beslissing "buitengewoon" nadelig voor de betrokkene is en hij buitengewone omstandigheden kan inroepen; Deze elementen kunnen zowel beoordeeld worden in functie van het onderzoek naar de ontvankelijkheid, als i.f.v. het onderzoek naar de gegrondheid van de vordering. Zoals hoger uiteengezet diende de Minister de vordering ontvankelijk te verklaren, waarna de gegrondheid van de vordering kon beoordeeld worden. In casu beperkt de Minister zich tot een onontvankelijkheidsbeslissing, onderzoekt hij het verzoek niet ten gronde en schendt aldus de Wet. Verzoekster merkt voor alle duidelijkheid op dat zij de mening toegedaan blijft dat zij in Slovakije niet over de nodige medische zorgen zal kunnen beschikken en dat een reis - gegeven zijn medische toestand - niet aangewezen is. Verzoekers hebben de medische redenen toegelicht dewelke de uitzonderlijke omstandigheden uitmaken en VII-28.262-5/7 dewelke evenzeer ten gronde het verzoek ondersteunen. Zij hebben een medische attest bijgevoegd bij de aanvraag. Verzoekers besluiten dat hun verzoek tot machtiging voor een verblijf van meer dan drie maanden ten onrechte onontvankelijk verklaard werd."; Overwegende dat artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.) naar luid waarvan bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld, enkel betrekking heeft op jurisdictionele procedures en niet op een procedure waarbij uitspraak wordt gedaan over een regularisatieaanvraag; dat artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke dienst of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid, evenwel bepaalt dat in buitengewone omstandigheden het hem wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet aanvragen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet mogen worden verward met de argumenten die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat niet wordt aangetoond dat de verwerende partij op kennelijk onredelijke wijze heeft geoordeeld dat de rechtens vereiste buitengewone omstandigheden te dezen niet voorhanden zijn; dat de omstandigheden die verband houden met de mogelijke integratie van de verzoekende partijen betrekking hebben op de gegrondheid van de aanvraag en niet op de ontvankelijkheid ervan; dat de verzoekende partijen geen kritiek leveren op de vaststelling van de verwerende partij dat het verblijf een precair karakter had en dat de verblijfstermijn reeds lang was verstreken; dat de omzendbrief van 15 december 1998, daargelaten of de schending daarvan als middel tot nietigverklaring kan worden ingeroepen, werd opgeheven door de omzendbrieven van 6 januari 2000 en 19 februari 2003; dat de verzoekende partijen niet concreet uiteenzetten hoe de bestreden beslissing de artikelen 3 en 8 van het E.V.R.M. zou hebben geschonden; dat evenmin wordt uiteengezet met welke argumenten uit de aanvraag de verwerende partij geen rekening zou hebben gehouden;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-28.262-6/7 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-28.262-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.107 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.