id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.114 Rolnummer: A. 153088/XIV-19951 Zaak: Arrest 150114 - - 12/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 02:05 Fiche Arrest nr 150.114 van 12 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.114 van 12 oktober 2005 in de zaak A. 153.088/XIV-19.
- In zake : XXX, wonende te A. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 24 juni 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 12 mei 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 12 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.951-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat in een eerste middel verzoeker laat gelden dat de formele motiveringsplicht zoals opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een substantiële vormvereiste is waaraan elke administratieve beslissing dient te voldoen, dat de materiële motiveringsplicht daarenboven een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is, dat de bestreden beslissing volstrekt onvoldoende is gemotiveerd, dat de bestreden beslissing vermeldt dat hij niet zou aantonen dat er een gegronde vrees voor vervolging zou bestaan, terwijl hij aan de hand van aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen voorgelegde aanhoudingsbevelen het tegendeel bewijst, dat deze evenwel niet worden in overweging genomen omdat het eerste bevel een kopie en het tweede een niet-vertaald origineel stuk is, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de toezending van het origineel van het eerste aanhoudingsbevel en de vertaling van het niet-vertaalde stuk had moeten afwachten alvorens een beslissing te nemen, doch dat de bestreden beslissing reeds op de dag van de terechtzitting werd genomen, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ten onrechte het belang van deze aanhoudingsbevelen naast zich neer heeft gelegd, zoals blijkt uit de thans originele en vertaalde aanhoudingsbevelen, waaruit de gegronde vrees voor vervolging blijkt, dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat hij zijn reisweg niet zou bewijzen en hierover vage verklaringen heeft afgelegd, niet aantoont wanneer hij Afghanistan heeft verlaten en België is binnengekomen en hij geen reisbescheiden kan voorleggen waardoor de oprechtheid van het asielrelaas reeds op voorhand is aangetast en afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas, terwijl hij ter terechtzitting vragen hierover duidelijk heeft beantwoord en geen verdere specifieke vragen over de route werden gesteld, dat aangezien verzoeker enkel zijn reisleider is gevolgd en deze smokkelaar alle documenten bij zich hield, dat hij derhalve geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd die de geloofwaardigheid van het relaas in het gedrang hebben gebracht, dat de bestreden beslissing stelt dat hij geen consistente verklaringen zou hebben afgelegd terwijl hij tijdens al zijn verhoren, zij het in andere bewoordingen, hetzelfde verhaal heeft verteld, wat door de diverse behandelende instanties op een verschillende manier werd geïnterpre- teerd, dat verzoeker tevens een kopie van de verhoorverslagen bij de Dienst Vreemdelingen- zaken en bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vroeg doch hierop geen enkele reactie verkreeg, dat de tegenstrijdigheden die werden vastgesteld met betrekking tot
(1)de rol van zijn vader bij de Taliban,
(2)verzoekers eigen activiteiten,
(3)verzoekers verklaringen over zijn taskara en
(4)de dood van zijn vader onterecht werden XIV-19.951-2/5 vastgesteld en weerhouden bij de beoordeling van zijn aanvraag tot erkenning als vluchteling; 1.1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen over de mogelijkheid van de asielzoeker om reisbescheiden en bewijsdocumenten voor te leggen, over de bewijswaarde van de door hem ter staving van het feitenrelaas voorgebrachte stukken en over de aannemelijkheid van zijn verklaringen ter weerlegging van de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheden; dat, waar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overweegt dat “appellant verschillende documenten neerlegt waaronder twee aanhoudingsbevelen; dat het eerste aanhoudingsbevel (stuk 8) slechts een kopie betreft en appellant het origineel niet voorlegt; dat het algemeen geweten is dat binnen de Afghaanse vluchtelingmilieus de valse en vervalste documenten welig tieren; dat appellant niet aantoont dat dit document authentiek is; dat het tweede aanhou- dingsbevel in originele vorm wordt neergelegd, doch zonder de noodzakelijke vertaling; dat overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, de documenten ter zitting neergelegd, indien in een andere taal opgesteld dan deze van de rechtspleging, vergezeld dienen te zijn van een voor eensluidend verklaarde vertaling; dat de Commissie bij gebrek aan vertaling de documenten niet in overweging dient te nemen”, zij doet blijken dat het ter zitting neergelegde originele stuk door haar niet in overweging wordt genomen omdat dit stuk niet, zoals vereist door artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vergezeld was van een voor eensluidend verklaarde vertaling; dat, wat de kopie van het eerste aanhoudingsbevel betreft, genoegzaam wordt aangegeven waarom deze kopie niet in aanmerking wordt genomen; dat nergens wordt bepaald dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen moet wachten, alvorens een beslissing te nemen, op de vertaling van een document dat niet-vertaald ter terechtzitting werd neergelegd, nadat de debatten werden gesloten; dat het de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is die beslist in hoeverre het wachten op een vertaling van een dergelijk stuk noodzakelijk is om een beslissing inzake de erkenning als vluchteling te nemen; dat gelet op de overige elementen in de motivering van de bestreden beslissing, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van oordeel was dat op basis van andere gronden reeds voldoende motieven aanwezig waren om de aanvraag tot erkenning als vluchteling van verzoeker te weigeren; dat, onder het mom van de schending van de motiveringsplicht, de overige onderdelen van het eerste middel er in wezen toe strekken de feitelijke beoordeling van verzoekers zaak te laten overdoen, hetgeen buiten de bevoegdheid van de Raad van State valt; dat luidens artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval XIV-19.951-3/5 van cassatieberoep niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
- Overwegende dat in een tweede middel verzoeker machtsafwending aanvoert alsook de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, doordat hij steeds een zeer coherent en duidelijk relaas heeft gegeven, dat wel als ontvankelijk werd beschouwd; dat hij stelt dat de zorgvuldigheidsplicht inhoudt dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen en bovendien een beslissing binnen een redelijke termijn dient te nemen, dat door de asielaanvraag van verzoeker ongegrond te verklaren waardoor hij het risico loopt persoonlijk te worden vervolgd bij terugkeer, rekening houdend met de aanhoudingsbevelen, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de regels van behoorlijk bestuur schendt omdat de nadelige gevolgen voor verzoeker en zijn familie onevenredig zijn; 1.2.
- Overwegende dat in wezen wordt gesteld dat de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing onevenredig groot zijn voor verzoeker aangezien hij het risico loopt te worden vervolgd bij terugkeer naar Afghanistan; dat de taak van de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen, erin bestaat te oordelen over vragen tot erkenning als vluchteling; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen slechts een vreemdeling als vluchteling kan erkennen wanneer deze voldoet aan de criteria van de Conventie van Genève; dat, mocht ze er anders over beslissen, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar bevoegd- heid te buiten zou gaan; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-19.951-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.951-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.114 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div