← België

Arrest 150118 - - 12/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.118 Rolnummer: A. 132241/XIV-13604 Zaak: Arrest 150118 - - 12/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 02:05 Fiche Arrest nr 150.118 van 12 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.118 van 12 oktober 2005 in de zaak A. 132.241/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R.-M. SUKENNIK, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Florencestraat 13 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 15 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 15 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-13.604-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. HENKINBRANT die, loco Advocaat R.-M. SUKENNIK verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. Verzoekster van Russische nationaliteit is op 15 mei 2000 in België binnengekomen waar zij zich op dezelfde dag vluchteling heeft verklaard. 1.
  4. Op 15 juni 2001 wordt aan verzoekster de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. 1.
  5. Op 16 december 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing. De motivering luidt als volgt: “Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 29 oktober 2001 op uw gekozen woonplaats.”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  7. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “MIDDEL genomen uit de schending van: • artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen • artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen • artikel 77 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen • de Conventie van Genève van 28 juli 1951, onder andere haar artikel 1 XIV-13.604-2/4 • van de algemene rechtsbeginselen en meer bepaald de schending van een behoorlijk administratief bestuur dat wil dat elke beslissing gegrond is op wettige en wettig toelaatbare redenen • de vergissing, de strijdigheid en het tekort in de feiten en de redenen DOORDAT de bestreden beslissing verklaart dat de aanvraag van verzoekster onontvankelijk is omdat zij, zonder geldige reden, geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die haar aangetekend werd verstuurd op 29 oktober 2001 op haar gekozen woonplaats; TERWIJL verzoekster een geldige reden heeft gegeven verklarend dat ze niet aanwezig zou kunnen zijn op haar verhoor voor dringend beroep vastgesteld op 14 november 2001; Dat tegenpartij kennis had genomen van de onmogelijkheid voor verzoekster om zich aan te melden op 14 november 2001; Dat een doktersattest werd overgemaakt aan het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen op 14 november 2001; Dat hiervan akte genomen werd in het verhoorblad dringend beroep bij het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen op 14 november 2001; Dat verzoekster moest blijven liggen tot aan de bevalling van haar zoon om elk risico op een miskraam te vermijden; Dat verzoekster op 5 april 2002 bevallen is van een zoon, Philippe, in het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis te Aalst; Dat door te verklaren dat aanvraag van verzoekster onontvankelijk is om de reden dat deze laatste, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven heeft binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die haar aangetekend werd verstuurd op 29 oktober 2001, kan beschouwd worden dat bestreden beslissing onder andere de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen kennelijk geschonden heeft.”; 2.2.
  8. Overwegende dat in een enig middel verzoekster zich beroept op de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 77 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, van de algemene rechtsbeginselen, vergissing, strijdigheid en tekort in de feiten en de motivering en van artikel 1 van de Vluchtelingenconventie; dat verzoekster stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen haar asielaanvraag onontvankelijk verklaarde omdat zij binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven, terwijl zij een medisch attest heeft toegezonden aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen waaruit bleek zij in de onmogelijkheid was om te verschijnen op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; 2.2.
  9. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster op 29 oktober 2001 aangetekend werd uitgenodigd om op 14 november 2001 haar asielaanvraag te verduidelijken; dat de oproeping vermeldde: “Indien een geval van overmacht u belet gevolg te geven aan deze oproeping, dient u mij binnen de maand die volgt op de datum van dit schrijven, de reden hiervoor alsook een document dat hiervan het bewijs levert, per aangetekend schrijven te bezorgen. In dat geval zal ik uw dossier onderzoeker(n) zonder dat ik verplicht ben u opnieuw op te roepen. In geval van overmacht moet u bijgevolg eveneens antwoorden op het volgende verzoek om inlichtingen: (...) Zonder antwoord van uwentwege XIV-13.604-3/4 binnen een maand na verzending van deze brief mag ik u de status weigeren wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen ondanks het bewijs van overmacht. (...)”; dat verzoekster weliswaar een attest heeft afgeleverd maar geen gevolg gegeven binnen een maand, aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief van 29 oktober 2001; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bijgevolg op goede gronden artikel 52, §2, 4/ kon toepassen; dat de bestreden beslissing derhalve afdoende is gemotiveerd en de ingeroepen bepalingen niet schendt; dat het enig middel niet gegrond is;
  10. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.604-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.