id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.122 Rolnummer: A. 137112/XIV-15254 Zaak: Arrest 150122 - - 12/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-03 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-03 02:06 Fiche Arrest nr 150.122 van 12 oktober 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.122 van 12 oktober 2005 in de zaak A. 137.112/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R.-M. SUKENNIK, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Florencestraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 23 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 april 2003 tot onontvankelijkverklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2005; XIV-15.254-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. HENKINBRANT die, loco Advocaat R.-M. SUKENNIK verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX van Oekraïense nationaliteit, is op 27 september 1999 in het Rijk binnengekomen, waarna hij zich op 1 oktober 1999 vluchteling verklaart. 1.
- Op 31 oktober 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 12 maart 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bevestigende beslissing van weigering van verblijf. 1.
- Op 4 december 2002 dient de verzoekende partij bij de burgemeester van de stad Brussel een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) in. 1.
- Op 7 april 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot onontvankelijk verklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet en van artikel 58 §
- Dit is de bestreden beslissing: “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door: Bulezjuk, Georgie nationaliteit: Oekraïne (Rep.) XIV-15.254-2/8 geboren te Korovia op 08/08/1973 ex-kandidaat-vluchteling adres: Menslievendheidsstraat 23 1000 Brussel in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en): eerst en vooral dient opgemerkt te worden dat de asielaanvraag van betrokkene verworpen werd door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 17/03/2003 en ter kennis gegeven op 19/03/
- er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene zich volledig integreerde in België, dat hij zijn tijd goed benutte, dat hij uitstekend Frans spreekt, dat hij reeds een ruime vriendenkring heeft en dat hij een kind heeft dat in België geboren is, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
- Niets verhindert betrokkene zich te schikken naar de in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf. Betrokkene heeft nooit de officiële toestemming gekregen om op het Belgisch grondgebied betaalde arbeid te verrichten; betrokkene dient te weten, dat hij niet kon werken, zolang zijn asielaanvraag niet ontvankelijk verklaard was. Bijgevolg dient betrokkene dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”.
- Over de ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt: “2.1 Betreffende de ontvankelijkheid. Overeenkomstig de wet van 19.7.1991 ter invoering van de procedure van het administratief kort geding, dient de verzoekende partij een ernstig middel tot nietigverklaring aan te tonen, alsmede een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ingeval van uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing (art. 17 par. 1 en 2). Verzoeker ontwikkelt geen ernstig middel. Verzoekende partij toont tevens niet aan op basis van concrete gegevens een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden bij de onmiddellijke uitvoering van de aangevochten administratieve beslissing. Verzoekers overvloedige argumentatie omtrent een eventueel bevel om het grondgebied te verlaten is niet relevant. Verzoeker beroept zich voornamelijk op het verlies van zijn inspanning tot integratie. Dergelijk verlies maakt geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit aangezien zijn verblijf als vluchteling precair is. Tevens is verzoekers argumentatie met betrekking tot het feit dat de thans nieuw ingeroepen elementen nav. zijn aanvraag 9,3/ in zijn asielaanvraag, niet behandeld werden niet relevant. Verwerende partij wijst erop dat het verzoeker vrij staat een nieuwe asielaanvraag in te dienen, echter stelt zij vast dat deze "nieuwe" elementen geen elementen zijn ter rechtvaardiging van een asielaanvraag. Tevens stelt de verwerende partij dat verzoeker nog geen bevel om het grondgebied te verlaten heeft gekregen. XIV-15.254-3/8 Verzoekers argumentatie volstaat niet ter rechtvaardiging van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Om die redenen is de vordering tot schorsing niet ontvankelijk.”; 2.
- Overwegende dat er geen noodzaak bestaat over de exceptie uitspraak te doen aangezien het beroep, zoals hierna wordt uiteengezet, bij gebrek aan gegronde middelen dient te worden verworpen;
- Over de gegrondheid van het beroep. 3.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “III. EXPOSE DU MOYEN MOYEN pris de la violation: ! de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, notamment en ses articles 2 et 3; ! de la loi du 15 décembre 1980, notamment en ses articles 62 et 9 alinéa 3; ! de la Convention européenne des droits de l'Homme et des Libertés fondamentales, notamment en ses articles 3, 8 et 13; ! de la violation des principes généraux de droit et plus particulièrement le principe d'une saine gestion administrative qui veut que toute décision repose sur des motifs légitimes et légalement admissibles; ! de l'erreur manifeste d'appréciation, du principe général de proportionnalité, du principe général de prudence et du principe selon lequel l'autorité administrative est tenue de statuer en prenant connaissance de tous les éléments pertinents de la cause. Première branche: EN CE QUE la demande d'autorisation de séjour introduite par le requérant est déclarée irrecevable au motif qu'il n'invoquerait aucune circonstance exceptionnelle justifiant l'introduction de la demande à partir de la Belgique; ALORS QUE le requérant a fui son pays d'origine, en raison des persécutions dont il était victime; Que si les persécutions invoquées par le requérant, à l'appui de sa demande d'asile, n'ont pas été jugées assez suffisantes pour que le statut de réfugié politique lui soit reconnu, le champ d'application de l'article 9§3 de la loi du 15 décembre 1980 est cependant différent de celui des dispositions de la Convention internationale relative au statut des réfugiés; Que la Cour européenne des droits de l'Homme a en effet précisé, dans son arrêt Chahal c/ Royaume-Uni, que «la protection assurée par l'article 3 est donc plus large que celle prévue aux articles 32 et 33 de la Convention des Nations Unies de 1951 relative au statut des réfugiés», du point de vue du principe de non-refoulement; Que pour justifier l'introduction d'une demande de séjour sur base de l'article 9 de la loi du 15 décembre 1980 à partir de la Belgique, il faut, mais il suffit, que le demandeur démontre qu'il «lui est particulièrement difficile de retourner demander l'autorisation visée dans son pays d'origine ou dans un pays où il est autorisé au séjour» (CE, 6 mars 2001, n/93.760) ; Qu'il ne peut être déduit de l'échec de la procédure d'asile du requérant, qu'il lui serait possible ou pas «particulièrement difficile» d'y retourner pour solliciter une autorisation de séjour; Qu'ainsi le Conseil d'Etat a déjà estimé qu'une circonstance invoquée à l'appui d'une demande d'asile et rejetée comme telle peut éventuellement justifier l'introduction en Belgique d'une demande de séjour de plus de trois mois (Conseil d'Etat n/ 92.410 (Prés. XI Réf) 18 janvier 2001) Deuxième branche: EN CE QUE la partie adverse considère que rien n'empêche le requérant de lever une autorisation de séjour provisoire auprès des autorités diplomatiques compétentes pour le lieu de résidence à l'étranger afin de permettre son séjour en Belgique; XIV-15.254-4/8 ALORS QUE le requérant a invoqué l'article 8 de la Convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales dans le cadre de sa demande de séjour; Qu'il a invoqué sa très bonne intégration en Belgique, a déposé, à l'appui de sa demande des attestations d'amis et connaissances; Que l'article 8 précité garantit le respect de la vie privée et familiale; Que la Cour de Strasbourg considère que le concept de «vie familiale», visé par l'article 8 ne se borne pas aux seules familles fondées sur le mariage mais peut englober d'autres relations de facto (arrêt Marckx c/ Belgique du 13 juin 1979, série A n/31, p. 14; Keegan c/Irlande du 26 mai 1994, série A n/290, p. 17, §44); Que la vie privée comprend le droit de maintenir des relations de qualité avec des tiers; Que la Cour européenne des droits de l'homme a déjà eu l'occasion de se prononcer à ce sujet, et a jugé qu'il n'était ni possible, ni nécessaire de définir la notion de vie privée, cette notion devant au moins être comprise comme le droit pour tout individu de développer et d'entretenir des relations sentimentales, mais également amicales et professionnelles (CEDH arrêt Niemietz / Allemagne du 16 décembre 1992, série A, numéro 25 IB, page 33§29; CEDH, arrêt Halford / Royame Uni du 27 juin 1997) ; Qu'en application de cette disposition, toute ingérence familiale ne peut être admise que sur base du respect du principe de proportionnalité. (C.E. n/ 46660, 25 mars 1994 CE n/43.821, 13 juillet 1993, CE n/77273, 30 novembre 1998); Qu'il importe dès lors à l'autorité de montrer qu'elle a eu le souci de ménager un juste équilibre entre le but visé et la gravité de l'atteinte au droit du requérant au respect de sa vie privée et familiale; Qu'en l'espèce, la partie adverse n'a pas examiné les éléments de vie privée et sociale invoquée par le requérant en ce qu'elles pouvaient rendre difficile un retour dans son pays d'origine afin d'y introduire sa demande de séjour; Qu'un départ de la Belgique anéantirait tous les efforts d'intégration du requérant; Qu'il ne fait aucun doute que les autorités publiques doivent s'abstenir passivement de porter atteinte à la liberté reconnue aux individus de mener leur vie familiale et doivent également agir activement afin de rendre effective la possibilité pour les individus de mener leur vie de famille (X, La mise en oeuvre de la Convention Européenne des droits de l'homme, Ed. Jeune Barreau, Bruxelles, 1994, p. 95) ; Qu'ainsi, Votre Haute Juridiction a déjà considéré que le préjudice qui touche à l'exercice de droits fondamentaux, doit être considéré comme grave et difficilement réparable (ASBL MARGES et consorts, n'56.106 du 30 octobre 1995); Que de même, le Conseil d'Etat a estimé que toute atteinte à la vie privée et familiale constitue un risque de préjudice grave et difficilement réparable (OUARRANA, n/79.089 du 4 mars 1999) Troisième branche: EN CE QUE la partie adverse a estimé que le requérant n'a jamais obtenu l'autorisation officielle afin d'exercer un emploi payé sur le territoire belge et que le requérant devait savoir qu'il ne pouvait pas travailler tant que sa demande d'asile n'était pas déclarée recevable, ALORS QUE le requérant n'a jamais exercé un emploi en Belgique depuis son arrivée; Qu'il est bien conscient du fait qu'il doit obtenir la régularisation de son séjour; Qu'il souhaiterait par contre pouvoir se rendre utile professionnellement afin notamment, de poursuivre son intégration dans notre pays; Que la partie adverse n'a dès lors aucune raison d'invoquer cet argument, par ailleurs, entièrement erroné; Quatrième branche EN CE QUE la partie adverse a décidé que le requérant devrait quitter le territoire belge d'urgence; ALORS QUE le requérant a introduit les recours prévus par les dispositions légales applicables en la matière, auprès de votre haute Juridiction; Que ces recours sont actuellement toujours pendants; Que la Convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales prévoit en son article 13, que «toute personne dont les droits et les libertés reconnus dans (la Convention), a droit à l'octroi d'un recours effectif devant une instance nationale (...)»; Que la Cour européenne des droits de l'homme a déjà eu l'occasion de préciser la portée de la disposition précitée; XIV-15.254-5/8 Qu'en effet, l'effectivité d'un recours qu'exige l'article 13, implique qu'un tel recours puisse empêcher l'exécution de mesures contraires à la Convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales (CEDH, arrêt du 5 février 2002, n/51.564/99, Conka c/ Belgique); Que la Convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales, et plus particulièrement son article 13, s'oppose à ce que des mesures contraires à la Convention soient prises avant même que les autorités nationales aient examiné leur compatibilité avec la Convention; Qu'en envisageant le rapatriement forcé du requérant dans son pays d'origine alors que les recours auprès du Conseil d'Etat sont toujours à l'examen, la partie adverse viole l'article 13 de la Convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales.”; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker de schending van de motiveringsplicht inroept, van de artikelen 3, 8 en 13 van het E.V.R.M., van het zorgvuldigheidsbeginsel, van een manifeste appreciatiefout en van het evenredigheidsbeginsel; 3.2.
- Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat, vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond was om verzoeker een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij moest nagaan of zijn aanvraag wel regelmatig was ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat in zijn aanvraag verzoeker de volgende elementen opgaf: verzoeker is volledig geïntegreerd in België, heeft zijn tijd in België goed benut, spreekt uitstekend Frans, wil graag officieel te werk gesteld worden, heeft reeds een ruime vriendenkring in België en heeft een kind dat in België is geboren; dat in de bestreden beslissing daarop het volgende wordt geantwoord: “er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene zich volledig integreerde in België, dat hij zijn tijd goed benutte, dat hij uitstekend Frans spreekt, dat hij reeds een ruime vriendenkring heeft en dat hij een kind heeft dat in België geboren is, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
- Niets verhindert betrokkene zich te schikken naar de -in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf. XIV-15.254-6/8 Betrokkene heeft nooit de officiële toestemming gekregen om op het Belgisch grondgebied betaalde arbeid te verrichten; betrokkene dient te weten, dat hij niet kon werken, zolang zijn asielaanvraag niet ontvankelijk verklaard was.”; dat de motieven waarop de bestreden beslissing gesteund is pertinent zijn en op afdoende wijze de beslissing kunnen schragen; dat de bestreden beslissing afdoende heeft aangegeven waarom geen gunstig gevolg aan de aanvraag kon worden gegeven; dat de Minister van Binnenlandse Zaken redelijkerwijze de bestreden beslissing kon nemen; dat rekening werd gehouden met alle door verzoeker aangebrachte feiten; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker voorhoudt de verwerende partij wel degelijk rekening heeft gehouden met de door hem aangehaalde elementen ter staving van zijn aanvraag om machtiging tot verblijf; 3.2.
- Overwegende dat, wat de vermeende schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft, dient opgemerkt dat de bestreden beslissing er niet toe strekt verzoekers gezinsleven te verhinderen of te bemoeilijken; dat de beslissing enkel inhoudt dat verzoeker geen buitengewone omstandigheden doet gelden die hem zouden vrijstellen om zijn aanvraag tot machtiging tot verblijf volgens de geëigende procedure, meer bepaald vanuit zijn land van herkomst, in te dienen; 3.2.
- Overwegende dat een blote bewering of een eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaan om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat verzoeker zich beperkt tot de blote bewering dat hij bij zijn terugkeer het slachtoffer zal worden van handelingen verboden door artikel 3 van het E.V.R.M.; dat hij geen concrete, op zijn persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengt ter staving van deze kritiek; dat hij derhalve niet aantoont dat hij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; 3.2.
- Overwegende dat, wat de aangevoerde schending van artikel 13 van het E.V.R.M. betreft, dient vastgesteld dat dit artikel niet zelfstandig kan worden ingeroepen, zonder aan te tonen dat een door het voornoemd verdrag beschermde vrijheid of recht geschonden is; dat verzoeker in het middel samen met artikel 13 van het E.V.R.M. een schending lijkt in te roepen van de artikelen 3 en 8 van het E.V.R.M.; dat verzoeker in concreto nalaat aan te tonen op welke wijze de bestreden beslissing laatstgenoemde artikelen schendt; dat verzoeker zich beperkt tot een algemene uiteenzetting, waaronder het citeren van rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens; 3.2.
- Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-15.254-7/8 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.254-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.122 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.