← België

Arrest 150132 - - 12/10/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.132 Rolnummer: A. 166555/X-12514 Zaak: Arrest 150132 - - 12/10/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-03 02:08 Fiche Arrest nr 150.132 van 12 oktober 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 150.132 van 12 oktober 2005 in de zaak A. 166.555/X-12.

  1. In zake :
  2. Bart DENDOOVEN,
  3. Robert WITTEVRONGEL, die woonplaats kiezen bij Advocaat F. CORYN, kantoor houdende te 9000 GENT, Casinoplein 19 tegen :
  4. de gemeente AALTER
  5. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128 tussenkomende partij : Adriaan STAELENS, die woonplaats kiest bij Advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart DENDOOVEN en Robert WITTEVRONGEL op 3 oktober 2005 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 16 augustus 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Aalter houdende afgifte aan Adriaan STAELENS en Martine VAN OVERBEKE van de stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een kippenstal op een terrein gelegen te Aalter, Hageland 4, op een perceel kadastraal bekend Sectie E, nr. 206 c; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 6 oktober 2005; X-12.514-1/10 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. CORYN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat J. SUCAET, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat V. TOLLENAERE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat E. RENTMEESTERS, die loco Advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Adriaan STAELENS met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen bij besluit van 17 februari 2005 aan Adriaan STAELENS en Martine VAN OVERBEKE de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor het slopen en herbouwen van een bedrijfswoning en bijgebouwen en het aanleggen van een vijver op een terrein gelegen te Aalter, Hageland 4, op percelen kadastraal bekend, Sectie E, nrs. 205 e, f, g en 206 c, "volgens ingediend plan onder voorwaar- de dat de bedrijfsgebouwen gelijktijdig opgericht worden met de bedrijfswoning"; dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgesteld gewestplan Eeklo-Aalter is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat deze vergunning onder meer de bouw vergunt van een kippenstal met een lengte van 100 m, een breedte van 34,3 m en een nokhoogte van 6,3 m op het perceel nr. 206 c, in te planten op 17 m van de linker zijgevel van de woning en op 9 m van de voorste perceelsgrens; dat onder meer tweede verzoeker voormeld besluit van de bestendige deputatie heeft aangevochten met een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring (zaak A. 162.094/X-12.290); dat het arrest nr. 149.203 van 21 september 2005 de afstand in hoofde van de toenmalige eerste verzoeker heeft ingewilligd en de vordering in hoofde van tweede verzoeker, in huidige procedure eveneens tweede verzoeker, heeft verworpen wegens het niet voldaan zijn aan de voorwaarde dat de vordering X-12.514-2/10 een uiteenzetting van de feiten dient te bevatten die aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat Adriaan STAELENS en Martine VAN OVERBEKE inmiddels op 15 april 2005 een nieuwe aanvraag hadden ingediend voor het "bouwen van een kippenstal" op het perceel nr. 206 c; dat de nieuwe aanvraag een kippenstal betreft met een lengte van 100 m, een breedte van 39,3 m en een nokhoogte van 8,10 m, in te planten op dezelfde afstand van de linker zijgevel van de woning en de voorste perceelsgrens en uit te voeren in dezelfde materialen, met name een metalen skelet met silexbetonpanelen, groenkleurige windbreeknetten, grijze golfplaten, houten schrijnwerk en metalen poorten; dat aan de westelijke perceelsgrens een groenscherm wordt voorzien; dat eerste verzoekende partij eigenaar en bewoner is van een woning, gelegen Hageland 5, gelegen op circa 150 m ten westen van de op te richten kippenstal; dat tweede verzoekende partij eigenaar is van een woning, gelegen Hageland 3, gelegen op circa 40 m tegenover de op te richten kippenstal; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering betreft, dat de aangevochten stedenbouwkundige vergunning niet als voorwaarde oplegt dat de kippenstal slechts gelijktijdig kan worden opgericht met de bedrijfswoning vergund bij besluit van 17 februari 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat uit de goedgekeurde plannen blijkt dat de vergunde werken in snelbouwconstructie worden uitgevoerd; dat gelet op deze bouwwijze en de aard van de te gebruiken materialen, en het niet betwiste gegeven dat de werken reeds zijn aangevat, verzoekende partijen op goede gronden aanvoeren dat de vergunde werken reeds volledig kunnen zijn voltooid vooraleer over een vordering tot schorsing, ingesteld volgens de gewone procedure, uitspraak zou zijn gedaan; X-12.514-3/10 Overwegende voorts wat het optreden van de verzoekende partijen met de voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste spoed betreft, dat eerste verzoeker verklaart op 20 september 2005 kennis te hebben genomen van het bestaan van de vergunning na de aanvang van de werken; dat geen afdoende gegevens worden bijgebracht waaruit kan blijken dat eerste verzoeker reeds voordien kennis had van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning; dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingesteld op 3 oktober 2005; dat in de gegeven omstandigheden een termijn van 13 dagen om de vordering in te stellen als aannemelijk kan worden beschouwd; dat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering in zijnen hoofde afdoende verantwoord is; dat de uiterst dringende noodzakelijkheid in hoofde van tweede verzoeker slechts dient te worden onderzocht indien zou blijken dat in hoofde van eerste verzoeker niet is voldaan aan de overige door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de ternuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen; dat, zoals hierna zal blijken, dit niet het geval is; Overwegende dat eerste verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 51 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het koninklijk besluit van 24 maart 1978 houdende vaststelling van het gewestplan Eeklo-Aalter, van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, evenals het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag en machtsoverschrijding; Overwegende dat verzoeker in de toelichting bij het middel uiteenzet dat het betrokken bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Eeklo-Aalter is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat de bepalingen van artikel 15,4.6.
  7. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 aan deze gebieden beperkingen opleggen met het oog op de ontwikkeling of de bescherming van het landschap van het betrokken gebied, dat met betrekking tot de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle gebieden deze moeten worden getoetst aan een tweevoudig criterium, met name enerzijds een planologisch, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of de te X-12.514-4/10 vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en anderzijds een esthetisch, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken in overeenstemming moeten worden gebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap, dat niet valt in te zien hoe een bouwwerk zoals het vergunde met een oppervlakte van 100 m op 39,90 m en een nokhoogte van 8,10 m de schoonheidswaarde van het landschap niet kan aantasten, dat het huidige nieuwbouwproject niet kan worden vergeleken met de initieel aanwezige stal van 30 m op 25 m, dat normen van dierenwelzijn, hygiëne en volksgezondheid en economische normen geen stedenbouwkundige argumenten zijn die de oprichting van een dergelijk omvangrijke stal in het betrokken gebied kunnen rechtvaardigen, dat het argument dat het landschappelijk waardevol karakter van het gebied reeds zou zijn aangetast door grootschalige industriële landbouwbedrijven geen verantwoording kan zijn om het landschappelijk waardevol karakter van dat gebied helemaal te vernietigen, dat de gegeven gewestplanbestemming evenzeer op de toekomst is gericht, zeker wanneer die bestemming ertoe strekt de specifieke waarden van het gebied te vrijwaren en zelfs te ontwikkelen, dat het opgelegde groenscherm en gebouw een echte muur van steen en groen zullen opwerpen over een lengte van 100 m, hetgeen niet typisch is voor deze omgeving, dat de verplichte aanleg van een groenscherm erop wijst dat de vergunningverlenende overheid zelf ervan uitgaat dat de schoonheidswaarde van het landschap door de ontworpen constructie wordt geschonden of alleszins geschonden dreigt te worden, dat de aanleg van dit groenscherm geenszins aantoont dat de te vrijwaren schoonheid van het landschap naar behoren ongeschonden wordt bewaard, dat het groenscherm bovendien alleen ter hoogte van de linker perceelsgrens wordt voorzien, en dat uit de motivering van het bestreden besluit niet blijkt dat de vergunde handelingen en werken verenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften bepaald in artikel 15,4.6.
  8. van het koninklijk besluit van 28 december 1972; Overwegende dat krachtens artikel 15,4.6.
  9. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, de landschappelijk waardevolle gebieden gebieden zijn "waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen", en "in deze gebieden (...) alle handelingen en werken (mogen) worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen"; dat krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en X-12.514-5/10 die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten gronde liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; dat uit een en ander volgt dat het college van burgemeester en schepenen in de beslissing over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning zelf de concrete gegevens dient te vermelden waarop het zich heeft gesteund om tot het besluit te komen dat de afgifte van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning de schoonheidswaarde van het te beschermen landschap niet in gevaar brengt, en dat met niet in die beslissing vermelde redenen geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat het de Raad van State niet toekomt zijn beoordeling van de bestaanbaarheid van de aanvraag met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat hij in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht wel bevoegd is na te gaan welke de feiten zijn waarop de overheid haar beoordeling heeft gesteund, of zij deze correct heeft vastgesteld en of zij, op grond van die feiten, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; Overwegende dat zoals hiervoor reeds uiteengezet het betrokken bouwwerk een kippenstal betreft van 100 m op 39,30 m met een nokhoogte van 8,10 m; Overwegende dat de motivering van het standpunt van het college van burgemeester en schepenen met betrekking tot de verenigbaarheid van de aanvraag met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied onder de "evaluatie van de bezwaren" stelt: "De aanvraag situeert zich in een uitgesproken landelijke omgeving waarvan de directe omgeving gekenmerkt wordt door meerdere landbouwbedrijven. Het oprichten van een nieuwe kippenstal die voldoet aan de normen van het dierenwelzijn is verenigbaar met de omgeving. De bouwheer neemt de nodige maatregelen om de visuele impact op de omgeving tot een minimum te beperken. Een volwaardig groenscherm wordt aangeplant.", en verder bij de "beoordeling van de goede ruimtelijke ordening": "Gelet op de ligging in landschappelijk waardevol agrarisch gebied is het oprichten van een nieuwe kippenstal principieel in overeenstemming met de planologische voorschriften; X-12.514-6/10 Overwegende dat de nieuw op te richten stal aansluit bij de bedrijfswoning; Overwegende dat voor de site al een vergunning toegestaan werd voor het bouwen van een kippenstal; dat de bouwheer echter meer ruimte nodig heeft dan oorspronkelijk voorzien; dat bijgevolg de stal een vijftal meter breder wordt en een 2 m hoger; Overwegende dat de gewijzigde plannen noodzakelijk zijn ingevolge de uitspraak van de Bestendige Deputatie van 4 mei 2005 met betrekking tot de milieuvergunningsaanvraag; dat de exploitant identiek dezelfde stal voorziet als bij de vorige aanvraag voor de exploitatie van 22.600 leghennen; dat in de technische gegevens vermeld wordt dat bij de lijst van stalsystemen voor ammoniakemissiereductie voor het stalsysteem P-4.
  10. voor de hokuitvoering een maximale bezettingsgraad toegelaten wordt van 9 dieren per m² in de dierruimte; dat de totale netto-oppervlakte voor de dieren 3.190m² bedraagt zodat een maximale bezetting van 28.710 leghennen is toegelaten; Overwegende dat de nodige maatregelen genomen worden om de visuele impact op de omgeving te beperken; Overwegende dat een bufferbekken wordt aangelegd voor de opvang van hemelwater; Overwegende dat gedurende het openbaar onderzoek één bezwaarschrift ingediend werd; dat dit bezwaarschrift niet wordt weerhouden; Gelet op het gunstig advies van de Afdeling Bos en Groen; Gelet op het gunstig advies van de Gemachtigde ambtenaar van 1 augustus 2005; (...) Voorwaarden: Het advies van de Cel Monumenten en Landschappen dient strekt gevolgd te woreen. Het landschapsintegratieplan van het bedrijf Hageland 4, opgemaakt door de Dienst Land- en Tuinbouw van de provincie Oost-Vlaanderen, kan gunstig geadviseerd worden. Het plan voorziet een goede inkleding van de gebouwen door middel van een landschapseigen groenscherm, bestaande uit Quercus robur, Ligustrum vulgare, Corylus avellana en Algus glutinosa."; Overwegende dat voormelde motivering met betrekking tot de nadere aanwijzing landschappelijk waardevol gebied enkel stelt "dat de nodige maatregelen genomen worden om de visuele impact op de omgeving te beperken"; dat deze maatregelen enkel blijken te bestaan in de aanleg van een groenscherm; dat dit groenscherm volgens het plan "erfbeplanting en landschapsintegratie" beperkt is tot op één lijn op een onderlinge afstand van 1,5 m repetitief aan te planten respectievelijk "quercus robur" (zomereik), "ligustrum vulgare" (liguster), "corylus avellana" (hazelaar), "alnus glutinosa" (zwarte els), "corylus avellana" (hazelaar), "ligustrum vulgare" (liguster), en "quercus robur" (zomereik), en dit aan de noord- en de westzijde; dat de door het bestreden besluit opgelegde verplichting tot de aanleg van dit groenscherm erop lijkt te wijzen dat werd aangenomen dat de erkende schoonheidswaarde van het landschap door de ontworpen constructie wordt geschonden of alleszins geschonden dreigt te worden; dat op het eerste gezicht niet valt in te zien hoe de aanleg van voormeld groenscherm, dat de op te richten stal slechts langs twee zijden omsluit, ertoe kan leiden dat de te beschermen schoonheids- X-12.514-7/10 waarde van het landschap door de oprichting van een stal met een omvang zoals deze door het bestreden besluit vergund en uit te voeren in de aangegeven materialen, niet in gevaar wordt gebracht; dat het middel in de aangegeven mate ernstig is; Overwegende, wat de voorwaarde betreft dat de verzoeker dient aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, dat eerste verzoeker aanvoert vanuit zijn woning en tuin een rechtstreeks zicht te hebben op het vergunde bouwwerk dat gelet op zijn aard en zijn omvang, op een ernstige wijze zijn zicht zal belemmeren, daar waar hij nu nog geniet van een open landschap; dat verzoeker ter staving van het door hem aangevoerde nadeel verwijst naar een bij het verzoekschrift gevoegde fotoreportage en naar het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar over de eerste aanvraag waarin over de eerder door de bestendige deputatie vergunde kleinere stal reeds werd gesteld dat deze "door zijn grote omvang een negatieve visuele impact heeft"; dat hij voorts aanvoert dat er naast visuele hinder ook hinder zal zijn "in de vorm van periodiek transport enerzijds van kippen en voeder (zie besluit p. 8 alinea 6: 2 tot 3 volledige vrachten per week) en anderzijds van mest" en dat er "ontegensprekelijk een geurhinder (zal) zijn"; dat zijn woonklimaat aldus ernstig wordt aangetast en dat eenmaal het gebouw is opgericht het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat moeilijk te verkrijgen is; Overwegende dat het bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning verleent voor het oprichten van een kippenstal met een lengte van 100 m, een breedte van 39,30 m en een nokhoogte van 8,10 m, in te planten op circa 150 m van eerste verzoekers woning; dat uit de neergelegde plannen en foto's blijkt dat eerste verzoeker vanop zijn eigendom een rechtstreeks zicht heeft op de vergunde constructie; dat noch het feit de vergunde stal niet recht tegenover doch schuin tegenover de woning van eerste verzoeker wordt ingeplant, noch het feit dat zijn woning is omgeven door een groenblijvende haag met een hoogte van circa 2 m, aan voormelde vaststelling afbreuk doen; dat het feit dat eerste verzoeker geen vordering tot schorsing heeft ingesteld tegen de door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleende stedenbouwkundige vergunning hem evenmin kan worden tegengeworpen, aangezien geen afdoende gegevens worden bijgebracht waaruit kan blijken dat hij kennis had van deze vergunning; dat uit de goedgekeurde plannen bovendien blijkt dat het volume van de thans vergunde kippenstal aanzienlijk groter is dan dit van de door de bestendige deputatie vergunde; dat de uiteenzetting van eerste verzoeker voldoende concrete en precieze gegevens X-12.514-8/10 bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bevelen, BESLUIT: Artikel
  11. Het verzoek tot tussenkomst van Adriaan STAELENS in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
  12. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van 16 augustus 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Aalter houdende afgifte aan Adriaan STAELENS en Martine VAN OVERBEKE van de stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een kippenstal op een terrein gelegen te Aalter, Hageland 4, op een perceel kadastraal bekend Sectie E, nr. 206 c. Artikel
  13. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenk- omende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 oktober 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, X-12.514-9/10 B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-12.514-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.132 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.805 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.